Centrale Raad van Beroep, 13-05-2015 / 13-6447 AOW


ECLI:NL:CRVB:2015:1598

Inhoudsindicatie
Toekenning AOW-pensioen en een partnertoeslag, ten bedrage van € 3,94 bruto over de maand maart 2013 en van € 10,19 bruto per maand met ingang van april 2013. De WAO-uitkering is terecht op grond van de bepalingen van de AOW en het Inkomensbesluit volledig in mindering gebracht op de partnertoeslag. geen sprake van discriminatie op grond van handicap of chronische ziekte doordat de WAO-uitkering – in tegenstelling tot inkomen uit arbeid – volledig in mindering wordt gebracht op de partnertoeslag. De rechtvaardiging voor het hier aan de orde zijnde onderscheid ligt in het motief van de wetgever om deelname aan het arbeidsproces (van de jongere partner van de AOW-gerechtigde) niet te ontmoedigen. Geen gronden voor het oordeel dat de toeslagregeling in de AOW de toetsing aan artikel 26 van het IVBPR (of enig ander discriminatieverbod waaraan de rechter vermag te toetsen) niet kan doorstaan. In de totstandkoming in 2003 van de Wgbh/cz is geen aanleiding gelegen daarover nu anders te oordelen. Voor zover het (gezins)inkomen onder het sociaal minimum ligt, komt dat niet voort uit de korting van de WAO-uitkering van de echtgenote op de toeslag, maar doordat op het AOW-pensioen en de toeslag een korting wordt toegepast in verband met niet-verzekerde jaren.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-05-13
Publicatiedatum
2015-05-27
Zaaknummer
13-6447 AOW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
Uitspraak

13/6447 AOW

Datum uitspraak: 13 mei 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

19 november 2013, 13/1370 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats], Duitsland (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 februari 2015. Appellant is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Sturmans.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellant is geboren [in] 1948. Zijn echtgenote (echtgenote) is geboren [in]

1953. Zij ontvangt van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Appellant heeft op 19 september 2012 een pensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) aangevraagd. Bij besluit van 29 oktober 2012 heeft de Svb met ingang van 20 maart 2013 een AOW-pensioen toegekend en een partnertoeslag. De toeslag is vastgesteld op € 3,94 bruto over de maand maart 2013 en op € 10,19 bruto per maand met ingang van april 2013.


1.2.

Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij beslissing op bezwaar van 12 maart 2013 (bestreden besluit) gegrond verklaard voor zover het bezwaar ziet op maart 2013 en is voor het overige ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat de WAO-uitkering terecht volledig in mindering is gebracht op de partnertoeslag. Overwogen is dat een WAO-uitkering op grond van art. 2:4, eerste lid, aanhef en onder b, van het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten (Inkomensbesluit) moet worden aangemerkt als overig inkomen en dat de Svb niet van de AOW of het Inkomensbesluit kan afwijken. De rechtbank heeft overwogen dat de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte (Wgbh/cz) geen bepalingen bevat op grond waarvan de WAO-uitkering als inkomen uit arbeid zou moeten worden aangemerkt. Volgens de rechtbank is het verschil in behandeling tussen (personen met) inkomen uit arbeid en (personen met) overig inkomen legitiem. De rechtbank heeft daarbij verwezen naar de uitspraak van de Raad van 2 mei 2001, ECLI:NL:CRVB:2001:AB1783.


3.1.

Appellant heeft het standpunt ingenomen dat de WAO-uitkering als inkomen uit arbeid en niet als overig inkomen moet worden aangemerkt. Volgens appellant zijn in de aangevallen uitspraak geen duidelijke bepalingen genoemd over de definitie van inkomen uit arbeid en is daarin ten onrechte verwezen naar de uitspraak van 2 mei 2001, omdat deze uitspraak dateert van voor de Wgbh/cz. Appellant stelt dat zijn inkomen door de vermindering van de partnertoeslag onder het minimum ligt. Appellant heeft 30 jaar in Nederland gewerkt. Door de chronische ziekte van de echtgenote wordt het opgebouwde AOW-pensioen gekort. De WAO-uitkering van een chronisch zieke moet worden aangemerkt als inkomen uit arbeid.


3.2.

