Centrale Raad van Beroep, 26-05-2015 / 14-1646 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:1617

Inhoudsindicatie
In geval van een tegemoetkomen door het bestuursorgaan wordt als regel een proceskostenveroordeling uitgesproken. Slechts onder bijzondere omstandigheden kan er aanleiding zijn om van dit uitgangspunt af te wijken. Zoals de Raad reeds eerder heeft geoordeeld is de enkele omstandigheid dat het bestuursorgaan geen verwijt treft met betrekking tot een later onjuist geacht en niet gehandhaafd besluit, zoals ook in het onderhavige geval, geen reden om een proceskostenveroordeling achterwege te laten. Nu ook overigens geen sprake is van een bijzondere situatie die een uitzondering op de regel rechtvaardigt, dient de aangevallen uitspraak te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het college alsnog veroordelen in de proceskosten van appellante.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-05-26
Publicatiedatum
2015-05-28
Zaaknummer
14-1646 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht

Formele relatie


Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/1646 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

27 februari 2014, 13/4105 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. drs. G.A.S. Maduro, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft bij wijze van verweer verwezen naar de aangevallen uitspraak.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 april 2015. Voor appellante is verschenen mr. Maduro. Het college heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Bij besluit van 9 augustus 2012 (besluit 1) heeft het college de aan appellante ingevolge de Wet werk en bijstand verleende bijstand ingetrokken en de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 21 mei 2012 tot en met 30 juni 2012 tot een bedrag van € 1.466,45 van haar teruggevorderd. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellante niet meer beschikt over een geldige verblijfstitel, zodat geen recht op bijstand bestaat. Bij besluit van 1 januari 2013 (besluit 2) is het terugvorderingsbedrag gebruteerd en nader vastgesteld op € 2.271,82. Bij besluit van 24 mei 2013 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard.


1.2.

Bij brief van 24 juni 2013 heeft appellante beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Daarbij is onder verwijzing naar en bijvoeging van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 28 mei 2013 (201209228/1/V2), waarbij het hoger beroep van appellante kennelijk gegrond is verklaard en waarbij - kort gezegd - de intrekking van haar verblijfsvergunning ongedaan is gemaakt, aangevoerd dat appellante met een Nederlander gelijk kan worden gesteld en dus wel recht heeft op bijstand.


1.3.

Bij besluit van 30 september 2013 heeft het college, voor zover hier van belang, alsnog de besluiten 1 en 2 ingetrokken. Daarbij is tevens is meegedeeld dat de bijstand vanaf 1 juli 2012 aan appellante zal worden nabetaald.


1.4.

Bij brief van 14 november 2013 heeft het college aan de rechtbank meegedeeld dat het bestreden besluit niet langer wordt gehandhaafd.


1.5.

Op 25 november 2013 heeft de gemachtigde van appellante aan de rechtbank bericht dat het beroep tegen het bestreden besluit wordt ingetrokken omdat het college inmiddels aan de bezwaren tegemoet is gekomen. Appellante heeft gelijktijdig verzocht om het college te veroordelen in de proceskosten.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het verzoek van appellante om een proceskostenveroordeling afgewezen. Daartoe is overwogen dat het bestreden besluit niet is ingetrokken naar aanleiding van het ingestelde beroep, maar in verband met het - als gevolg van de uitspraak van de Afdeling - verkregen verblijfsrecht van appellante. Het beroep is dus ingetrokken wegens nieuwe feiten en omstandigheden en daarvoor is artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet bedoeld.


3. In hoger beroep heeft appellante zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daartoe is aangevoerd dat het bestreden besluit wel degelijk (mede) naar aanleiding van het ingestelde beroep van appellante is ingetrokken.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld.


4.2.

Vaststaat dat het college met het in 1.3 genoemde besluit en de in 1.4 vermelde brief volledig aan de bezwaren van appellante tegemoet is gekomen, dat appellante daarop haar beroep bij de rechtbank heeft ingetrokken en gelijktijdig heeft verzocht om het college in de proceskosten te veroordelen. Daarmee is in beginsel voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 8:75a van de Awb, nog daargelaten of het enkele gegeven van de in 1.2 vermelde uitspraak van de Afdeling dan wel de inhoud van het beroepschrift van appellante daartoe aanleiding is geweest.


4.3.

In geval van een tegemoetkomen door het bestuursorgaan wordt als regel een proceskostenveroordeling uitgesproken. Slechts onder bijzondere omstandigheden kan er aanleiding zijn om van dit uitgangspunt af te wijken. Zoals de Raad reeds eerder heeft geoordeeld is de enkele omstandigheid dat het bestuursorgaan geen verwijt treft met betrekking tot een later onjuist geacht en niet gehandhaafd besluit, zoals ook in het onderhavige geval, geen reden om een proceskostenveroordeling achterwege te laten. Nu ook overigens geen sprake is van een bijzondere situatie die een uitzondering op de regel rechtvaardigt, dient de aangevallen uitspraak te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het college alsnog veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 490,- in beroep (1 punt voor het indienen van een beroepschrift) en op € 980,- in hoger beroep (2 punten voor het indienen van het hoger beroepschrift en het verschijnen ter zitting).

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep


- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van in totaal

€ 1.470,-;

- bepaalt dat het college aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 166,- vergoedt.



Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van P.C. de Wit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2015.




(getekend) R.H.M. Roelofs




(getekend) P.C. de Wit




HD