Centrale Raad van Beroep, 13-05-2015 / 13-877 AWBZ


ECLI:NL:CRVB:2015:1585

Inhoudsindicatie
Intrekking pgb. Terugvordering. Niet voldaan aan verplichtingen. Appellant heeft meerdere zorgovereenkomsten over dezelfde periode overgelegd. Deze zorgovereenkomsten verschillen van elkaar. De overeenkomsten zijn onduidelijk en tegenstrijdig over de met de stichting gemaakte werkafspraken en de daartegenover staande vergoeding. De facturen van de stichting zijn in het geheel niet gespecificeerd naar de dagen waarop is gewerkt, het aantal uren dat is gewerkt en het uurtarief waartegen deze werkzaamheden zijn verricht. De bedragen die door appellant aan de stichting zijn overgemaakt kunnen ook niet worden gerelateerd aan de facturen van de stichting.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-05-13
Publicatiedatum
2015-05-27
Zaaknummer
13-877 AWBZ
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/877 AWBZ

Datum uitspraak: 13 mei 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

2 januari 2013, 12/6268 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

Trias Zorgkantoor B.V. (Zorgkantoor)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.G. van den Heuvel, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Zorgkantoor heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 februari 2015 waar appellant is verschenen bijgestaan door mr. Van den Heuvel. Het Zorgkantoor heeft zich - met voorafgaand bericht - niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN


1.1.

De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.


1.2.

Het Zorgkantoor heeft appellant een persoonsgebonden budget (pgb) verleend voor de inkoop van zorg op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ).


1.3.

Bij brief van 30 november 2011 heeft het Zorgkantoor appellant verzocht de voor de maanden januari tot en met juni 2011 van de zorgverleners ontvangen declaratieformulieren in te zenden.


1.4.

Op 3 januari 2012 heeft appellant het Zorgkantoor een verantwoordingsformulier PGB - Globale Controle gezonden. Daarbij is aangegeven dat hij over de periode van 1 juli 2011 tot en met 31 december 2011 in totaal een bedrag van € 14.100,34 aan zijn zorgverleners heeft betaald. De verleende zorg bestaat uit persoonlijke verzorging, begeleiding individueel en begeleiding groep. Daarbij zijn verder overgelegd afschriften van de ING rekening van appellant. Uit deze afschriften blijkt onder meer dat appellant op 7 december 2011 een bedrag van € 7.000,- en op 28 december 2011 een bedrag van € 3.000,- heeft betaald aan de Stichting [naam stichting].


1.5.

Bij brief van 10 januari 2012 heeft het Zorgkantoor appellant nogmaals verzocht bewijzen voor de besteding van zijn pgb in te zenden.


1.6.

Bij brief van 31 januari 2012 heeft appellant het Zorgkantoor meegedeeld dat hij beschikt over facturen en het Kamer van Koophandel nummer van [naam stichting]. Voor andere gegevens dient het Zorgkantoor contact op te nemen met [naam stichting].


1.7.

Bij brief van 1 februari 2012 heeft het Zorgkantoor appellant meegedeeld dat hij zelf de gevraagde gegevens aan het Zorgkantoor moet toesturen.


1.8.

Bij brief van 9 februari 2011 heeft [naam moeder], de moeder van appellant, namens [naam stichting] gereageerd op de brief van het Zorgkantoor van 1 februari 2012. Daarbij heeft zij aangegeven dat [naam stichting] alleen verplicht is het nummer van de Kamer van Koophandel door te geven. Zij heeft aangegeven dat appellant door [naam stichting] wordt begeleid, dat zij woonachtig is in Spanje en dat zij als uitzendkracht in Nederland werkt, waarbij zij tijdelijk verblijf heeft op een camping te Schijf. Daarbij is onder meer overgelegd een factuur van [naam stichting] aan appellant voor “Zorgbijdrage 1-7-2011 tot 31-12-2011” ten bedrage van € 22.902,44.

1.9.

Bij besluit van 1 maart 2012 heeft het Centraal Indicatieorgaan Zorg (CIZ) appellant over de periode van 27 februari 2012 tot 26 februari 2027 geïndiceerd voor het Zorgzwaartepakket GGZ03C, klasse 7.


1.10.

Bij besluit van 5 maart 2012 heeft het Zorgkantoor het aan appellant over 2012 verleende pgb met ingang van 1 januari 2012 ingetrokken op de grond dat de aangeleverde stukken niet correct/twijfelachtig zijn. Daarbij is aangegeven dat het dossier is voorgelegd aan de afdeling Speciale zaken zorg. Ten slotte is daarbij aangegeven dat het over de maanden januari en februari 2012 uitbetaalde bedrag van € 5.843,78 moet worden terugbetaald.


1.11.