De Svb heeft zich op het standpunt gesteld dat de uitkering terecht volledig in mindering is gebracht op de partnertoeslag en dat het verschil in behandeling tussen inkomen uit arbeid en overig inkomen legitiem is.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Het oordeel van de rechtbank dat de WAO-uitkering op grond van de bepalingen van de AOW en het Inkomensbesluit terecht volledig in mindering is gebracht op de partnertoeslag is juist.


4.2.

De stelling van appellant dat het besluit in strijd is met de Wgbh/cz of de Algemene wet gelijke behandeling (Awgb) wordt verworpen. De Wgbh/cz is niet van toepassing op de vaststelling van socialezekerheidsuitkeringen. De Awgb heeft geen betrekking op onderscheid op grond van handicap of chronische ziekte.


4.3.

Voor zover appellant heeft beoogd te stellen dat sprake is van discriminatie op grond van handicap of chronische ziekte doordat de WAO-uitkering – in tegenstelling tot inkomen uit arbeid – volledig in mindering wordt gebracht op de partnertoeslag, wordt het volgende overwogen.


4.4.

Op grond van bepalingen van internationaal recht toetst de rechter aan het discriminatieverbod, zoals opgenomen in artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) en artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Deze bepalingen verbieden discriminatie op welke grond ook, zoals ras, huidskleur, geslacht, taal, godsdienst, politieke of andere overtuiging, nationale of maatschappelijke afkomst, eigendom, geboorte of andere status. Bovendien kunnen lagere regelingen als het Inkomensbesluit worden getoetst aan artikel 1 van de Grondwet. In laatstgenoemd artikel is neergelegd dat allen die zich in Nederland bevinden, in gelijke gevallen gelijk worden behandeld en dat discriminatie op welke grond dan ook, niet is toegestaan.


4.5.

In zijn onder 2 genoemde uitspraak van 2 mei 2001 heeft de Raad overwogen dat de rechtvaardiging voor het hier aan de orde zijnde onderscheid ligt in het motief van de wetgever om deelname aan het arbeidsproces (van de jongere partner van de AOW-gerechtigde) niet te ontmoedigen. De Raad heeft in die uitspraak geen gronden gezien voor het oordeel dat de toeslagregeling in de AOW de toetsing aan artikel 26 van het IVBPR (of enig ander discriminatieverbod waaraan de rechter vermag te toetsen) niet kan doorstaan. In de totstandkoming in 2003 van de Wgbh/cz is geen aanleiding gelegen daarover nu anders te oordelen.


4.6.

Ter ondersteuning van dit oordeel kan ook worden verwezen naar de uitspraak van de Raad van 24 januari 2001, ECLI:NL:CRVB:2001:AE9324. In die uitspraak is erop gewezen dat de wetgever bij de totstandkoming van het (voor het hier gemaakte onderscheid vergelijkbare) vrijlatingsregime in de Algemene nabestaandenwet (ANW) niet als doel voor ogen heeft gehad deelname aan het arbeidsproces te stimuleren, wat in geval van arbeidsongeschiktheid vaak niet meer te realiseren is, maar wel om - met het oog op de toepassing van het behoeftebeginsel - degenen die arbeid verrichten, niet te zeer te ontmoedigen.


4.7.

De aldus in het kader van de toetsing van de ANW omschreven doelstelling als rechtvaardiging voor het onderscheid tussen inkomen uit arbeid en de WAO-uitkering als overig inkomen is voor de toeslagregeling in de AOW te meer aanvaardbaar, nu deze regeling meer dan de nabestaandenuitkering op grond van de ANW is gericht op het verschaffen van een sociaal minimum. Ook in dit verband wordt verwezen naar de uitspraak van de Raad van 2 mei 2001.


4.8.

Appellant heeft gesteld dat zijn (gezins)inkomen onder het sociaal minimum ligt. Voor zover dat het geval is, komt dat niet voort uit de korting van de WAO-uitkering van de echtgenote op de toeslag, maar doordat op het AOW-pensioen en de toeslag een korting wordt toegepast in verband met niet-verzekerde jaren.


4.9.

Uit de overwegingen onder 4.1 tot en met 4.8 volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en H.J. Simon en

E.E.V. Lenos als leden, in tegenwoordigheid van P. Uijtdewillegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2015.




(getekend) M.M. van der Kade




(getekend) P. Uijtdewillegen




JL