Centrale Raad van Beroep, 26-05-2015 / 14-96 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:1613

Inhoudsindicatie
Verlaging bijstand. Weigering mee te werken aan het onderzoek.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-05-26
Publicatiedatum
2015-05-28
Zaaknummer
14-96 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/96 WWB

Datum uitspraak: 26 mei 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 29 oktober 2013, 13/321 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven (college)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 april 2015. Appellant is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. N.M.H.A. van Hirtum.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand.


1.2.

Bij brief van 27 juni 2012 heeft het college appellant meegedeeld dat voor hem een onderzoek is aangevraagd bij Argonaut Advies om inzicht te verkrijgen in zijn arbeidsperspectief. In de brief staat voorts vermeld dat hij op 12 juli 2012 op de in de brief vermelde plaats en tijd wordt verwacht voor dit onderzoek, dat het onderzoek digitaal (op de computer) zal plaatsvinden en dat er begeleiding aanwezig is die hem kan helpen bij het beantwoorden van de vragen. Appellant is er ook op gewezen dat hij zich moet houden aan zijn verplichtingen en dat hij moet meewerken aan zijn re-integratie. Daarmee voorkomt hij dat een maatregel moet worden opgelegd.


1.3.

Appellant is verschenen op de afspraak van 12 juli 2012, maar heeft geweigerd zijn medewerking te verlenen aan het onderzoek.


1.4.

Bij besluit van 7 september 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van

21 december 2012 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellant over de maand augustus 2012 verlaagd met 40%. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant onvoldoende heeft meegewerkt aan een onderzoek gericht op zijn arbeidsinschakeling.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de ingangsdatum van de aan appellant opgelegde maatregel op 1 oktober 2012 gesteld. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat uit de oproep van 27 juni 2012 duidelijk blijkt dat het een digitaal onderzoek via de computer betrof en er bovendien begeleiding aanwezig zou zijn bij het beantwoorden van de vragen. Van appellant kon worden verlangd dat hij aan het onderzoek zou meewerken. Dit heeft hij niet gedaan, zodat het college op grond van de toepassing zijnde verordening de bijstand van appellant terecht heeft verlaagd met 40% gedurende een maand. De maatregel had echter over de maand oktober 2012 moeten worden opgelegd.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

. De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank dat het college op grond van de toepassing zijnde verordening de bijstand van appellant terecht heeft verlaagd met 40% gedurende de maand oktober 2012, en in de overwegingen onder 5 van de aangevallen uitspraak - zoals hiervoor weergegeven - waarop dat oordeel rust.


4.2.

Naar aanleiding van wat appellant in hoger beroep nog naar voren heeft gebracht, voegt de Raad daar nog aan toe dat de omstandigheid dat appellant op 7 april 2013 wel heeft meegewerkt aan een soortgelijk onderzoek, niet afdoet aan het feit dat hij zich maatregelwaardig heeft gedragen door daaraan op 12 juli 2012 niet mee te werken. Dat het college in het verleden besluiten heeft genomen waarop het moest terugkomen omdat die niet juist waren, betekent niet dat dit ook voor de hier aan de orde zijnde besluitvorming moet gelden.


4.3.

Uit 4.1 tot en met 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet, voor zover aangevochten, worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.



Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut, in tegenwoordigheid van C.A.W. Zijlstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2015.




(getekend) E.C.R. Schut




(getekend) C.A.W. Zijlstra




HD