Centrale Raad van Beroep, 24-04-2015 / 10-4753 WIA


ECLI:NL:CRVB:2015:1588

Inhoudsindicatie
Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter de conclusies van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige kan volgen indien de door deze deskundige gebezigde motivering hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich hier voor. Het bestreden besluit berust op een deugdelijke medische grondslag. Gelet op eerder vermeld oordeel over het aspect toiletbezoek, zijn de aan de schatting ten grondslag liggende functies terecht als voor appellant passend aangemerkt. Ook stelt de Raad zich achter de berekening van het maatmaninkomen, zodat het bestreden besluit berust op een deugdelijke arbeidskundige grondslag. Er is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn door de rechter met ruim veertien maanden.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-04-24
Publicatiedatum
2015-05-26
Zaaknummer
10-4753 WIA
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

10/4753 WIA

Datum uitspraak: 24 april 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van

14 juli 2010, 09/1932 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

[naam werkgever B.V.] (werkgever) heeft als belanghebbende aan het geding deelgenomen

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft J.A.M. Houberg hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het Uwv heeft bij brief van 16 november 2012 de berekening van het maatmanloon nader uitgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 december 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door J.A.M. Houberg. Werkgever heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. H.M.J. Offermans, advocaat. Het Uwv is, zoals tevoren aangekondigd, niet verschenen.

Vervolgens is het onderzoek heropend.

De Raad heeft de internist prof. dr. E. Boven als deskundige benoemd. De deskundige heeft op 25 juli 2013 rapport uitgebracht.

Bij brief van 9 augustus 2013 heeft het Uwv gereageerd op het rapport van prof. Boven.

Bij brief van 8 oktober 2013 heeft prof. Boven gereageerd op de brief van het Uwv van

9 augustus 2013.

Op 23 oktober 2013 heeft het Uwv een nadere reactie ingezonden.

Op 6 december 2013 is bij de Raad een nader stuk van appellant binnengekomen.

Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 14 maart 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door J.A.M. Houberg. Namens het Uwv is verschenen drs. R. Spanjer.

Het onderzoek is ter zitting van 14 maart 2014 geschorst teneinde het Uwv in de gelegenheid te stellen nader te rapporteren omtrent de aanwezigheid van toiletvoorzieningen bij de geselecteerde functies. Op 2 april 2014 heeft het Uwv gerapporteerd.

Bij brief van 18 april 2014 heeft appellant gereageerd op het rapport van 2 april 2014.

Van partijen is toestemming verkregen de zaak buiten zitting af te doen.

OVERWEGINGEN


1.1.

Bij besluit van 20 april 2009 heeft het Uwv aan appellant met ingang van 16 april 2009 een WGA-uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. Daarbij is de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 72%.


1.2.

Bij besluit van 18 november 2009 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit 20 april 2009 ongegrond verklaard.


3. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het besluit van 18 november 2009 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat er geen aanleiding is de conclusies van het door het Uwv verrichte verzekeringsgeneeskundig onderzoek in twijfel te trekken. Er is op juiste wijze rekening gehouden met informatie uit de behandelde sector. De beleving van appellant van zijn klachten kan niet van doorslaggevend belang zijn. Ook acht de rechtbank appellant in staat de door de arbeidsdeskundige van het Uwv geselecteerde functies (samensteller metaalwaren, machinaal metaalbewerker, huishoudelijk medewerker) te vervullen.


4.1.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat zijn maatmanloon niet juist is vastgesteld, dat zijn beperkingen zijn onderschat, dat hij de geselecteerde functies niet kan verrichten, onder meer vanwege het ontbreken van adequate toiletvoorzieningen. Appellant acht zich volledig en blijvend arbeidsongeschikt en is van oordeel dat hij in aanmerking dient te komen voor een IVA-uitkering.


4.2.

De Raad overweegt als volgt.


4.3.

Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter de conclusies van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige kan volgen indien de door deze deskundige gebezigde motivering hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich hier voor. Het uitgebrachte deskundigenrapport geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent. Dat het rapport afwijkt van de opvatting van een andere, door een der partijen geraadpleegde, deskundige is op zichzelf niet voldoende om tot een ander oordeel te komen. Er zijn geen specifieke bezwaren naar voren gebracht die een voldoende gemotiveerde betwisting inhouden van de juistheid van de in het rapport neergelegde zienswijze. Ook anderszins zijn geen omstandigheden naar voren gekomen die aanleiding geven het rapport niet te volgen. De deskundige heeft te kennen gegeven zich te kunnen verenigen met de door de verzekeringsartsen van het Uwv opgestelde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van

12 maart 2009. De Raad onderschrijft dit oordeel en concludeert dat het bestreden besluit op een deugdelijke medische grondslag berust.

4.4.

Wat betreft de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit geldt dat het geding zich in hoger beroep met name heeft toegespitst op de vraag of bij de geselecteerde functies sprake is van een adequate toiletvoorziening en of van een werkgever, indien een dergelijke voorziening niet aanwezig is, geëist kan worden dat hij een dergelijke voorziening treft.


4.5.

De deskundige prof. Boven heeft te kennen gegeven dat er door het Uwv onvoldoende rekening is gehouden met de omstandigheid dat een adequaat toilet in de nabijheid van de werkzaamheden (de geselecteerde functies) voor appellant noodzakelijk is. Dit dient een toilet te zijn waarin appellant zich ook kan verschonen.


