Centrale Raad van Beroep, 01-05-2015 / 13-1645 WIA


ECLI:NL:CRVB:2015:1606

Inhoudsindicatie
In geschil is uitsluitend de vraag of werknemer in de periode van 1 april 2010 tot 7 januari 2011 in staat is geweest het eigen werk in dienst van appellante in volle omvang te verrichten en of in verband daarmee de wachttijd van 104 weken is doorgemaakt op 25 augustus 2011. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat de wachttijd niet is volgemaakt.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-05-01
Publicatiedatum
2015-05-27
Zaaknummer
13-1645 WIA
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/1645 WIA

Datum uitspraak: 1 mei 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

14 februari 2013, 12/2485 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante B.V.], gevestigd te [vestigingsplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. X. Evers hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 maart 2015. Namens appellante is verschenen mr. Evers. Als medegemachtigde was aanwezig ing. [naam W.],

oud-directeur van appellante. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

E.C. van der Meer.

OVERWEGINGEN


1.1.

[naam werknemer] (werknemer), senior constructiebankwerker in dienst van appellante, is op 27 augustus 2009 uitgevallen wegens fysieke klachten. Bij besluit van 15 juli 2011 heeft het Uwv vastgesteld dat voor werknemer met ingang van 25 augustus 2011 op grond van artikel 54 van de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) recht is ontstaan op een WGA-uitkering. Het bezwaar van werknemer tegen dit besluit is bij besluit van

31 januari 2012 (bestreden besluit 1), onder herroeping van het besluit van 15 juli 2011, gegrond verklaard. Daartoe heeft het Uwv overwogen dat werknemer de wachttijd van

104 weken niet volledig heeft doorlopen.


1.2.

Hangende het tegen het bestreden besluit 1 door appellante ingestelde beroep heeft het Uwv dat besluit ingetrokken. Bij besluit van 6 juli 2012 (bestreden besluit 2) heeft het Uwv het bezwaar van werknemer opnieuw gegrond verklaard, onder de overweging dat werknemer op 25 augustus 2011 nog niet de wachttijd van 104 weken heeft doorgemaakt.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover van belang, het beroep van appellante tegen bestreden besluit 1 niet-ontvankelijk en het beroep van appellante tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft vastgesteld dat tussen partijen in geschil is de vraag of werknemer zijn eigen werk volledig heeft verricht in de periode van

1 april 2010 tot 7 januari 2011. De rechtbank heeft de medische en arbeidskundige grondslag van bestreden besluit 2 onderschreven. Daarbij heeft de rechtbank van belang geacht dat uit de informatie van de bedrijfsarts van appellante naar voren komt dat werknemer in de maanden maart, mei en oktober 2010 100% heeft gewerkt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft appellante niet onderbouwd dat werknemer minder productie zou hebben geleverd. Ook is ter zitting vastgesteld dat de omstandigheid dat werknemer zijn taak als leermeester niet heeft verricht, een organisatorische achtergrond had en niet te wijten was aan diens medische beletselen. Ten slotte heeft de rechtbank overwogen dat het op verzoek van appellante opgestelde rapport van arbeidsdeskundige T. Ineke van 31 maart 2011 betrekking heeft op de situatie van werknemer na de nieuwe ziekmelding per 7 januari 2011, zodat wat in dat rapport is opgenomen over de toename van de beperkingen van werknemer, niet relevant is voor hier in geding zijnde periode.


3. Het hoger beroep is slechts gericht tegen de ongegrondverklaring van het beroep tegen bestreden besluit 2. Appellante heeft in hoger beroep haar standpunt gehandhaafd dat werknemer in de periode van 1 april 2010 tot 7 januari 2011 zijn eigen werkzaamheden nimmer volledig heeft verricht. Appellante heeft er ook op gewezen dat het Uwv werknemer met ingang van 8 januari 2013 een WGA-uitkering heeft toegekend.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Ook in hoger beroep is in geschil uitsluitend de vraag of werknemer in de periode van

1 april 2010 tot 7 januari 2011 in staat is geweest het eigen werk in dienst van appellante in volle omvang te verrichten en of in verband daarmee de wachttijd van 104 weken is doorgemaakt op 25 augustus 2011. Beantwoording van de vraag of de wachttijd is doorgemaakt, vereist een zelfstandige beoordeling op basis van alle beschikbare gegevens van medische en andere aard.


