Centrale Raad van Beroep, 20-05-2015 / 13-1558 WMO


ECLI:NL:CRVB:2015:1591

Inhoudsindicatie
Hulp bij het huishouden. Het college heeft zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat op de standaardnorm van 180 minuten voor het zware huishoudelijke werk een korting van 50% moet worden toegepast op de grond dat appellant en zijn partner samen in staat waren om de helft van het huishoudelijke werk te doen. Dit betekent dat het hoger beroep slaagt. Het beroep is gegrond en de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit dienen te worden vernietigd. De Raad zal zelf in de zaak voorzien door te beslissen dat appellant voor de periode in geding recht heeft op 180 minuten huishoudelijke hulp per week.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-05-20
Publicatiedatum
2015-05-27
Zaaknummer
13-1558 WMO
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/1558 WMO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer










Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Nederland van

12 februari 2013, 12/4414 (aangevallen uitspraak)







Partijen:


[appellant] te [woonplaats] (appellant)


College van burgemeester en wethouders van Nijmegen (college)


PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S.C.G. van Ingen, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld.


Het college heeft een verweerschrift ingediend.


Namens appellant zijn nadere stukken ingediend.


Het college heeft een reactie ingezonden.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 april 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Ingen. Het college is - zonder bericht - niet verschenen.



OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant heeft op 12 juli 2011 een aanvraag voor huishoudelijke hulp ingediend.


1.2.

Het college heeft sociaal-medisch advies ingewonnen bij de arts P.J. Beks, verbonden aan

Trompetter en Van Eeden, (hierna: T&VE-rapport). Deze heeft op basis van dossieronderzoek, informatie van de huisarts en spreekuurbezoek, geconcludeerd dat appellant ten gevolge van een tweetal trauma’s blijvend beperkingen heeft bij het lopen en staan en bij het bukken en buigen. Er is sprake van ernstig krachtverlies, veel pijnklachten en verminderde belastbaarheid. De partner van appellant, [naam partner], is bekend met chronische pijnklachten in het houdings- en bewegingsapparaat en verder met langdurige pols- en handklachten. Voor haar geldt dat zware rugbelastende activiteiten beperkt moeten blijven, bijvoorbeeld langdurig voorover gebogen staan en het plotseling/snel optillen van zware voorwerpen. Verder is de belastbaarheid van haar polsen verminderd. Het wringen en maken van draaiende bewegingen met weerstand doet de klachten verergeren. Het schoonmaken van het toilet probeert [naam partner] staande te doen, maar zij ondervindt beperkingen bij het kracht zetten. Het schoonmaken van de natte cel lukt haar gedeeltelijk. Het drogen en reinigen gaat wel, maar het met kracht schoonmaken of schrobben leidt tot een toename van haar polsklachten. Wat voor haar verder problemen oplevert, is het ramen lappen. Met gebruik van algemeen gebruikelijke hulpmiddelen moet dat echter gedeeltelijk opgelost kunnen worden. Stofzuigen lukt haar alleen gedoseerd en niet te lang aaneengesloten. Geadviseerd wordt om een deel van de zware huishoudelijke taken te compenseren. Gedacht wordt aan 90 minuten per week.


1.3.

Het college heeft appellant bij besluit van 25 januari 2012 op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 90 minuten hulp bij het huishouden toegekend voor de periode van 25 januari 2012 tot en met 24 januari 2014.


1.4.

Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Aangevoerd is dat 90 minuten niet toereikend is en dat ten minste 180 minuten per week noodzakelijk is. Dat komt overeen met de norm voor een meerpersoonshuishouden in een grote woning. [naam partner] heeft ook beperkingen en kan het huishoudelijke werk ook niet overnemen, omdat zij voltijds buitenshuis werkzaam is. Het spreiden van het huishoudelijke werk is geen optie, omdat het te zwaar is voor haar.


2. Het college heeft het bezwaar, voor zover nu nog van belang, bij beslissing op bezwaar van 24 juli 2012 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Het bestreden besluit berust op het standpunt dat van [naam partner] overname van een gedeelte van het zware huishoudelijke werk mag worden verlangd. Bij appellant zijn geen beperkingen van de hand- en armfunctie geconstateerd. Bij het ramen lappen kunnen algemeen gebruikelijke hulpmiddelen de problemen oplossen. Stofzuigen kan gedoseerd en niet te lang aaneengesloten worden gedaan. Het resterende zware huishoudelijke werk kunnen appellant en [naam partner] zelf in

90 minuten doen. Dat [naam partner] buitenshuis werkt doet voor de beoordeling niet ter zake.


