Centrale Raad van Beroep, 21-05-2015 / 13-2097 AW


ECLI:NL:CRVB:2015:1621

Inhoudsindicatie
Er is nader onderzoek nodig ter beantwoording van de vraag of de aanspraak van appellante op nawettelijke uitkering tot uitbetaling van die uitkering leidt. De CAR/UWO bevat geen voorschrift over de wijze waarop een ontbindingsvergoeding moet worden toegerekend. De beschikking van 30 november 2011 biedt daarvoor evenmin aanknopingspunten. De Raad acht het redelijk om ervan uit te gaan dat de ontbindingsvergoeding is bestemd voor de periode van 1 maart 2012 tot 1 augustus 2017, de einddatum van de nawettelijke uitkering. Het college dient dan eerst na te gaan welk gedeelte van de ontbindingsvergoeding resteert na aftrek van het bedrag dat dient ter compensatie van de inkomstenderving tijdens de looptijd van de WW-uitkering van 1 maart 2012 tot en met 30 april 2015. Vernietiging uitspraak voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand zijn gelaten. Het college dient opnieuw te beslissen op het bezwaar met inachtneming van de overwegingen van deze uitspraak.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-05-21
Publicatiedatum
2015-05-28
Zaaknummer
13-2097 AW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/2097 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

7 maart 2013, 12/1999 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Leeuwarden (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W.M. Veldjesgraaf, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 september 2014. Appellante is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. Zittema.

Het onderzoek is heropend na de zitting.

Vervolgens heeft het college bij brief van 21 november 2014 met bijlagen vragen van de Raad beantwoord en nadere stukken ingezonden. Appellante heeft op verzoek van de Raad een nader stuk ingezonden en een reactie gegeven op de brief van het college.

Voor de tweede behandeling ter zitting van de zaak op 26 februari 2015 zijn partijen opgeroepen om (bij gemachtigde) te verschijnen. Appellante is verschenen met bijstand van mr. Veldjesgraaf. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Zittema.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante was sinds 1 mei 1974 in dienst van de gemeente Leeuwarden. Haar laatste functie was projectmedewerker bij de Frieslandhal. In 1993 is de Frieslandhal verzelfstandigd en zijn de activiteiten overgedragen aan het Friesland Expo Centrum, later WTC Expo BV (WTC Expo). De gemeenteraad van Leeuwarden heeft ten behoeve van het personeel van de Frieslandhal dat overging naar WTC Expo met het georganiseerd overleg een sociaal akkoord gesloten. Dit akkoord is neergelegd in het Sociaal Statuut Frieslandhal (SSF) en het daarop gebaseerde Sociaal Plan Frieslandhal (SPF) dat op 1 oktober 1993 in werking is getreden. Appellante is aansluitend aan haar ontslag uit gemeentelijke dienst (privatiseringsontslag) vanaf 1 oktober 1993 werkzaam geweest bij WTC Expo. Bij beschikking van 30 november 2011 heeft de rechtbank Leeuwarden de arbeidsovereenkomst tussen WTC Expo en appellante met ingang van 1 maart 2012 ontbonden onder toekenning van een vergoeding ten laste van WTC Expo van bruto € 100.000,- (ontslag als werknemer).


1.2.

In januari 2011 heeft het college vragen van WTC Expo beantwoord over de aanspraken die medewerkers van WTC Expo kunnen ontlenen aan het SSF en het SPF. Appellante heeft het college in februari 2011 om informatie gevraagd over haar wachtgeldaanspraken bij ontslag bij WTC Expo. Bij brief van 9 maart 2011 heeft het college appellante onder verwijzing naar de desbetreffende bepalingen van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling/ Uitwerkingsovereenkomst (CAR/UWO) geantwoord dat appellante tot 1 augustus 1997 aanspraken had kunnen ontlenen aan het SPF, maar dat het college op dit moment niets meer voor haar kan betekenen. Op het verzoek van appellante om dit standpunt te herzien heeft het college afwijzend gereageerd.


1.3.

Op 31 januari 2012 heeft appellante het college verzocht een besluit te nemen over de wachtgeldaanspraken die haar in verband met het privatiseringsontslag per 1 oktober 1993 op grond van het SPF toekomen in geval van verlies van haar werk bij WTC Expo.


1.4.

Bij besluit van 21 februari 2012, voor zover van belang, heeft het college afwijzend beslist op het verzoek van appellante om haar wachtgeld te verstrekken. Bij besluit van 17 juli 2012 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard. Daaraan ligt kort gezegd ten grondslag dat er voor appellante na de afloop van de periode waarover zij bij ontslag uit gemeentelijke dienst recht op wachtgeld zou hebben op basis van het SPF, welke periode op 1 oktober 1996 eindigde geen rechten meer bestaan.


1.5.