Bij brief van 12 maart 2012 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen het besluit van

5 maart 2012. Daarbij heeft hij aangegeven dat zijn vader tot 2 juli 2011 bij hem heeft ingewoond om hem zorg te verlenen en dat zijn moeder daarna naar Nederland is gekomen om hem zorg te verlenen. Daarbij heeft appellant opnieuw een afschrift van zijn ING rekening overgelegd. Ook heeft hij een op “februari 2008” gedateerde zorgovereenkomst overgelegd waarin is aangegeven dat de zorginstelling [naam stichting] 24 uren per dag zorg verleent en dat de vergoeding daarvan naar draagkracht is vastgesteld.


1.12.

Bij brief van 5 juni 2012 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen het feit dat het Zorgkantoor met ingang van 27 februari 2012 geen pgb heeft uitbetaald voor de vanaf die datum geldende indicatie van CIZ van 1 maart 2012.


1.13.

Bij besluit van 23 juli 2012 (bestreden besluit) heeft het Zorgkantoor het bezwaar van appellant tegen het besluit van 5 maart 2012 ongegrond verklaard. Daaraan heeft het Zorgkantoor ten grondslag gelegd dat de in de brieven van 30 november 2011, 10 januari 2012 en 1 februari 2012 gevraagde stukken niet zijn ontvangen. Verder heeft het Zorgkantoor verwezen naar de stukken die zijn overgelegd in de voorlopige voorzieningenprocedure die heeft geleid tot de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Gravenhage van 17 juli 2012 (12/4850). Daarin heeft het Zorgkantoor aangegeven dat bij vergelijking van de ondertekeningen van de verschillende zich in het dossier bevindende zorgovereenkomsten en verantwoordingsformulieren, met de handtekening op het paspoort van appellant twijfel bestaat of de zorgovereenkomsten en de verantwoordingsformulieren steeds door appellant zijn ondertekend. Ook zijn er twee zorgovereenkomsten waarbij voor de vergoeding van de geleverde zorg over dezelfde periode in de ene zorgovereenkomst is opgenomen “naar PGB uitbetaling” en de in de andere “naar draagkracht”. Het bezwaar van appellant van 5 juni 2012 is gegrond verklaard voor zover geen tijdige beslissing is genomen over het toekennen van een pgb op grond van het indicatiebesluit van 1 maart 2012. Ten slotte heeft het Zorgkantoor aangegeven dat de intrekking van het per 1 januari 2012 verleende pgb is gebaseerd op artikel 2.6.12 van de Regeling subsidies AWBZ (Stcrt. 2005, 242, hierna: de Regeling) en artikel 4:48 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De weigering om voor de in het besluit van CIZ van 1 maart 2012 bepaalde indicatie een pgb te verlenen is gebaseerd op artikel 2.6.4, eerste lid, van de Regeling.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft op verzoek van partijen bij het beroep betrokken het in het bestreden besluit opgenomen primaire besluit tot weigering om aan appellant met ingang van 27 februari 2012 een pgb te verlenen. De rechtbank heeft geoordeeld dat appellant de ingevolge artikel 2.6.9 van de Regeling op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen, zodat het Zorgkantoor ingevolge artikel 2.6.12, tweede lid, onder b, van de Regeling en artikel 4:48, eerste lid, van de Awb bevoegd was het met ingang van 1 januari 2012 verleende pgb in te trekken. De rechtbank heeft voorts geoordeeld geen grond te zien voor de conclusie dat het Zorgkantoor niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Ten slotte heeft de rechtbank geoordeeld dat nu appellant zich niet heeft gehouden aan de bij de verlening van een eerder pgb opgelegde verplichtingen het Zorgkantoor ingevolge artikel 2.6.4, eerste lid, onder l, van de Regeling gehouden was om appellant voor de periode na

27 februari 2012 een pgb te weigeren.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daarbij heeft hij zich onder meer op het standpunt gesteld dat de voorzieningenrechter in voornoemde uitspraak ervan is uitgegaan dat de ouders van appellant de zorg verleenden. Nu duidelijk is geworden dat appellant bij zijn ouders inwoonde in [plaatsnaam 1] en later in [plaatsnaam 2], heeft het Zorgkantoor onzorgvuldig gehandeld door niet vanaf 27 februari 2012 opnieuw een pgb uit te betalen.


4.1.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.2.1.

Ingevolge artikel 44, eerste lid, onder b, van de AWBZ kan bij ministeriële regeling worden bepaald dat het College zorgverzekeringen overeenkomstig in die regeling gestelde regels subsidies verstrekt om verzekerden de mogelijkheid te geven om in plaats van het tot gelding brengen van een aanspraak op grond van deze wet zelf te voorzien in de zorg die zij behoeven.


4.2.2.

Deze ministeriële regeling is de Regeling. In paragraaf 2.6 van de Regeling zijn bepalingen opgenomen over het persoonsgebonden budget. Ingevolge artikel 2.6.4, eerste lid, onder l, van de Regeling weigert het Zorgkantoor de verlening van een netto pgb indien de verzekerde zich niet heeft gehouden aan de bij de verstrekking van een eerder pgb opgelegde verplichtingen.


4.2.3.