3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe overwogen dat zij de beroepsgrond dat het

T&VE-rapport ondeugdelijk is en dat het college het bestreden besluit daarop niet kan baseren, verwerpt. De arts Beks heeft in een nader advies van 12 november 2012 verklaard dat [naam partner] de helft van het zware huishoudelijke werk moet kunnen doen. Appellant heeft geen contra-expertise ingebracht waaruit blijkt dat de advisering door Beks ondeugdelijk is.


3.1.

Appellant heeft in hoger beroep een op 25 november 2013 gedateerde contra-expertise door de arts H. van den Heuvel en de consultant/indicatiespecialist M. Baas, beiden verbonden aan Welpart B.V., uitgebracht (hierna: Welpart-rapport). Hun rapport berust op kennisneming van het dossier, de van toepassing zijnde wet- en regelgeving, dossieronderzoek, huisonderzoek, anamnese, observatie en gericht medisch onderzoek. De conclusie van dit rapport is dat bij [naam partner], gerekend naar de situatie in januari 2012, vanwege een combinatie van spier/gewrichtsklachten en een neurologische aandoening van de handen sprake is van een verminderde spierkracht in beide handen. Deze klachten zijn langdurig en consistent aanwezig en [naam partner] heeft er behandeling voor ondergaan. Zij wordt niet in staat geacht om handelingen te verrichten waarbij kracht met de handen uitgeoefend dient te worden (zoals schrobben/wringen, stofzuigen en dweilen). Gezien de beperkte knijpkracht is zij niet in staat met de handen een gewicht van meer dan 1 kilo te tillen en dragen. Tijdens het huisbezoek op 5 september 2013 is het gebruik van hulpmiddelen onderzocht. Daarbij is vastgesteld dat het gebruik van miniwringers voor het wringen van natte doeken niet mogelijk is door de beperkte beperkte buig- en draaifunctie van de polsen en handen. Een voor de helft met water gevulde emmer kon niet worden getild. Bij de elektrische handwringer lukt het niet om de doek tussen de rollen te krijgen. Deze wringer is bovendien zodanig groot en zwaar dat deze niet adequaat op het keukenaanrecht kan worden geplaatst. Het gebruik van een swiffer kan het stofzuigen niet vervangen. Het met een aan een stok bevestigde spons/zeem reinigen van vloer en ramen gaat niet, omdat de stok stevig vastgegrepen moet worden en kracht moet worden uitgeoefend. Voor [naam partner] is dat niet mogelijk door de beperkte knijpkracht in haar handen. Deze beperkingen brengen ook mee dat zij niet in staat moet worden geacht om te stofzuigen. Ook daarvoor moet worden getild en moet met de handen en polsen kracht worden uitgeoefend en gedraaid. Op basis van de gemeentelijke beleidsregels wordt toekenning van 180 minuten zwaar huishoudelijk werk per week geadviseerd.


3.2.

Het college heeft zich achter de aangevallen uitspraak gesteld. Aangevoerd is dat de beperkingen van[naam partner] waarvan het Welpart-rapport uitgaat dezelfde zijn als die van het T&VE-rapport. In het T&VE-rapport is echter meegewogen dat appellant en [naam partner] samen, of ieder voor een deel, de werkzaamheden gefaseerd en zo nodig met gebruik van hulpmiddelen zelf kunnen uitvoeren.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. Hij stelt daarbij voorop dat de voor de beoordeling van belang zijnde periode in deze zaak loopt van 12 juli 2011 tot 24 juli 2012. Voor de van toepassing zijnde wet- en regelgeving wordt naar de aangevallen uitspraak verwezen.


4.1.

Tussen partijen is in geschil of appellant en [naam partner], samen, of ieder voor een deel, in staat zijn om een deel van het zware huishoudelijke werk, gedoseerd en gefaseerd over de week, zelf uit te voeren.


4.2.

