Centrale Raad van Beroep, 26-05-2015 / 14-3338 WWB-T


ECLI:NL:CRVB:2015:1607

Inhoudsindicatie
Tussenuitspraak. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het territorialiteitsbeginsel geen beletsel vormt om aan te nemen dat de kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden van betrokkene. Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd. Dit betekent tevens dat het nader besluit, waaraan appellant opnieuw op grond van het territorialiteitsbeginsel de afwijzing van de gevraagde bijzondere bijstand heeft gehandhaafd, niet in stand kan blijven. Aansluitend moet worden bezien welk vervolg aan deze uitkomst wordt gegeven. Rechtsgevolgen van het nader besluit kunnen niet in stand worden gelaten en kan de Raad evenmin zelf in de zaak voorzien, omdat appellant zich nog nader dient te beraden of aan betrokkene voor de betreffende kosten bijzondere bijstand kan worden verleend en, zo ja, of die bijstand, geheel of gedeeltelijk, in de vorm van een lening of om niet wordt verstrekt. De Raad draagt appellant op het gebrek te herstellen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-05-26
Publicatiedatum
2015-05-28
Zaaknummer
14-3338 WWB-T
Procedure
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
Uitspraak

14/3338 WWB-T, 14/4149 WWB-T

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 8 mei 2014, 13/1152 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het college van burgemeester en wethouders van Alkmaar (appellant)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 maart 2015. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Blom. Betrokkene is verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Betrokkene woont sinds 1997 in Nederland. Hij woonde sindsdien in bij een vriendin. In 2006 heeft betrokkene zich ingeschreven als woningzoekende. Begin 2013 heeft betrokkene een woning geaccepteerd om zijn echtgenote en vier kinderen, die in Libanon wonen, naar Nederland te laten overkomen. Betrokkene heeft in februari 2013 bij appellant een aanvraag om bijzondere bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) ingediend voor de kosten van de eerste huur, stoffering en inrichting van zijn woning. Vanaf 27 februari 2013 ontvangt hij algemene bijstand, destijds naar de norm voor een alleenstaande.


1.2.

Bij besluit van 25 maart 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 28 mei 2013 (bestreden besluit), heeft appellant op deze aanvraag van betrokkene om bijzondere bijstand afwijzend beslist. Aan het bestreden besluit ligt, samengevat, ten grondslag dat de kosten weliswaar noodzakelijk zijn, maar dat er geen bijzondere omstandigheden zijn om af te wijken van de regel dat betrokkene voor deze kosten dient te reserveren. Appellant is van mening dat betrokkene voldoende tijd heeft gehad om voor deze kosten te sparen of daarvoor een lening had kunnen afsluiten. Dat betrokkene zijn gezin in Libanon onderhoudt en om die reden geen reserveringsruimte heeft, leidt niet tot een bijzondere omstandigheid die rechtvaardigt dat een uitzondering wordt gemaakt op de reserveringseis. Het territorialiteitsbeginsel, dat aan de WWB ten grondslag ligt, sluit immers bijstandsverlening uit ten aanzien van kosten die buiten Nederland zijn opgekomen of die betrekking hebben op kosten die niet aan Nederland zijn verbonden, waartoe de kosten van onderhoud van het gezin in het buitenland worden gerekend. Het argument van betrokkene dat hij veel extra medische kosten voor zijn kind heeft moeten maken, maakt dit niet anders.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank heeft het standpunt van appellant onderschreven dat de verhuizing en de daarmee gemoeide kosten voorzienbaar waren en dat betrokkene voldoende tijd heeft gehad om hiervoor te sparen. In het beroep van betrokkene op zijn beperkte reserveringsruimte als gevolg van schulden behoefde appellant geen bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de WWB te zien. De rechtbank heeft appellant evenwel niet gevolgd in het standpunt dat het territorialiteitsbeginsel in de weg staat aan een positieve beantwoording van de vraag of de door betrokkene gemaakte kosten in verband met de gezondheid en het onderhoud van zijn gezin in Libanon als bijzondere omstandigheid kunnen gelden. Het territorialiteitsbeginsel van artikel 11 van de WWB houdt in dat uitsluitend personen hier te lande aanspraak kunnen maken op bijstand en daarbij moet het ook gaan om kosten die binnen Nederland zijn opgekomen en aan Nederland zijn verbonden. Betrokkene woont in Nederland, terwijl de kosten van woninginrichting binnen Nederland zijn opgekomen en aan Nederland zijn verbonden. Voor een analoge toepassing van dit beginsel in die zin dat met het verstrekken van bijzondere bijstand indirect bijstand wordt verleend voor medische kosten die in Libanon zijn opgekomen, heeft de rechtbank geen steun in het recht gevonden. De rechtbank is tot de conclusie gekomen dat appellant met de enkele verwijzing naar het territorialiteitsbeginsel niet heeft gemotiveerd waarom het feit dat betrokkene voor de kosten van onderhoud van zijn gezin in Libanon en met name ook in de medische kosten voor zijn gezin diende te voorzien, geen bijzondere omstandigheid is die maakt dat toekenning van bijzondere bijstand in dit geval gerechtvaardigd is.