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Bij brief van 19 december 2012 heeft het college appellante medegedeeld dat zij geen aanspraak kan maken op uitbetaling van uitkeringsrechten, omdat zij in verband met haar ontslag bij WTC Expo meer heeft ontvangen, dan zij op grond van het ontslag als gemeenteambtenaar zou hebben verkregen.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. De rechtbank oordeelde dat het SPF aldus moet worden uitgelegd dat bij een ontslag in verband met reorganisatie of inkrimping de werkloosheidsuitkering wordt aangevuld voor de duur en tot het niveau van de uitkeringsregelingen die golden ten tijde van het ontslag bij WTC Expo. Niet is gebleken dat de berekening die het college heeft gemaakt niet overeenkomt met de gemeentelijke wachtgeldregeling die gold op 1 maart 2012. Met die berekening heeft het college gemotiveerd dat en waarom de op het SPF gebaseerde uitkeringsrechten niet kunnen worden uitbetaald. Nu materieel geen verschil bestaat tussen de rechtsgevolgen van het bestreden besluit en het nadere standpunt van het college dat appellante wel aanspraken heeft, maar deze niet tot uitbetaling leiden, heeft de rechtbank bepaald dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven.


3.1.

In hoger beroep heeft appellante de aangevallen uitspraak bestreden, voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand zijn gelaten.


3.2.

Het college heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Tussen partijen is niet (meer) in geschil dat appellante aan het SPF een wachtgeldgarantie kan ontlenen die zij kon inroepen met ingang van 1 maart 2012, de datum van haar ontslag als werknemer. Op dat wachtgeld is de op die datum geldende wachtgeldregeling van toepassing, zoals die is neergelegd in hoofdstuk 10d van de CAR/UWO.


4.2.

Anders dan appellante heeft betoogd, biedt het SPF geen grond voor het oordeel dat bij de vaststelling van de hoogte van de onder 4.1 bedoelde wachtgeldgarantie het laatstverdiende salaris bij WTC Expo bepalend is. Haar opvatting dat met die wachtgeldgarantie is beoogd haar in geval van ontslag bij WTC Expo in dezelfde positie te brengen als zij had gehad indien zij tot de ontslagdatum bij de gemeente Leeuwarden in dienst zou zijn gebleven, vindt geen steun in het SSF en het SPF. Immers, in het SPF is daarover vermeld: “Medewerkers van de Frieslandhal hebben als ambtenaren recht op wachtgeld of uitkering opgebouwd. Ingeval van ontslag door de nieuwe organisatie wegens inkrimping of reorganisatie, behouden zij hun aanspraken op grond van de wachtgeld- of uitkeringsverordening, met dien verstande dat de werkloosheidsuitkering wordt aangevuld voor de duur en tot het niveau van de alsdan geldende uitkeringsregelingen. (…) Als datum van vaststelling van de aanspraak geldt de datum van ontslag uit gemeentelijke dienst”. Dit betekent dat het college bij de berekening van het wachtgeld terecht is uitgegaan van het salaris dat appellante op 1 oktober 1993 uitgaande van het maximum van schaal 5 verdiende.


4.3.

Op grond van artikel 10d:11 van de CAR/UWO had appellante gelet op de hoogte van haar salaris uitsluitend gedurende het eerste jaar van haar werkloosheid, dus tot 1 maart 2013, recht op een aanvullende uitkering. Het college heeft vastgesteld dat appellante een aanvullende uitkering zou hebben ontvangen van 10%, dat is € 266,33 per maand. Deze vaststelling heeft appellante niet betwist en komt ook de Raad juist voor. Op basis daarvan heeft het college de hoogte van de wachtgeldgarantie van appellante berekend door de uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) die zij uitgaande van haar salaris bij de gemeente Leeuwarden zou hebben ontvangen op te tellen bij de aanvullende uitkering. In de maanden maart en april 2012 leverde dat een bedrag van bruto € 2.031,26 per maand exclusief vakantietoeslag op en vanaf 1 mei 2012 € 1.913,56 per maand. Vaststaat dat appellante over de periode van 1 maart 2012 tot 1 maart 2013 per maand een hogere WW-uitkering heeft ontvangen dan deze bedragen, namelijk bruto € 2.521,35 exclusief vakantietoeslag. Daaraan verbindt de Raad de conclusie dat de wachtgeldgarantie er niet toe leidt dat op grond daarvan over de periode van 1 maart 2012 tot 1 maart 2013 betalingen moeten worden gedaan.


4.4.

Over de vraag of voor appellante vanaf 1 mei 2015, de datum waarop de WW-uitkering wegens het verstrijken van de uitkeringsduur eindigt, op grond van de wachtgeldgarantie in het SPF een aanspraak op nawettelijke uitkering voortvloeit overweegt de Raad het volgende.


4.4.1.

Op grond van het SPF zijn op de wachtgeldgarantie in de vorm van een nawettelijke uitkering de bepalingen van hoofdstuk 10d van de CAR/UWO [tekst op 1 maart 2012] van toepassing. Uitgangspunt is ook hier het salaris van appellante ten tijde van het privatiseringsontslag. Partijen zijn het erover eens dat de duur van de nawettelijke uitkering 27 maanden bedraagt. De hoogte van de uitkering is in beginsel 70% van het (oude) salaris bij de gemeente Leeuwarden.


4.4.2.