4.6.

In de fase van het hoger beroep heeft het Uwv zich op het standpunt gesteld -zie het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 22 oktober 2012- dat een werkgever verplicht is op grond van de ARBO-wetgeving in de omgeving van de werkplek een toiletvoorziening aan te bieden. In rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 21 maart 2014 en van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 1 april 2014 is geconcludeerd dat alsnog twee van de geselecteerde functies afvallen omdat het werk niet (onmiddellijk) kan worden onderbroken voor toiletbezoek. In de overblijvende drie functies, waarin zodanige werkonderbreking in verband met toiletbezoek op zich wel mogelijk is, is of sprake van een invalidentoilet, of sprake van een toilet met afsluitbaar te maken voorportaal, of er is geen informatie bekend omtrent de constellatie van het toilet. In ieder geval kan van de werkgever verwacht worden een invalidentoilet aan te brengen. Schatting op basis van de overblijvende drie functies leidt tot een mate van arbeidsongeschiktheid van 74,57%.


4.7.

In zijn uitspraak van 24 december 2014 (ECLI:CRVB:2014:4430) heeft de Raad overwogen dat de afwezigheid van een invalidentoilet (met wasgelegenheid), waarvan de noodzaak vaststaat, niet in de weg staat aan de geschiktheid voor de geselecteerde functies. Indien een dergelijk toilet niet aanwezig is, kan dit alsnog worden aangebracht. Een dergelijke voorziening is niet zodanig (verder)strekkend en ingrijpend dat deze van een werkgever redelijkerwijs niet kan worden gevergd. De Raad komt thans tot hetzelfde oordeel.

4.8.

Nu de Raad ook overigens geen aanknopingspunten heeft om ervan uit te gaan dat de belasting van de resterende drie functies niet binnen de voor appellant toegestane belastbaarheid blijft, komt de Raad, gelet op evenvermeld oordeel over het aspect toiletbezoek, tot de conclusie dat de aan de schatting ten grondslag liggende functies terecht als voor appellant passend zijn aangemerkt.


4.9.

Gelet op het overwogene onder 4.4 tot en met 4.8 en in aanmerking genomen dat de Raad zich ook kan stellen achter de berekening van het maatmaninkomen in het in hoger beroep ingebrachte rapport van 15 november 2012 van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, komt de Raad tot de slotsom dat het bestreden besluit ook op een deugdelijke arbeidskundige grondslag is gebaseerd.


4.10.

Het hoger beroep van appellant slaagt derhalve niet. Nu echter in het rapport van de arbeidskundige bezwaar en beroep van 27 maart 2014 is geconcludeerd dat de mate van arbeidsongeschiktheid nader bepaald dient te worden op 74,57% heeft appellant in zoverre wel belang bij -de door hem in dit kader ook expliciet verzochte- gegrondverklaring van het beroep tegen het bestreden besluit, vernietiging van dat besluit en herroeping van het primaire besluit. De Raad verwijst in dit verband naar zijn uitspraak ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1485.

4.11.

Appellant heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).


4.12.

De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd (CRvB 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009). De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen.


4.13.

Vanaf de ontvangst van door het Uwv op 2 juni 2009 van het bezwaarschrift van appellant tot de datum van deze uitspraak zijn vijf jaar en ruim 10 maanden verstreken. Van dit tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaar door het Uwv ruim vijf maanden geduurd. Vanaf de ontvangst door de rechtbank op 29 december 2009 van het beroepschrift van appellant heeft de behandeling van het beroep door de rechtbank bijna zeven maanden geduurd. De behandeling van het hoger beroep heeft vanaf de ontvangst door de Raad op

25 augustus 2010 van het hoger beroepschrift van appellant tot de datum van deze uitspraak vier jaar en ruim zeven maanden geduurd. De procedure in de rechterlijke fase heeft in totaal vijf jaar en bijna vier maanden geduurd. Er is geen aanleiding de redelijke termijn voor deze procedure in de rechterlijke fase op meer dan drie en een half jaar te stellen. Dit resulteert in een overschrijding van de redelijke termijn door de rechter met ruim veertien maanden. Dit leidt -gelet op de jurisprudentie van de Raad dat een vergoeding van € 500,- per overschrijding met een half jaar of een deel daarvan gepast is- tot een schadevergoeding van drie maal € 500,-, dus € 1500,- in totaal. De Staat wordt veroordeeld tot vergoeding van dat bedrag aan appellant wegens immateriële schade.


4.14.

Aanleiding bestaat om het Uwv te veroordelen in de kosten van rechtsbijstand van appellant in bezwaar, beroep, en hoger beroep. Deze kosten van rechtsbijstand worden begroot op € 980,- in bezwaar, op € 980,- in beroep en op € 1715,- in hoger beroep, in totaal

€ 3675,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep


  • - vernietigt de aangevallen uitspraak;
  • - verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 18 november 2009;
  • - herroept het besluit van 20 april 2009 voor zover daarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 72,41%;
  • - bepaalt de mate van arbeidsongeschiktheid per 16 april 2009 op 74,57%;
  • - bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
  • - veroordeelt de Staat tot betaling aan appellant van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 1500,-;
  • - veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 3675,-;
  • - bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 152,- vergoedt.


Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en E.W. Akkerman en M.I. ’t Hooft als leden, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 april 2015.




(getekend) J.W. Schuttel




(getekend) R.L. Rijnen



IvR