Centrale Raad van Beroep, 27-01-2015 / 13-6433 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:162

Inhoudsindicatie
Afwijzing bijstandsaanvraag. Met appellant (het dagelijks bestuur), en anders dan de rechtbank, is de Raad van oordeel dat betrokkene niet duidelijk heeft gemaakt op welke wijze hij in de periode voorafgaand aan zijn aanvraag in zijn levensonderhoud heeft voorzien
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-01-27
Publicatiedatum
2015-01-28
Zaaknummer
13-6433 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/6433 WWB

Datum uitspraak: 27 januari 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland van 11 oktober 2013, 13/5639 en 13/5645 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Veluwerand te Harderwijk (appellant)

[Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. M. Broersma, advocaat, een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 december 2014. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.M. Brands. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Broersma.

OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Betrokkene heeft zich op 19 maart 2013 gemeld om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand aan te vragen. Appellant heeft betrokkene bij brieven van 9 april 2013, 17 april 2013, 16 mei 2013 en 24 mei 2013 verzocht nader genoemde stukken over te leggen en inzichtelijk te maken op welke wijze hij in de periode voorafgaande aan zijn aanvraag in zijn levensonderhoud heeft voorzien. In dat kader heeft appellant betrokkene onder meer verzocht de (voorlopige) jaarcijfers over de jaren 2009, 2010, 2011 en 2012 van zijn bedrijf en bewijsstukken van de door betrokkene van zijn zus en moeder en van vriend

[S.] (S) geleende bedragen over te leggen.


1.2.

Bij besluit van 31 mei 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 31 juli 2013 (bestreden besluit), heeft appellant deze aanvraag afgewezen op de grond dat betrokkene onvoldoende informatie heeft verstrekt om het recht op bijstand vast te kunnen stellen. Betrokkene heeft onder meer geen financiële gegevens van zijn bedrijf over het jaar 2012 en geen verklaringen van zijn zus of moeder overgelegd. De verklaring van S inhoudende dat hij betrokkene op 15 november 2012 een bedrag van € 1.250,- heeft geleend, wordt niet ondersteund door verifieerbare bewijsstukken. Betrokkene heeft, aldus het college, daarmee niet aangetoond hoe hij in de periode voorafgaand aan zijn aanvraag in de noodzakelijke kosten van het bestaan heeft voorzien.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank (rechtbank), voor zover van belang, het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dit besluit vernietigd, het besluit van 31 mei 2013 herroepen, bepaald dat appellant aan betrokkene met ingang van 19 maart 2013 bijstand verleend naar de voor hem geldende alleenstaande norm en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat betrokkene heeft voldaan aan de op hem rustende inlichtingenverplichting en in voldoende mate heeft aangetoond dat hij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert. Daarbij heeft de rechtbank gewicht toegekend aan de ter zitting door betrokkene afgelegde en met stukken onderbouwde verklaring dat hij van de opbrengst van de door hem in december 2012 verkochte sieraden voor een bedrag van € 3.930,- enige tijd in zijn levensonderhoud heeft kunnen voorzien.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd en

- samengevat - aangevoerd dat betrokkene bij zijn aanvraag niet de gevraagde en benodigde duidelijkheid heeft gegeven over zijn financiële situatie en de wijze waarop hij voorafgaand aan de aanvraag in zijn levensonderhoud heeft voorzien. Daardoor kan niet worden vastgesteld of hij verkeerde in bijstandbehoevende omstandigheden.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

De hier te beoordelen periode loopt van 19 maart 2013 (datum melding) tot en met

31 mei 2013 (datum afwijzingsbesluit).


4.2.

Voor de beoordeling of de aanvrager verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden, is de financiële situatie van de aanvrager een essentieel gegeven. De aanvrager is gehouden de voor een goede beoordeling van de aanvraag vereiste gegevens over te leggen. Volgens vaste rechtspraak (CRvB 4 januari 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP1399) is het bijstandverlenend orgaan in het kader van het onderzoek naar het recht op bijstand ook bevoegd om gegevens te vragen die betrekking hebben op de financiële situatie over de periode die onmiddellijk voorafgaat aan de datum met ingang waarvan bijstand wordt gevraagd. Indien de aanvrager niet aan de wettelijke inlichtingen- of medewerkingsverplichting voldoet, is dit een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.