4.2.

Evenals de rechtbank komt de Raad tot een bevestigende beantwoording van deze vraag. De Raad onderschrijft in grote lijnen de overwegingen die de rechtbank aan haar uitspraak ten grondslag heeft gelegd. Naar aanleiding van het beroepschrift en het onderzoek ter zitting voegt de Raad daaraan het volgende toe.


4.3.

Bestreden besluit 2 berust op een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 16 april 2012 en een rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 27 juni 2012.


4.3.1.

In haar rapport van 16 april 2012 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep, onder verwijzing naar haar rapport van 26 januari 2012, te kennen gegeven dat de aanvankelijk bij de bedrijfsarts bestaande twijfel over de duurzaamheid van de arbeidsgeschiktheid van werknemer, gelet op zijn lange voorgeschiedenis met rugklachten alleszins begrijpelijk was. Zij heeft echter overtuigend gemotiveerd dat niet langer grond voor deze twijfel bestaat als werknemer na verloop van - in dit geval - negen maanden heeft aangetoond zijn volledige arbeidsprestatie geleverd te hebben. Werknemer is dan kennelijk in die periode niet sterk beperkt geweest. De Raad heeft geen aanknopingspunten gevonden om te twijfelen aan de juistheid van deze naar behoren onderbouwde en na zorgvuldig onderzoek tot stand gekomen visie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.


4.3.2.

Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep uitvoerig onderzoek verricht teneinde de vraag te kunnen beantwoorden of werknemer in de periode van 1 april 2010 tot

7 januari 2011 zijn eigen werk in volle omvang heeft kunnen verrichten. In het kader van haar onderzoek heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep dossierstudie verricht en heeft zij gesproken met de werkgever van werknemer en met werknemer zelf. Vervolgens heeft zij overleg gevoerd met de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Na weging van alle aldus beschikbaar gekomen gegevens is de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in haar rapport van 27 juni 2012 tot de conclusie gekomen dat wat betreft de ziekmelding van

27 augustus 2009 de wachttijd van 104 weken niet is volgemaakt. Daarbij heeft zij aansluiting gezocht bij de medische oordelen van de bedrijfsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De bedrijfsarts heeft te kennen gegeven dat werknemer van maart/april 2010 tot

7 januari 2011 100% gewerkt heeft. Uit niets is gebleken dat werknemer in zijn werk niet volledig zou kunnen functioneren, zoals ook de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft te kennen gegeven. Als werknemer in feite niet volledig heeft gefunctioneerd zou hebben dan wel niet de volle productie zou hebben geleverd, wat werknemer overigens bestrijdt, is dat niet om medische redenen geweest. Naar het oordeel van de Raad is dit onderzoek van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep zorgvuldig verricht en is de conclusie naar behoren onderbouwd.


4.4.

Naar aanleiding van de opmerking van de medegemachtigde van appellante ter zitting van de Raad dat hij de zinsnede in het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep dat de bedrijfsarts appellante heeft geadviseerd om tactische redenen werknemer niet voor 100%, maar voor 95% hersteld te melden, zodat de wachttijd van 104 weken zou worden doorlopen, als grievend heeft ervaren, merkt de Raad nog op dat uit de gedingstukken naar voren komt dat appellante als werkgever zich zeer veel inspanningen heeft getroost om vanwege zijn vakmanschap zeer gewaardeerde werknemer voor de onderneming te behouden. Dit laat echter onverlet dat er niet aan kan worden voorbijgegaan dat in dit geding slechts aan de orde kan zijn de vraag of de Raad het oordeel van de rechtbank, dat op 25 augustus 2011 de wachttijd van 104 weken niet is volgemaakt, kan onderschrijven.


4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat dit het geval is, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.



Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en J.P.M. Zeijen en R.E. Bakker als leden, in tegenwoordigheid van J.R. van Ravenstein als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2015.




(getekend) J.W. Schuttel




(getekend) J.R. van Ravenstein





MK