Ingevolge artikel 2.6.9, eerste lid, van de Regeling legt het Zorgkantoor bij de verlening van het netto persoonsgebonden budget de verzekerde, voor zover van belang, de volgende verplichtingen op:

a. de verzekerde gebruikt het budget uitsluitend voor betaling van zorg als bedoeld in artikel 1.1.1, j of k, en de betaling van bemiddelingskosten onder de in onderdeel k opgenomen voorwaarden;

b. de zorg die de verzekerde inkoopt, is kwalitatief verantwoord;

c. de verzekerde sluit een schriftelijke overeenkomst met de zorgverlener of zorgverlenende instantie waarin ten minste de volgende afspraken zijn opgenomen:

1. declaraties voor verleende zorg worden niet betaald indien zij niet binnen zes weken na de maand waarin de zorg is verleend bij de verzekerde zijn ingediend,

2. een declaratie van een zorgverlener bevat een overzicht van de dagen waarop is gewerkt, het uurtarief, het aantal te betalen uren, het burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan, het sociaal-fiscaal nummer en de naam van de zorgverlener, en wordt door de zorgverlener ondertekend,

3. een declaratie van een zorgverlenende instantie bevat het nummer waarmee die instantie staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel, een overzicht van de dagen waarop is gewerkt, het tarief, het aantal te betalen uren, dagdelen of etmalen, en de naam en het adres van de zorgverlenende instantie, en wordt namens de zorgverlenende instantie ondertekend;

d. de verzekerde stelt, op verzoek van het zorgkantoor, de in onderdeel c bedoelde overeenkomsten en declaraties alsmede zijn rekeningafschrift op papier of op een andere duurzame drager, tot vijf jaar na de datum van de subsidievaststelling ter beschikking van het zorgkantoor. De rekeningafschriften bevatten in ieder geval de perioden waarop zij betrekking hebben, de datum en het bedrag van de door de verzekerde verrichte betalingen, bedoeld in onderdeel a, alsmede de rekeningnummers waarop deze betalingen zijn bijgeschreven.


4.2.4.

Ingevolge artikel 2.6.12, tweede lid, aanhef en onder a, van de Regeling kan de verleningsbeschikking door het Zorgkantoor worden ingetrokken of gewijzigd met ingang van de dag waarop de verzekerde de bij of krachtens artikel 2.6.9 opgelegde overige verplichtingen niet nakomt.


4.2.5.

Ingevolge artikel 4:48, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb kan het bestuursorgaan zolang de subsidie niet is vastgesteld de subsidieverlening intrekken of ten nadele van de subsidie-ontvanger wijzigen, indien de subsidie-ontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen. Ingevolge artikel 4:95, vierde lid, van de Awb kunnen betaalde voorschotten worden verrekend met de te betalen geldsom en kunnen onverschuldigd betaalde voorschotten worden teruggevorderd.

4.3.

Het bestreden besluit dient te worden aangemerkt als een intrekkingsbesluit als bedoeld in 2.6.12, tweede lid, van de Regeling en artikel 4:48 van de Awb en als een weigeringsbesluit als bedoeld in artikel 2.6.4, eerste lid, aanhef en onder l, van de Regeling. Dit besluit dient tevens te worden aangemerkt als een terugvorderingbesluit als bedoeld in 4:95, vierde lid, van de Awb.

4.4.

Het Zorgkantoor heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat appellant niet aan de op grond van artikel 2.6.9 van de Regeling geldende verplichtingen heeft voldaan. De Raad deelt deze conclusie en neemt daarbij het volgende in aanmerking. Appellant heeft meerdere zorgovereenkomsten over dezelfde periode overgelegd. Deze zorgovereenkomsten verschillen van elkaar. De overeenkomsten zijn onduidelijk en tegenstrijdig over de met [naam stichting] gemaakte werkafspraken en de daartegenover staande vergoeding. De facturen van [naam stichting] zijn in het geheel niet gespecificeerd naar de dagen waarop is gewerkt, het aantal uren dat is gewerkt en het uurtarief waartegen deze werkzaamheden zijn verricht. De bedragen die door appellant aan [naam stichting] zijn overgemaakt kunnen ook niet worden gerelateerd aan de facturen van [naam stichting]. Het Zorgkantoor was dan ook bevoegd het over de periode 1 januari 2012 tot 27 februari 2012 verleende pgb in te trekken en het over de maanden januari en februari 2012 betaalde voorschot terug te vorderen. Hetgeen appellant heeft aangevoerd biedt geen grondslag voor het oordeel dat het Zorgkantoor niet van deze bevoegdheid gebruik had kunnen maken. Ten aanzien van de periode na 27 februari 2012 was het Zorgkantoor ingevolge artikel 2.6.4, eerste lid, aanhef en onder l, van de Regeling gehouden tot weigering van de verlening van een pgb over te gaan.


5. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.


6. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.


BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door J. Brand als voorzitter en H.J. de Mooij en M.F. Wagner als leden, in tegenwoordigheid van I. Mehagnoul als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2015.




(getekend) J. Brand




(getekend) I. Mehagnoul





MK