Centrale Raad van Beroep, 26-05-2015 / 14-1388 AOW


ECLI:NL:CRVB:2015:1618

Inhoudsindicatie
Herziening en terugvordering AOW-pensioen. Gezamenlijke huishouding.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-05-26
Publicatiedatum
2015-05-28
Zaaknummer
14-1388 AOW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/1388 AOW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

20 februari 2014, 13/5122 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

Datum uitspraak: 26 mei 2015

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.O. Wattilete, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 april 2015. Appellant is, met bericht, niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.J. Oudenes.

OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant heeft samen met zijn ex-echtgenote, [naam ex-echtgenote] (Y) twee kinderen. Hij ontvangt sinds 2005 ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW).


1.2.

De Svb heeft een vordering op appellant. Naar aanleiding van een jaarlijks onderzoek naar de terugbetalingsmogelijkheden van appellant van deze vordering heeft de Svb appellant op 22 februari 2013 een zogenaamd formulier “Onderzoek inkomenssituatie” toegestuurd. Op dit door appellant op 15 maart 2013 ondertekende formulier heeft appellant vermeld dat zijn ex-vrouw hem in huis heeft genomen. Dit is voor de Svb aanleiding geweest om bij afzonderlijke besluiten van 28 juni 2013 het AOW-pensioen van appellant met ingang van

1 januari 2013 te herzien naar een pensioen voor een gehuwde en het over de periode van januari 2013 tot en met mei 2013 te veel verleende AOW-pensioen van appellant terug te vorderen tot een bedrag van € 1.156,06.

1.3.

De Svb heeft appellant op 28 juni 2013 opnieuw een formulier zoals bedoeld in 1.2 toegezonden. Op dit door appellant op 10 juli 2013 ondertekende formulier heeft appellant vermeld dat hij tijdelijk bij Y in huis woont.


1.4.

Appellant heeft op 23 juli 2013 bezwaar gemaakt tegen de besluiten van 28 juni 2013. Tijdens de hoorzitting in verband met de behandeling van dit bezwaar heeft appellant de eerder vermelde gegevens genuanceerd. Bij besluit van 23 augustus 2013 (bestreden besluit) heeft de Svb de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 28 juni 2013 ongegrond verklaard. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellant met Y een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Aangezien vaststaat dat uit het huwelijk van appellant en Y kinderen zijn geboren, is ingevolge artikel 1, vijfde lid, aanhef en onder b, van de AOW het onweerlegbare rechtsvermoeden van toepassing dat sprake is van een gezamenlijke huishouding indien komt vast te staan dat appellant en Y hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben gehad.


4.2.

Met de rechtbank wordt geoordeeld dat appellant en Y. in de hier in geding zijnde periode hun hoofdverblijf hadden op het adres van Y aan de [adres] te [woonplaats]. Daartoe is, zoals ook de rechtbank heeft overwogen, met name van belang dat appellant op de in 1.1 en 1.2 bedoelde formulieren van 15 maart 2013 en 10 juli 2013 heeft ingevuld dat zijn ex-vrouw hem in huis heeft genomen, respectievelijk dat hij tijdelijk bij haar in huis woont. Appellant heeft op deze formulieren niet vermeld dat hij daarnaast ook nog elders woont. Tijdens de in 1.4 genoemde hoorzitting heeft appellant voorts verklaard dat hij het adres van Y nodig had voor zijn post, dat hij soms bij zijn zoon slaapt, dat hij op maandag(middag) naar zijn ex-vrouw gaat, dat hij daar dan maandag-, dinsdag- en woensdagavond slaapt, dat hij in de loop van donderdag weer vertrekt, dat zijn kleding daar ligt, dat wat kleding van hem bij zijn zoon ligt en dat hij zijn ex-vrouw € 175,- betaalt. Later is gesteld dat dit bedrag als huur moet worden gezien voor het gebruik van haar woning. Het betoog van appellant dat de rechtbank niet heeft getoetst aan objectieve criteria kan niet worden gevolgd, omdat uit het voorgaande blijkt dat op juiste gronden is getoetst of appellant zijn hoofdverblijf had op het adres van Y. Voorts moet worden vastgesteld dat in hoger beroep, ondanks de aankondiging daartoe in het hoger beroepschrift, van de zijde van appellant geen schriftelijke verklaringen meer in het geding zijn gebracht.


4.3.

Uit wat in 4.2 is overwogen vloeit voort dat appellant in de hier van belang zijnde periode zijn hoofdverblijf had in de woning van Y. Gelet op artikel 1, vijfde lid, aanhef en onder b, van de AOW, betekent dit dat in dit geval aan de eisen voor het aannemen van een gezamenlijke huishouding was voldaan.


4.4.

Omdat appellant en Y in de periode van januari 2013 tot 1 juni 2013 een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd en appellant daarvan geen opgave heeft gedaan aan de Svb, was de Svb gehouden het AOW-pensioen van appellant over die periode te herzien. Gelet hierop was de Svb voorts gehouden het als gevolg van de herziening van het AOW-pensioen over de periode van januari 2013 tot en met mei 2013 onverschuldigd betaalde AOW-pensioen van appellant terug te vorderen. Appellant heeft tegen deze terugvordering geen zelfstandige gronden aangevoerd, zodat de terugvordering geen verdere bespreking behoeft.


4.5.

Gelet op wat in 4.1 tot en met 4.4 is overwogen slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs in tegenwoordigheid van P.C. de Wit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2015.




(getekend) R.H.M. Roelofs




(getekend) P.C. de Wit



Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip gezamenlijke huishouding.





HD