Centrale Raad van Beroep, 27-01-2015 / 13-2865 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:157

Inhoudsindicatie
Bijstandsaanvraag buiten behandeling gesteld.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-01-27
Publicatiedatum
2015-01-28
Zaaknummer
13-2865 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/2865 WWB

Datum uitspraak: 27 januari 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 april 2013, 12/6526 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.A. van Heijningen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 november 2014. Appellante is met bericht niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Mulders.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellante heeft zich op 3 augustus 2012 gemeld voor een aanvraag om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Appellante heeft daarbij opgegeven op het adres [Adres A.] te [woonplaats] te wonen (opgegeven adres). Op 20 augustus 2012 heeft zij de aanvraag om bijstand ingediend, een gesprek gevoerd met de haar toegewezen klantmanager van de Dienst Werk en Inkomen (DWI) van de gemeente Amsterdam en stukken overgelegd. Uit de overgelegde stukken en een naar aanleiding hiervan door de klantmanager ingesteld vooronderzoek is onder meer gebleken dat appellante in oktober 2011 als vennoot is toegetreden tot de onderneming [naam onderneming] (onderneming), waarvan [naam O] (O) eveneens vennoot is. Dit bedrijf voert als correspondentieadres zowel het opgegeven adres als het adres[Adres B.] te [plaatsnaam]. Appellante heeft verklaard dat zij werkzaamheden verrichtte in de bij de onderneming behorende winkel te [woonplaats], genaamd [naam winkel]. Op 20 juli 2012 is appellante uitgetreden als vennoot van de onderneming. Voorts stond appellante in het Kadaster samen met O geregistreerd als eigenaar van een woning op het correspondentieadres van het bedrijf te [plaatsnaam].


1.2.

Bij brief van 21 augustus 2012 heeft het college appellante verzocht om uiterlijk op

4 september 2012 de in de brief genoemde gegevens over te leggen, waaronder gegevens met betrekking tot (de voorwaarden van) haar toe- en uittreding als vennoot van de onderneming en, wat betreft de woning in [plaatsnaam], een kopie van de hypotheekakte, een kopie van de notariële akte van levering en een kopie “beschikking WOZ waarde 2012”

(WOZ-beschikking).


1.3.

Bij brief van 3 september 2012 heeft appellante een deel van de gevraagde gegevens overgelegd, maar geen gegevens met betrekking tot (de voorwaarden van) haar toe- en uittreding als vennoot van de onderneming en evenmin een kopie van de gevraagde

WOZ-beschikking.


1.3.

Bij besluit van 10 september 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 21 november 2012 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag van appellante met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten behandeling gesteld.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellante heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft in hoger beroep aangevoerd dat zij redelijkerwijs niet over de gevraagde gegevens heeft kunnen beschikken en dat de DWI rekening had moeten houden met haar evident afwijkende situatie.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen. Van een onvolledige of ongenoegzame aanvraag is onder andere sprake indien onvoldoende gegevens of bescheiden worden verstrekt om een goede beoordeling van de aanvraag mogelijk te maken. Gelet op artikel 4:2,

tweede lid, van de Awb, gaat het daarbij om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.


4.2.

Appellante heeft niet betwist dat de gegevens met betrekking tot (de voorwaarden van) haar toe- en uittreding als vennoot van de onderneming en de WOZ-beschikking van belang zijn voor de beoordeling van haar aanvraag en dat zij deze gegevens niet binnen de hersteltermijn heeft overgelegd. Uitsluitend in geschil is of appellante binnen die termijn redelijkerwijs over de gevraagde gegevens kon beschikken. Met de rechtbank en het college en anders dan appellante, beantwoordt de Raad die vraag bevestigend.


4.2.1.

Niet valt in te zien dat appellante binnen de gegeven hersteltermijn niet de beschikking heeft kunnen krijgen over de WOZ-beschikking van de woning te [plaatsnaam], waarvan zij mede-eigenaar was. Indien deze beschikking naar het adres te [plaatsnaam] is gezonden en appellante na het vertrek van O geen toegang meer had tot die woning, zoals zij heeft gesteld, had appellante de gemeente [plaatsnaam] kunnen verzoeken om een exemplaar van die beschikking naar haar eigen adres te zenden, dan wel had appellante zelf een digitaal exemplaar van de beschikking via internet kunnen verkrijgen.


4.2.2.

Evenmin valt in te zien dat appellante binnen de gegeven hersteltermijn geen inlichtingen heeft kunnen verstrekken over de voorwaarden waaronder zij als medevennoot tot de onderneming is toegetreden en ook weer is uitgetreden. Dit is temeer niet het geval nu het opgegeven adres tevens gold als correspondentieadres van de onderneming.


4.2.3.

Indien appellante toch meer tijd nodig had de gevraagde gegevens te verkrijgen, dan had zij het college binnen de hersteltermijn om uitstel kunnen vragen. Dat heeft zij echter niet gedaan.


4.3.

Gelet op 4.1 en 4.2, was het college op grond van artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb bevoegd de aanvraag van appellante buiten behandeling te stellen. Wat appellante heeft aangevoerd geeft geen aanleiding om te oordelen dat het college niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.


4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens als voorzitter en M. Hillen en G.M.G. Hink als leden, in tegenwoordigheid van C. Moustaïne als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2015.




(getekend) W.F. Claessens




(getekend) C. Moustaïne




HD