3.1.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 13 mei 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BD1877, heeft appellant aangevoerd dat de motivering van het bestreden besluit met daarin het beroep op het territorialiteitsbeginsel wel voldoende is.


3.2.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft appellant bij besluit van 11 juni 2014 (nader besluit) opnieuw beslist op het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 25 maart 2013. Bij het nader besluit heeft appellant dit bezwaar wederom ongegrond verklaard. In de omstandigheid dat betrokkene niet kan sparen en lenen omdat hij zijn gezin in Libanon moet onderhouden en extra medische kosten heeft voor een van zijn kinderen, heeft appellant opnieuw geen bijzondere omstandigheden gezien om van de reserveringseis af te zien. Dat in Libanon bepaalde voorzieningen anders geregeld zijn, zoals de vergoeding van medische kosten, waardoor een inwoner van dat land meer zelf moet betalen, kan geen reden zijn om bijstand te verlenen omdat anders indirect bijstand voor die kosten in dat land wordt verstrekt. Appellant is van mening dat dit niet de bedoeling is van de WWB. Het ontbreken van bepaalde financiële voorzieningen in het buitenland is geen reden om in Nederland bijzondere bijstand te verstrekken.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Het nader besluit wordt op voet van artikel 6:19, eerste lid, in verbinding met artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bij het geding in hoger beroep betrokken.


4.2.

In artikel 35, eerste lid, van de WWB is bepaald dat, onverminderd paragraaf 2.2, de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij

artikel 31, tweede lid en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn.


4.3.

Het is vaste rechtspraak (uitspraak van 27 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH2282) dat bij de toepassing van artikel 35, eerste lid, van de WWB eerst beoordeeld dient te worden of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zich voordoen, vervolgens of die kosten in het individuele geval van de alleenstaande of het gezin noodzakelijk zijn en daarna of die kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden.


4.4.

Volgens eveneens vaste rechtspraak (uitspraak van 6 juli 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BN0624) worden de kosten van woninginrichting tot de periodiek dan wel incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan gerekend. Deze kosten dienen in beginsel te worden bestreden uit het inkomen, hetzij door middel van reservering vooraf, hetzij door middel van gespreide betaling achteraf. Afzonderlijke bijstandsverlening is niet mogelijk, tenzij de kosten noodzakelijk zijn als gevolg van bijzondere omstandigheden in het individuele geval, die ertoe leiden dat de kosten niet uit de algemene bijstand en de aanwezige draagkracht kunnen worden voldaan.


4.5.

Niet in geschil is dat de kosten van eerste huur, stoffering en inrichting waarvoor betrokkene bijzondere bijstand heeft aangevraagd zich voordoen en dat deze in de situatie van betrokkene noodzakelijk zijn. Het geschil spitst zich toe op de vraag of deze kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden.