Volgens het college moet de ontbindingsvergoeding die appellante in verband met haar ontslag als werknemer heeft ontvangen worden aangemerkt als een werkloosheidsuitkering als bedoeld in het SPF met als gevolg dat geen recht bestaat op nawettelijke uitkering. Voor deze uitleg van het begrip werkloosheidsuitkering biedt de tekst van het SPF echter geen steun. Dat betekent dat appellante vanaf 1 mei 2005 in beginsel aan het SPF een recht op nawettelijke uitkering kan ontlenen. Indien en zolang appellante voldoet aan de voorwaarden van artikel 10d:15 van de CAR/UWO heeft zij recht op deze nawettelijke uitkering. De hoogte en duur van deze uitkering hangen af van een aantal factoren, waaronder het antwoord op de vraag of en, zo ja, in hoeverre appellante op en na 1 mei 2015 werkloos is en of zij werkzaamheden verricht.


4.4.3.

Het college heeft verder betoogd dat de ontbindingsvergoeding is toegekend met het oog op eventuele inkomensderving en dat daarom bij de beantwoording van de vraag of en, zo ja, tot welke bedrag aanspraak op nawettelijke uitkering bestaat rekening moet worden gehouden met die vergoeding. Over de hoogte van de nawettelijke uitkering is in

artikel 10d:16, derde lid van de CAR/UWO bepaald dat de nawettelijke uitkering en het inkomen dat de ambtenaar uit of in verband met arbeid ontvangt een hoogte van 90% van de oude bezoldiging niet mag overschrijden. Het meerdere wordt gekort op de nawettelijke uitkering. Zoals uit de beschikking van de rechtbank Leeuwarden van 30 november 2011 en de daaraan ten grondslag liggende vaststellingsovereenkomst blijkt, is de door WTC Expo aangeboden en door de rechtbank toegekende ontbindingsvergoeding bedoeld als compensatie voor een eventuele derving van inkomsten in de toekomst als gevolg van de ontbinding van het dienstverband bij WTC Expo. Zo bezien is deze vergoeding aan te merken als inkomen in verband met arbeid als bedoeld in de zojuist genoemde bepaling. Dat betekent dat de nawettelijke uitkering waarop appellante op grond van het privatiseringsontslag per maand recht heeft, dient te worden gekort met een bedrag ter hoogte van het aan die maand toe te rekenen gedeelte van de ontbindingsvergoeding, indien en voor zover dat bedrag 20% van de oude bezoldiging per maand te boven gaat.


4.4.4.

Het voorgaande brengt mee dat nader onderzoek nodig is ter beantwoording van de vraag of de aanspraak van appellante op nawettelijke uitkering tot uitbetaling van die uitkering leidt. De CAR/UWO bevat geen voorschrift over de wijze waarop een ontbindingsvergoeding moet worden toegerekend. De beschikking van 30 november 2011 biedt daarvoor evenmin aanknopingspunten. De Raad acht het redelijk om ervan uit te gaan dat de ontbindingsvergoeding is bestemd voor de periode van 1 maart 2012 tot 1 augustus 2017, de einddatum van de nawettelijke uitkering. Het college dient dan eerst na te gaan welk gedeelte van de ontbindingsvergoeding resteert na aftrek van het bedrag dat dient ter compensatie van de inkomstenderving tijdens de looptijd van de WW-uitkering van 1 maart 2012 tot en met 30 april 2015. In dit verband is ter zitting gebleken dat appellante van 1 maart 2014 tot 1 maart 2015 een jaar heeft gewerkt als verzorgende. Het resterende bedrag moet vervolgens worden toegerekend aan de resterende periode door dat bedrag te delen door het aantal maanden in die periode. Het meerdere boven 20% van de oude bezoldiging dient te worden gekort op de nawettelijke uitkering.


4.5.

Uit rechtsoverwegingen 4.1.1 tot en met 4.4.4 vloeit voort dat de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit ten onrechte in stand heeft gelaten. Het hoger beroep slaagt. Zoals hiervoor is overwogen, ziet de Raad geen mogelijkheden binnen zijn bereik om het geschil definitief te beslechten, omdat het college ter voorbereiding op zijn besluitvorming nader onderzoek zal moeten doen. De aangevallen uitspraak zal worden vernietigd voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand zijn gelaten. Het college dient opnieuw te beslissen op het bezwaar met inachtneming van de overwegingen van deze uitspraak. Met het oog op een voortvarende afwikkeling acht de Raad het geraden om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht te bepalen dat tegen dit nieuwe besluit slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.


5. Er is aanleiding het college te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze worden begroot op € 980,- in hoger beroep wegens verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep


- vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het besluit

van 17 juli 2012 in stand zijn gelaten;

- draagt het college op een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar van appellante tegen

het besluit van 21 februari 2012 en bepaalt dat beroep tegen dit besluit slechts bij de Raad

kan worden ingesteld;

- bepaalt dat het college aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 118,- vergoedt;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 980,-.



Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en J.J.A. Kooijman en M.C.D. Embregts als leden, in tegenwoordigheid van C.A.W. Zijlstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2015.




(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans




(getekend) C.A.W. Zijlstra




HD