Centrale Raad van Beroep, 20-05-2015 / 13-6778 WIA


ECLI:NL:CRVB:2015:1599

Inhoudsindicatie
Weigering IVA-uitkering. Geen sprake van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-05-20
Publicatiedatum
2015-05-27
Zaaknummer
13-6778 WIA
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/6778 WIA

Datum uitspraak: 20 mei 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

7 november 2013, 13/780 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S.T. Dieters, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere medische gegevens in het geding gebracht.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 februari 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. E.J. Luursema. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. D. de Jong.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellant, laatstelijk werkzaam als complexbeveiliger, is op 4 februari 2011 uitgevallen met psychische klachten. Bij besluit van 14 december 2012 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant met ingang van 1 februari 2013 op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) recht is ontstaan op een loongerelateerde uitkering in verband met werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA). Het Uwv heeft appellant daarbij aangemerkt als 100% arbeidsongeschikt en heeft een meer dan geringe kans op herstel aanwezig geacht.


1.2.

Tegen dat besluit heeft appellant bezwaar gemaakt, omdat hij van mening is dat hij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is en hij daarom recht heeft op een uitkering ingevolge de Inkomensverzekering voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten (IVA). Bij besluit van 13 juni 2013 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Dit besluit berust op een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv van 12 juni 2013.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


2.1.

De rechtbank heeft zich kunnen verenigen met het door het Uwv ingenomen standpunt dat er geen sprake is van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid en heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


2.2.

De rechtbank heeft overwogen dat appellant geen medische stukken heeft overgelegd die afbreuk doen aan de opvatting van de verzekeringsartsen dat de arbeidsongeschiktheid van appellant ten tijde van de datum in geding niet als duurzaam aangemerkt kon worden. Uit de stukken blijkt dat sprake is geweest van behandelingsmogelijkheden die door appellant onbenut zijn gebleven. Het Uwv heeft dit aan appellant kunnen tegenwerpen. Van appellant kan gevergd worden zich te onderwerpen aan de beschikbare behandelmogelijkheden. Voorts blijkt naar het oordeel van de rechtbank uit het feit dat appellant inmiddels weer onder behandeling is en niet langer behandelcontacten afzegt niet dat de verwachting van de verzekeringsartsen dat de medische situatie van appellant door behandeling kan verbeteren, onjuist is. Het feit dat appellant door zijn huisarts opnieuw is verwezen ontkracht niet de opvatting dat behandeling mogelijk is. Tot slot heeft de rechtbank geoordeeld dat niet is gebleken dat het onderzoek en de rapporten niet stroken met het beoordelingskader ‘Beoordeling van de duurzaamheid van arbeidsbeperkingen, beoordelingskader voor verzekeringsartsen’. Dat zij het beoordelingskader niet expliciet noemen, betekent niet dat zij afwijkend van het kader hebben gehandeld.


3. In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt gehandhaafd dat hij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is en hij recht heeft op een IVA-uitkering. Hij kampt al sinds 2007 met psychische problematiek en tot op heden heeft er nog geen verbetering plaatsgevonden. Het Uwv heeft dan ook niet deugdelijk en concreet gemotiveerd dat sprake is van een meer dan geringe kans op herstel. Volgens appellant heeft de beoordeling van het Uwv niet plaatsgevonden conform het beoordelingskader dat het Uwv hanteert bij het onderzoek naar de duurzaamheid van een volledige arbeidsongeschiktheid. Ter onderbouwing van zijn stelling heeft appellant gewezen op de verklaringen van zijn huisarts van 29 mei 2013,

PsQ van 14 mei 2013, GGZ Drenthe van 10 december 2013 en klinisch psycholoog Knook van 26 augustus 2014.


4. De Raad overweegt het volgende.


4.1.

De Raad stelt vast dat het geschil tussen partijen alleen de vraag betreft of de volledige arbeidsongeschiktheid van appellant met ingang van 1 februari 2013 moet worden geacht tevens duurzaam te zijn in de zin van artikel 4 van de Wet WIA, zodat hij ingevolge artikel 47 van de Wet WIA recht heeft op een IVA-uitkering in plaats van de nu toegekende

WGA-uitkering.


4.2.

Volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is volgens artikel 4, eerste lid, van de Wet WIA, hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek en zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Ingevolge het tweede lid wordt onder duurzaam verstaan een medisch stabiele of verslechterende situatie. Volgens het derde lid wordt onder duurzaam mede verstaan een medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat.


4.3.

De Raad heeft in zijn uitspraak van 4 februari 2009 (ECLI:NL:CRVB:BH1896) geoordeeld dat blijkens de wetsgeschiedenis de verzekeringsarts zich een oordeel dient te vormen over de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 4 van de Wet WIA, waarbij hij een inschatting dient te maken van de herstelkansen, in de zin van een verbetering van de functionele mogelijkheden van de betrokken verzekerde. Bij de vraag of sprake is van duurzaamheid gaat het om een inschatting van de toekomstige ontwikkelingen van de arbeidsbeperkingen. Dit brengt mee dat de inschatting van de verzekeringsarts van de kans op herstel in het eerste jaar en daarna dient te berusten op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij de betreffende individuele verzekerde aan de orde zijn. In het geval de inschatting van de kans op herstel berust op een (ingezette) medische behandeling, is een onderbouwing vereist die ziet op het mogelijke resultaat daarvan voor de individuele verzekerde.


4.4.

Het oordeel van de rechtbank, dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat voor appellant op de datum in geding (1 februari 2013) geen volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel 4 van de Wet WIA kan worden aangenomen, is juist. De motivering die de rechtbank voor dit oordeel heeft gegeven wordt onderschreven.

4.5.

De Raad voegt hier nog aan toe dat de verzekeringsarts in zijn rapport van 13 december 2012 te kennen heeft gegeven dat appellant op de datum in geding weliswaar geen benutbare mogelijkheden had, maar dat aanvullende therapie mogelijk wel tot verbetering kan leiden. Dit standpunt vindt steun in de brief van de appellant destijds behandelende psychotherapeut Knook van 5 juni 2012 die appellant voor specialistische dagbehandeling heeft verwezen naar de Evenaar in Beilen (GGZ Drenthe). Deze behandeling is echter niet van de grond gekomen wegens problemen met de reiskosten. Uit een e-mailwisseling tussen de verzekeringsarts en verzekeringsarts bezwaar en beroep van 9 april 2013 blijkt dat op dat moment nog naar een oplossing voor dit probleem werd gezocht en dat van deze behandeling binnen een jaar verbetering is te verwachten. In zijn brief van 14 mei 2013 naar aanleiding van een verzoek van de verzekeringsarts bezwaar en beroep om nadere informatie heeft Knook evenmin uitgesloten dat er voor appellant nog behandelmogelijkheden voorhanden waren. Uit de verklaringen van Knook is niet af te leiden dat appellant om medische redenen niet in staat was zich onder behandeling te stellen. Dat aldus een situatie is ontstaan waarbij de inschatting van de kans op herstel niet nader onderbouwd kan worden met gegevens verkregen op grond van een (ingezette) medische behandeling berust, kan niet aan het Uwv worden tegengeworpen. De door appellant in hoger beroep overgelegde verklaringen leiden niet tot een ander oordeel.


4.6.

Gelet op hetgeen in 4.1 tot en met 4.5 is overwogen slaagt het hoger beroep niet en moet de aangevallen uitspraak worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door R.E. Bakker als voorzitter en G. Van Zeben-de Vries en

P.H. Banda als leden, in tegenwoordigheid van M. Crum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2015.



(getekend) R.E. Bakker




(getekend) M. Crum



HD