Centrale Raad van Beroep, 19-05-2015 / 14-1366 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:1638

Inhoudsindicatie
Intrekking en terugvordering bijstand. Gezamenlijke huishouding.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-05-19
Publicatiedatum
2015-05-28
Zaaknummer
14-1366 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/1366 WWB

Datum uitspraak: 19 mei 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 27 januari 2014, 13/5994 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] (appellante) en [appellant] (appellant) te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Tilburg (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. I.A.C. Cools, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 april 2015. Namens appellanten is verschenen mr. Cools. Het college heeft zich, met voorafgaand bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellante ontving sinds 10 november 2010 bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder. Zij stond in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens ingeschreven op het [uitkeringsadres] te Tilburg (uitkeringsadres).


1.2.

Naar aanleiding van een melding van de Regiopolitie Midden en West Brabant dat op

24 oktober 2012 in de woning op het uitkeringsadres verdovende middelen zijn aangetroffen, heeft het team Handhaving Sociale Zekerheid van de gemeente Tilburg een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 22 februari 2013.


1.3.

Bij besluit van 15 mei 2013 heeft het college de bijstand van appellante met ingang van

1 september 2012 ingetrokken op de grond dat appellanten per die datum een gezamenlijke huishouding voeren op het uitkeringsadres en appellante daarvan geen melding heeft gedaan bij het college.


1.4.

Bij besluit van 22 mei 2013 heeft het college de over de periode van 1 september 2012 tot en met 30 april 2013 verleende bijstand tot een bedrag van € 10.386,96 (netto) van appellante teruggevorderd. Dit bedrag is mede van appellant teruggevorderd.


1.5.

Bij besluit van 10 oktober 2013 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten van 15 mei en 22 mei 2013 ongegrond verklaard.


2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. In hoger beroep hebben appellanten zich op de hierna te bespreken grond tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Het college heeft de intrekking niet beperkt tot een bepaalde periode. In een dergelijk geval bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het intrekkingsbesluit. Dat betekent dat hier ter beoordeling voorligt de periode van 1 september 2012 tot en met 15 mei 2013.


4.2.

Niet in geschil is dat appellanten vanaf 1 september 2012 op het uitkeringsadres een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd.


4.3.

Appellanten stellen zich, onder verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 9 oktober 2012, ECLI:NL:RBROT:2012:CA1214, op het standpunt dat het college de bijstand van appellanten ambtshalve had moeten vaststellen naar de norm voor gehuwden nu zij beiden in bijstandbehoevende omstandigheden verkeren.


4.4.

De Raad stelt voorop dat het college de bijstand van appellante heeft ingetrokken omdat zij geen zelfstandig subject van bijstand was. Zij ontving daarom ten onrechte bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder. Het college hoefde in het kader van de intrekking, anders dan appellanten menen en anders dan het college in de in 4.3 genoemde uitspraak heeft gedaan, niet ambtshalve te beoordelen of appellanten aanspraak konden maken op bijstand naar de norm voor gehuwden. Een daartoe strekkende aanvraag lag niet voor.


4.5.

Uit de overwegingen 4.2 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen als voorzitter en P.W. van Straalen en M. ter Brugge, in tegenwoordigheid van R.G. van den Berg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2015.





(getekend) M. Hillen




(getekend) R.G. van den Berg



HD