Centrale Raad van Beroep, 06-05-2015 / 13-1738 ZW


ECLI:NL:CRVB:2015:1631

Inhoudsindicatie
Het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die door de rechtbank aan haar oordeel ten grondslag zijn gelegd, worden onderschreven. De in hoger beroep overgelegde medische rapporten geven geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-05-06
Publicatiedatum
2015-05-27
Zaaknummer
13-1738 ZW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/1738 ZW

Datum uitspraak: 6 mei 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige Kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Nederland van

21 februari 2013, 12/5151 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W.J.L. van Santen, advocaat, hoger beroep ingesteld en aanvullende stukken overgelegd.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft nadere medische stukken overgelegd waarop door het Uwv, door middel van een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep, gereageerd is.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 maart 2015. Appellante is - met bericht - niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.J. Reith.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellante is op 9 juni 2011 met klachten aan nek, schouders, arm en been alsmede hoofdpijn en misselijkheid, ten gevolge van een haar op 9 mei 2011 overkomen auto-ongeval, uitgevallen voor haar werk als medewerkster thuiszorg voor 28 uur per week. In april 2012 is appellantes dienstverband beëindigd en is zij ziek uit dienst gegaan. Vervolgens is haar een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. Appellante is in het kader van haar ziekmelding laatstelijk op 6 augustus 2012 gezien op het spreekuur van een verzekeringsarts. Deze arts heeft naar aanleiding van zijn bevindingen uit het spreekuuronderzoek, waarbij appellante zowel lichamelijk als psychisch is onderzocht, en verkregen informatie van de behandelend sector geconcludeerd dat appellante per 7 augustus 2012 weer geschikt is te achten tot het verrichten van haar arbeid. Bij besluit van 6 augustus 2012 heeft het Uwv het ziekengeld van appellante per 7 augustus 2012 beëindigd.


1.2.

Bij besluit van 6 september 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 6 augustus 2012 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt het rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 4 september 2012 ten grondslag.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen geen reden gezien te twijfelen aan de zorgvuldigheid van de door de artsen van het Uwv verrichte onderzoeken. Voorts heeft de rechtbank geen reden om te twijfelen aan de juistheid van het standpunt van het Uwv dat appellante per 7 augustus 2012 weer geschikt moet worden geacht om haar arbeid te verrichten. Tevens heeft de rechtbank, onder verwijzing naar rechtspraak van de Raad van 6 juni 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BW7792) overwogen dat de verzekeringsarts terecht het verzekeringsgeneeskundig protocol ter zake van whiplash niet bij zijn beoordeling heeft toegepast, nu dit protocol, gelet op artikel 2 van de Regeling verzekeringsgeneeskundige protocollen arbeidsongeschiktheidswetten, niet van toepassing is bij een beoordeling. Tot slot heeft de rechtbank overwogen dat de bevindingen van de bedrijfsarts niet zien op de medische toestand van appellante op 7 augustus 2012, nu het laatste rapport van de bedrijfsarts dateert van 28 februari 2012. Van de noodzaak om een nader onderzoek door een verzekeringsarts te laten verrichten, is de rechtbank dan ook niet gebleken.


3.1.

In hoger beroep heeft appellante haar standpunt herhaald dat zij als gevolg van haar medische klachten niet in staat is om haar arbeid te verrichten. Het door de artsen van het Uwv verrichte onderzoek is, naar de mening van appellante, op zowel lichamelijk als psychisch vlak te summier en insufficiënt geweest. Voorts is door de rechtbank ten onrechte het standpunt van het Uwv onderschreven dat in de periode tussen de beoordeling door de bedrijfsarts op 20 maart 2012 en de datum in geding, 7 augustus 2012, sprake is van dusdanig herstel dat appellante geschikt geacht kan worden voor haar eigen arbeid. Dit wordt niet onderbouwd door de verzekeringsarts en blijkt evenmin uit de medische gegevens. Tot slot stelt appellante dat de rechtbank ook geheel voorbij is gegaan aan het feit dat bij haar sprake is van een posttraumatische stressstoornis, waarvoor zij momenteel nog steeds behandeld wordt. Deze stoornis is niet bij de beoordeling betrokken, laat staan dat deze onderkend is. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante diverse medische gegevens overgelegd.


3.2.

Het Uwv heeft in verweer gesteld dat de gegevens waar appellante in haar hoger beroepschrift naar verwijst reeds in het dossier aanwezig waren en door de verzekeringsarts bij de beoordeling zijn betrokken of door de verzekeringsarts bezwaar en beroep zijn becommentarieerd in zijn rapport van 17 december 2012. Voor zover uit de betreffende gegevens medisch objectiveerbare beperkingen voortvloeien staan deze beperkingen, zo stelt het Uwv, niet in de weg aan de geschiktheid van appellante voor haar eigen werk per datum in geding.


4.1.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.2.

Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Op grond van artikel 19, vijfde lid, van de ZW, wordt voor een verzekerde die geen werkgever heeft onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid verstaan ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend voor zijn arbeid zijn.


4.3.

Het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die door de rechtbank aan haar oordeel ten grondslag zijn gelegd, worden onderschreven.


4.4.

De in hoger beroep, bij brief van 3 maart 2015 overgelegde medische rapporten van neuroloog P. Verlooy van 8 november 2014, orthopedisch chirurg dr. W.J. Rijnberg van

13 november 2014 en psychiater dr. H.A. Drooglever Fortuyn van 20 januari 2015 geven geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. In het rapport van 12 maart 2015 wordt door de verzekeringsarts bezwaar en beroep inzichtelijk gemotiveerd waarom, rekening houdende met genoemde medische informatie, geen aanleiding bestaat om appellante per datum in geding meer beperkt te achten dan wel ongeschikt te achten voor haar eigen werk. Er is geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de bevindingen van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. In dit kader wordt nog opgemerkt dat appellante niet meer heeft gereageerd op dit rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, noch nadere gronden of medische informatie in geding heeft gebracht.


4.5.

Uit hetgeen onder 4.2 tot en met 4.4 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.


5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door C.C.W. Lange als voorzitter en F.M.S. Requisizione en

P.H. Banda als leden, in tegenwoordigheid van B. Fotchind als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2015.




(getekend) C.C.W. Lange




(getekend) B. Fotchind


GdJ