Centrale Raad van Beroep, 20-05-2015 / 15-2719 WWB-VV


ECLI:NL:CRVB:2015:1576

Inhoudsindicatie
Verzoek om herziening uitspraak. Afwijzing verzoek om een voorlopige voorziening. Spoedeisend belang. Voorlopig oordeel dat er geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-05-20
Publicatiedatum
2015-05-26
Zaaknummer
15-2719 WWB-VV
Procedure
Voorlopige voorziening
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

15/2719 WWB-VV

Datum uitspraak: 20 mei 2015

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening in verband met een verzoek om toepassing van artikel 8:119 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Partijen:

[Verzoekster] te [woonplaats] (verzoekster)

het college van burgemeester en wethouders van Emmen (college)

PROCESVERLOOP

Verzoekster heeft op 19 maart 2015 verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad

20 januari 2015, 14/1311 WWB.

Op 17 april 2015 heeft verzoekster verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Bij brief van 28 april 2015 heeft mr. J. Sinnema, advocaat, zich als gemachtigde gesteld van appellante. Bij brief van 13 mei 2015 heeft mr. Sinnema de gronden van het verzoek om herziening nader toegelicht en het verzoek om voorlopige voorziening nader onderbouwd.

De voorzieningenrechter heeft beslist dat uitspraak wordt gedaan zonder dat partijen uitgenodigd zijn ter zitting te verschijnen.

OVERWEGINGEN

1. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Verzoekster heeft op 1 maart 2013 een aanvraag ingediend om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Na een afwijzing van de aanvraag heeft het college, voor zover hier van belang, bij besluit op bezwaar van 21 augustus 2013 aan verzoekster met ingang van

1 maart 2013 bijstand toegekend naar de norm voor een alleenstaande. Deze norm is verhoogd met een toeslag van 10% van de gehuwdennorm, omdat verzoekster de woning waarin zij woont met haar moeder deelt, en de kosten van levensonderhoud (deels) met haar moeder kan delen.


1.2.

De rechtbank Noord-Nederland heeft - voor zover hier van belang - bij uitspraak van

28 januari 2014, 13/506, het beroep van verzoekster tegen het besluit van 21 augustus 2013 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat verzoekster met ingang van 1 maart 2013 in aanmerking komt voor bijstand naar de norm voor een alleenstaande met een toeslag van 20% van de gehuwdennorm.


1.3.

Bij de uitspraak waarvan herziening is verzocht, gepubliceerd onder ECLI:NL:CRVB:2015:79, heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevochten, vernietigd en het beroep van verzoekster tegen het besluit van 21 augustus 2013, voor zover betrekking hebbend op de hoogte van de toeslag, ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de Raad geoordeeld dat de woonruimte van verzoekster niet kan worden aangemerkt als zelfstandige woonruimte, dat het gehele huis als één woning moet worden aangemerkt en dat verzoekster de algemeen noodzakelijke bestaanskosten kan delen met een ander.


2. Verzoekster heeft betoogd dat aanleiding bestaat om de uitspraak te herzien, omdat de Raad ten onrechte heeft geoordeeld dat geen sprake is van een zelfstandige woning en geen rekening heeft gehouden met het feit dat verzoekster de noodzakelijke kosten van het bestaan niet kan delen. Verzoekster heeft zich op het standpunt gesteld dat zij, gezien de financiële situatie waarin zij verkeert, niet kan worden aangemerkt als kostendeler.


3. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.


3.1.1.

Ingevolge de artikelen 8:119 van de Awb in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien een verzoek is gedaan om herziening van een uitspraak van de Raad, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.


3.1.2.

De voorzieningenrechter acht in dit geval voldoende spoedeisend belang aanwezig voor een voorlopige voorziening, nu verzoekster aannemelijk heeft gemaakt dat er executoriaal beslag op haar woning is gelegd en de bank opdracht heeft gegeven tot executieveiling van de woning op 21 mei 2015.


3.2.1.

Ingevolge de artikelen 8:119 van de Awb in verbinding met artikel 8:83, eerste en vierde lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter uitspraak doen zonder dat partijen ter zitting zijn uitgenodigd, indien onverwijlde spoed dat vereist en partijen daardoor niet in hun belangen worden geschaad.


3.2.2.

Verzoekster heeft gesteld dat het spoedeisend belang is gelegen in de executieveiling van haar woning op 21 mei 2015. Zij heeft aangevoerd dat, indien de toeslag op de bijstand met terugwerkende kracht tot 1 maart 2013 wordt vastgesteld op 20% in plaats van 10%, de executie van de woning kan worden voorkomen. Nu gelet op de korte termijn tot de executieveiling het uitnodigen ter zitting en het doen van uitspraak niet goed uitvoerbaar is, is daarmee sprake van onverwijlde spoed als in 3.2.1 bedoeld.


3.2.3.

Partijen zijn in kennis gesteld van het voornemen van de voorzieningenrechter om uitspraak te doen zonder uitnodiging voor een zitting. Partijen hebben zich niet tegen dit voornemen verzet. Gelet hierop en de aard van het verzoek is aannemelijk dat zij door die wijze van behandeling van het verzoek niet in hun belangen worden geschaad. De voorzieningenrechter ziet daarin aanleiding om uitspraak te doen zonder dat partijen uitgenodigd zijn voor een zitting.


3.3.

Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend voor de beslissing in de hoofdzaak.


3.4.

Op grond van artikel 8:119, eerste lid, in verbinding met artikel 8:108 van de Awb, kan een onherroepelijk geworden uitspraak van de Raad, op verzoek van een partij, worden herzien op grond van feiten of omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.


3.5.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat het bijzondere rechtsmiddel van herziening er niet toe strekt de juistheid van de uitspraak waarvan herziening wordt verzocht, anders dan naar aanleiding van feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 8:119 van de Awb, aan de orde te stellen.


3.6.

In hetgeen door verzoekster is aangedragen ziet de voorzieningenrechter geen feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 8:119 van de Awb. Uit wat verzoekster in beroep bij de rechtbank heeft aangevoerd, blijkt dat zij toen al heeft betoogd dat zij over zelfstandige woonruimte beschikte. Zij wees toen ook al op de omstandigheid dat zij geen kosten deelt met haar moeder en dat er sprake was van schulden. Deze standpunten zijn door de Raad in zijn uitspraak van 20 januari 2015 al beoordeeld en meegewogen. Verzoekster is het in feite niet eens met het door de Raad in zijn uitspraak van 20 januari 2015 gegeven oordeel, maar dit kan niet leiden tot een nieuwe beoordeling van de zaak.


3.7.

Gelet op het voorgaande verwacht de voorzieningenrechter niet dat het door verzoekster ingediende herzieningsverzoek zal slagen.


3.8.

Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.


4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.



Deze uitspraak is gedaan door A.M. Overbeeke, in tegenwoordigheid van R.G. van den Berg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2015.




(getekend) A.M. Overbeeke




(getekend) R.G. van den Berg



HD