4.3.

Met appellant, en anders dan de rechtbank, is de Raad van oordeel dat betrokkene niet duidelijk heeft gemaakt op welke wijze hij in de periode voorafgaand aan zijn aanvraag in zijn levensonderhoud heeft voorzien.


4.3.1.

Allereerst is onduidelijk gebleven welke inkomsten uit de autohandel betrokkene in het jaar 2012 heeft gehad. Uit de verklaringen van betrokkene volgt dat hij tot 15 november 2012 inkomsten heeft gehad, maar betrokkene heeft appellant op geen enkele wijze inzicht in die inkomsten verschaft, bijvoorbeeld door middel van een belastingaanslag of -aangifte of een administratie/boekhouding. Dat betrokkene niet beschikt of niet kan beschikken over deze door appellant gevraagde en benodigde financiële gegevens moet, gelet op hetgeen onder 4.2 is overwogen, voor rekening en risico van betrokkene komen.


4.3.2.

Verder wordt van belang geacht dat betrokkene over de bijdragen van zijn zus en moeder in zijn levensonderhoud tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd, nu hij in bezwaar heeft verklaard geen geld te hebben geleend, maar bij zijn zus en moeder geregeld maaltijden te hebben genoten. Ook heeft betrokkene geen verklaring van zijn zus en moeder of andere bewijsstukken overgelegd, waaruit blijkt dat en op welke wijze zij in zijn levensonderhoud hebben voorzien. De door betrokkene achteraf verstrekte verklaring van S is onvoldoende verifieerbaar en verschaft onvoldoende duidelijkheid om betrokkene te volgen in zijn stelling dat hij door middel van een geldlening van S in zijn levensonderhoud heeft voorzien. De gestelde lening is kennelijk verstrekt door middel van contante betaling aan betrokkene, waardoor de eventuele overdracht van het geld niet kan worden gecontroleerd en daarmee ook niet kan worden nagegaan of het beweerdelijk ontvangen geld uit geldlening is gebruikt voor de kosten van levensonderhoud. De wel verifieerbare betaling door de zus van betrokkene van een bedrag van € 1.904,89 ziet op de betaling van achterstallige huursommen tot en met maart 2012 en is daarom onvoldoende om te concluderen dat betrokkene zijn financiële situatie in de te beoordelen periode voldoende inzichtelijk heeft gemaakt.

4.3.3.

Voorts wordt in aanmerking genomen dat betrokkene ter zitting bij de rechtbank pas voor het eerst melding heeft gemaakt van het feit dat hij in zijn levensonderhoud heeft voorzien met zwart geld en de opbrengst uit de verkoop van gouden sieraden. Dat deze sieraden afkomstig zijn uit de erfenis van zijn in 2005 overleden vader heeft betrokkene weliswaar gesteld, maar niet met verifieerbare gegevens onderbouwd. Ook heeft betrokkene geen opheldering verschaft over de bedragen aan zwart geld, waarover hij naar eigen zeggen heeft beschikt.


4.4.

Gelet op 4.3.1 tot en met 4.3.3 heeft betrokkene niet voldaan aan de op hem rustende inlichtingenverplichting met als gevolg dat de financiële situatie van betrokkene onduidelijk is gebleven. Die onduidelijkheid heeft betrokkene ook in bezwaar en beroep niet kunnen wegnemen. Als gevolg hiervan is het recht op bijstand in de te beoordelen periode niet vast te stellen. Het door betrokkene in hoger beroep overgelegde schuldenoverzicht leidt niet tot een ander oordeel. Daarmee worden de hiervoor besproken onduidelijkheden omtrent de financiële situatie van betrokkene immers niet weggenomen. Appellant heeft de aanvraag van 19 maart 2013 dan ook terecht afgewezen.


4.5.

Uit 4.4 volgt dat het hoger beroep van appellant slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het besluit van 31 juli 2013 ongegrond verklaren.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 31 juli 2013 ongegrond.



Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en W.F. Claessens en G.M.G. Hink als leden, in tegenwoordigheid van T.A. Meijering als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2015.





(getekend) C. van Viegen




De griffier is buiten staat te ondertekenen



HD