De Raad stelt vast dat het indicatierapport van 25 januari 2012, p. 7, welk rapport gebaseerd is op het T&VE-rapport, inhoudt dat appellant ten gevolge van zijn beperkingen niet in staat is om het zware huishoudelijke werk uit te voeren en dat [naam partner] daartoe, namelijk voor zover het betreft het de zware taken die gepaard gaan met zware rugbelasting, wringen en wrijven, gedeeltelijk niet in staat is. De Raad stelt verder vast dat het

T&VE-rapport niet vermeldt dat appellant een gedeelte van het zware huishoudelijke voor zijn rekening zou kunnen nemen. Dit rapport somt de taken op die [naam partner] nog zou kunnen doen, maar zwijgt, evenals het aanvullende advies van 2 november 2012 van de arts Beks, over de zware huishoudelijke werkzaamheden die appellant nog zou kunnen doen. De Raad voegt daaraan nog toe dat het Welpart-rapport vermeldt dat appellant als gevolg van blijvende lichamelijke beperkingen niet in staat is om de zware huishoudelijke taken over te nemen. Deze vaststellingen leiden de Raad tot de conclusie dat appellant ten tijde in geding niet in staat was om zelf een deel van het zware huishoudelijke werk voor zijn rekening te nemen.


4.3.

De Raad stelt vast dat ter zake van de medische beperkingen van [naam partner] het T&VE-rapport en het Welpart-rapport grotendeels gelijkluidend zijn. De rapporten verschillen van inzicht over de daaraan te verbinden gevolgen voor het kunnen uitvoeren van de zware taken. Het T&VE-rapport vermeldt dat [naam partner] nog gedeeltelijk het toilet en de natte cel zou kunnen schoonmaken en dat zij met gebruikelijke hulpmiddelen gedeeltelijk in staat zou zijn om de ramen te wassen. Het Welpart-rapport wijkt hiervan af door dit in het geheel niet mogelijk te achten.


4.4.

De Raad kent in dit geval doorslaggevende betekenis toe aan het Welpart-rapport. Hij heeft daarbij meegewogen dat dit rapport door een team, bestaande uit een arts en een indicatiespecialist, is opgesteld, dat de medisch relevante beperkingen daarin meer gedetailleerd zijn vastgesteld dan in het T&VE-rapport en dat de gevolgen daarvan voor het kunnen verrichten van zwaar huishoudelijk werk verder zijn uitgediept dan in dat rapport. Dit geldt in het bijzonder voor het gegeven dat [naam partner] beperkte knijpkracht heeft waardoor zij niet kan wringen, schrobben en stofzuigen en zij gewichten zwaarder dan 1 kilo niet kan tillen en dragen en de bevinding dat het gebruik van hulpmiddelen, na te zijn uitgeprobeerd, niet mogelijk is gebleken. Voorts heeft de Raad daarbij meegewogen dat het college de grondiger onderbouwde bevindingen en conclusies van het Welpart-rapport niet heeft weerlegd met een contra-expertise, maar in zijn reactie daarop heeft volstaan met een verwijzing naar het T&VE-rapport.


4.5.

Uit het vorenstaande volgt dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat op de standaardnorm van 180 minuten voor het zware huishoudelijke werk een korting van 50% moet worden toegepast op de grond dat appellant en [naam partner] ten tijde in geding samen in staat waren om de helft van het huishoudelijke werk te doen. Dit betekent dat het hoger beroep slaagt. Het beroep is gegrond en de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit dienen te worden vernietigd. De Raad zal zelf in de zaak voorzien door te beslissen dat appellant voor de periode van 25 januari 2012 tot en met 24 januari 2014 recht heeft op 180 minuten huishoudelijke hulp per week.


5. De Raad ziet aanleiding het college te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden voor rechtsbijstand begroot op € 980,- in beroep en op € 980,- in hoger beroep. Zij worden voor het Welpart-rapport begroot op € 2.403,11 en voor reiskosten in hoger beroep op € 35,35.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


  • - vernietigt de aangevallen uitspraak;
  • - verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 24 juli 2012;
  • - herroept het primaire besluit van 25 januari 2012, beslist dat aan appellant voor de periode van 25 januari 2012 tot en met 24 januari 2014 hulp bij het huishouden wordt toegekend voor 180 minuten per week en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 24 juli 2012;
  • - veroordeelt het college in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep tot een bedrag van in totaal € 4398,46;
  • - bepaalt dat het college aan appellant het betaalde griffierecht in beroep en in hoger beroep van in totaal € 160,- vergoedt.


Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en J. Brand en M.F. Wagner als leden, in tegenwoordigheid van I. Mehagnoul als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2015.



(getekend) R.M. van Male




(getekend) I. Mehagnoul





MK