Centrale Raad van Beroep, 26-05-2015 / 14-29 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:1619

Inhoudsindicatie
Toekenning bijstand naar de norm voor een alleenstaande. Er is geen sprake van bijzondere omstandigheden op grond waarvan eerder, dan de datum waarop appellante zich heeft gemeld, bijstand moet worden verleend.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-05-26
Publicatiedatum
2015-05-28
Zaaknummer
14-29 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht

Formele relatie

Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • USZ 2015/223
Uitspraak

Datum uitspraak: 26 mei 2015

14/29 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

28 november 2013, 13/2435 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J. van den Ende, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 april 2015. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellante ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Bij besluit van 19 juli 2012 heeft het college de bijstand van appellante met ingang van 11 mei 2012 ingetrokken. Appellante heeft tegen dit besluit geen bezwaar gemaakt, waarmee dit besluit in rechte onaantastbaar is geworden.


1.2.

Appellante heeft zich op 5 december 2012 gemeld om opnieuw bijstand aan te vragen. Bij besluit van 23 januari 2013 heeft het college met ingang van 5 december 2012 aan appellante bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder toegekend met een toeslag van 20% van het minimumloon. De inkomsten die appellante ontvangt worden op de bijstand in mindering gebracht.


1.3.

Bij besluit van 15 april 2013 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 23 januari 2013 ongegrond verklaard. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan eerder, dan de datum waarop appellante zich heeft gemeld, bijstand moet worden verleend.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Volgens vaste rechtspraak inzake toepassing van artikel 43 en 44 van de WWB (uitspraak van 14 april 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1211) wordt in beginsel geen bijstand verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen of - in voorkomende gevallen - een aanvraag om bijstand heeft ingediend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen. Anders dan appellante meent, is het college niet gehouden terzake beleid te ontwikkelen of te formuleren. Overigens zijn, anders dan appellante stelt, in de rechtspraak wel degelijk uitspraken te vinden waarin is geoordeeld dat sprake was van bijzondere omstandigheden die het toekennen van bijstand met terugwerkende kracht rechtvaardigden. De Raad volstaat hier met verwijzing naar zijn uitspraken van 22 oktober 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:2124) en van 10 december 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:2757).

4.2.

Voorts wordt het oordeel van de rechtbank onderschreven dat in dit geval geen sprake is van bijzondere omstandigheden, die rechtvaardigen dat appellante met ingang van een vóór de melding op 5 december 2012 gelegen datum bijstand wordt verleend. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij niet in staat was om tijdig een aanvraag om bijstand in te dienen of dat zij is afgehouden van het doen van een aanvraag. Dat appellante kennelijk niet besefte dat zij destijds enigszins onder bijstandsniveau leefde is niet van belang, reeds omdat gebrek aan wetenschap omtrent een eventueel recht op (aanvullende) bijstand op zichzelf geen bijzondere omstandigheid als bedoeld in 4.1 oplevert. Nog daargelaten of de belangen van appellante inderdaad door de Kredietbank Rotterdam werden behartigd, laat dit onverlet dat het, anders dan appellante stelt, op haar weg ligt om tijdig een aanvraag om bijstand in te dienen en dat bij belangenbehartiging het handelen of nalaten van de betreffende persoon of instantie aan de betrokkene wordt toegerekend. Ook de omstandigheid dat het college er mogelijk van op de hoogte kon zijn dat het inkomen van appellante beneden de bijstandsnorm lag, doet niet af aan de eigen verantwoordelijkheid van appellante in deze.


4.3.

De stelling dat het college in strijd met het rechtszekerheids- en gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld heeft appellante niet onderbouwd. Ook deze beroepsgrond slaagt daarom niet.


4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep geen doel treft, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van P.C. de Wit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2015.




(getekend) R.H.M. Roelofs




(getekend) P.C. de Wit



HD