4.6.

Betrokkene heeft aangevoerd dat hij destijds niet heeft kunnen reserveren, omdat hij zijn gezin in Libanon heeft moeten onderhouden. Daarnaast heeft hij ten behoeve van zijn oudste zoon aanzienlijke medische kosten gemaakt, waarvoor in Libanon geen vergoeding kon worden verkregen. De echtgenote van betrokkene heeft een nier afgestaan ten behoeve van dit kind. De kosten van deze niertransplantatie, de noodzakelijke medicijnen en de verdere medische behandeling van het kind zijn door betrokkene betaald. Daardoor was hij destijds niet in staat om te reserveren voor voorzienbare kosten zoals hier aan de orde. Bovendien heeft hij daarvoor schulden moeten maken, waardoor hij voor de kosten van inrichting van de woning geen lening heeft kunnen afsluiten.


4.7.

Appellant is van mening dat bij de beantwoording van de vraag of sprake is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan als bedoeld in artikel 35 van de WWB geen rekening kan worden gehouden met de medische kosten die betrokkene ten behoeve van zijn zoon in Libanon heeft moeten maken, omdat het territorialiteitsbeginsel van artikel 11, eerste lid, van de WWB zich daartegen verzet. In de visie van appellant zou met het verlenen van bijzondere bijstand op indirecte wijze bijstand worden verleend voor de kosten die buiten Nederland zijn opgekomen en niet aan Nederland zijn verbonden.


4.8.

Met de rechtbank, en anders dan is overwogen in de door appellant aangehaalde uitspraak van 13 mei 2008, is de Raad van oordeel dat in de WWB geen steun is te vinden voor een dergelijke analoge toepassing van het territorialiteitsbeginsel van artikel 11, eerste lid, van de WWB. Met de gevraagde bijzondere bijstand wordt beoogd te voorzien in de kosten van eerste huur, stoffering en inrichting van de woning van betrokkene in Nederland en niet, direct of indirect, in de medische kosten die betrokkene destijds ten behoeve van zijn zoon in Libanon heeft voldaan. De door betrokkene betaalde medische kosten zijn alleen de reden waarom hij niet heeft kunnen reserveren en geen lening voor de kosten van woninginrichting kan verkrijgen.


4.9.

Uit 4.8 vloeit voort dat de Raad met de rechtbank van oordeel is dat het territorialiteitsbeginsel geen beletsel vormt om aan te nemen dat de kosten hier van belang voortvloeien uit bijzondere omstandigheden van betrokkene. Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd. Dit betekent tevens dat het nader besluit, waaraan appellant, zoals toegelicht ter zitting, opnieuw op grond van het territorialiteitsbeginsel de afwijzing van de gevraagde bijzondere bijstand heeft gehandhaafd, niet in stand kan blijven.


4.10.

Aansluitend moet worden bezien welk vervolg aan deze uitkomst wordt gegeven. In dit geval kunnen de rechtsgevolgen van het nader besluit niet in stand worden gelaten en kan de Raad evenmin zelf in de zaak voorzien, omdat appellant, zoals toegelicht ter zitting, zich nog nader dient te beraden of aan betrokkene voor de betreffende kosten bijzondere bijstand kan worden verleend en, zo ja, of die bijstand, geheel of gedeeltelijk, in de vorm van een lening of om niet wordt verstrekt.


4.11.

De Raad ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:51d van de Awb appellant op te dragen het in 4.7 geconstateerde gebrek te herstellen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt appellant op om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het besluit van 11 juni 2014 te herstellen met inachtneming van wat de Raad heeft overwogen.



Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa als voorzitter en C.H. Rombouts en

M. ter Brugge als leden, in tegenwoordigheid van C.M. Fleuren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2015.




(getekend) J.F. Bandringa




(getekend) C.M. Fleuren




HD