Centrale Raad van Beroep, 19-05-2015 / 13-1789 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:1640

Inhoudsindicatie
Oplegging maatregel. Niet kan worden gezegd dat aan de weigering gevolg te geven aan de verplichting tot het volgen van een revalidatietraject elke vorm van verwijtbaarheid aan de kant van appellant ontbreekt.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-05-19
Publicatiedatum
2015-05-28
Zaaknummer
13-1789 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/1789 WWB

Datum uitspraak: 19 mei 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

27 maart 2013, 12/9366 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Bollenstreek (dagelijks bestuur)

PROCESVERLOOP

Namens appellant hebben mr. L. Orie en mr. M.L.M. Klinkhamer hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 april 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Klinkhamer. Het college heeft zich, met bericht van verhindering, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant ontvangt bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).


1.2.

In verband met het verlopen van de voor appellant geldende ontheffing van de arbeidsplichtverplichtingen van artikel 9 van de WWB heeft het dagelijks bestuur een medisch advies gevraagd. In het advies van 15 september 2011, opgesteld door medisch adviseur A.H.M. Bernaert (medisch adviseur), concludeert de medisch adviseur dat appellant arbeidsongeschikt is en adviseert hij appellant om een revalidatietraject te volgen, waardoor hij zelfstandiger zal kunnen functioneren. Bij besluit van 10 november 2011 heeft het dagelijks bestuur appellant de verplichting opgelegd mee te werken aan een revalidatietraject. Het dagelijks bestuur heeft appellant daarbij gewezen op het feit dat hij zich in dat verband tot zijn huisarts dient te wenden voor een doorverwijzing. Tegen dit besluit heeft appellant geen rechtsmiddelen aangewend.


1.3.

Bij brief van 18 april 2012 heeft het dagelijks bestuur appellant verzocht om inlichtingen te verstrekken over het revalidatietraject. In reactie op dat verzoek heeft appellant bij brief van 28 april 2012 medegedeeld dat hij door gezondheids- en mobiliteitsproblemen niet met het revalidatietraject is gestart en dat hij dat alsnog zal doen zodra de situatie verbetert.


1.4.

Bij brief van 8 mei 2012 heeft het dagelijks bestuur het voornemen kenbaar gemaakt om een maatregel op te leggen, omdat appellant de voor hem geldende revalidatieverplichting niet naleeft. Appellant heeft hierop bij brief van 12 mei 2012 te kennen gegeven dat hij vanwege zijn gezondheidsproblemen nog niet is begonnen met een revalidatieproject.


1.5.

Bij besluit van 22 mei 2012 heeft het dagelijks bestuur de bijstand van appellant gedurende de periode van 1 juni 2012 tot en met 30 juni 2012 verlaagd met 10%, op de grond dat appellant geen revalidatietraject volgt terwijl hem die verplichting wel is opgelegd.


1.6.

Bij besluit van 26 juli 2012 (bestreden besluit) heeft het dagelijks bestuur het tegen het besluit van 22 mei 2012 gerichte bezwaar ongegrond verklaard.


2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, omdat appellant niet in de gelegenheid is gesteld te worden gehoord, en heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand kunnen blijven. Voor zover hier van belang heeft de rechtbank daartoe overwogen dat appellant verwijtbaar heeft gehandeld door geen revalidatietraject te volgen en dat het dagelijks bestuur als gevolg van die verwijtbare gedraging bevoegd was om een maatregel op te leggen.


3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand zijn gelaten.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

In artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB is bepaald, voor zover hier van belang, dat de belanghebbende verplicht is gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling, alsmede mee te werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling.


4.2.

Artikel 18, tweede lid, van de WWB bepaalt dat het college de bijstand verlaagt overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de WWB, ter zake van het niet of onvoldoende nakomen door de belanghebbende van de verplichtingen voortvloeiende uit deze wet. Van een verlaging wordt afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. De toepasselijke verordening is de Maatregelenverordening WWB ISD Bollenstreek 2012 (Verordening).


4.3.

Niet in geschil is dat appellant zich niet heeft gehouden aan de hem, bij besluit van

10 november 2011, opgelegde verplichting een revalidatietraject te doorlopen.


4.4.

Appellant heeft aangevoerd dat hem van dit verzuim geen verwijt kan worden gemaakt, omdat zijn huisarts te kennen heeft gegeven dat hij vanwege zijn gezondheidsproblemen niet in staat is om deel te nemen aan een revalidatietraject. Deze beroepsgrond slaagt niet.


4.4.1.

Op grond van het in rechte onaantastbaar geworden besluit van 10 november 2011 was appellant verplicht, en moest hij in staat worden geacht een revalidatietraject te volgen. De beroepsgronden die daarop betrekking hebben kunnen in dit geding niet worden besproken. Appellant heeft niet met medisch objectiveerbare gegevens onderbouwd dat zijn gezondheid na 10 november 2011 zodanig is verslechterd dat hij niet in staat was een revalidatietraject te volgen. Appellant was dan ook gehouden zich bij zijn huisarts te melden voor een doorverwijzing. Dit heeft appellant nagelaten. Hiervan valt hem een verwijt te maken.


4.4.2.

Dat het dagelijks bestuur later bij besluit van 2 oktober 2012 heeft afgezien van het opleggen van een maatregel en bij besluit van 3 september 2014 appellant niet de verplichting heeft opgelegd om psychische hulp te zoeken leidt niet tot een ander oordeel. Die besluiten zijn immers gebaseerd op andere, meer recente, medische gegevens die niet zien op de periode die hier van belang is.


4.4.3.

Uit 4.4.1 en 4.4.2 volgt dat niet kan worden gezegd dat aan de weigering gevolg te geven aan de verplichting tot het volgen van een revalidatietraject elke vorm van verwijtbaarheid aan de kant van appellant ontbreekt. Het college was gelet op artikel 18, tweede lid, van de WWB dan ook gehouden bij wijze van maatregel de bijstand van appellant te verlagen. Op grond van artikel 14 van de Verordening had een maatregel van 60% gedurende één maand moeten worden opgelegd. Met een verlaging van 10% is appellant dan niet tekort gedaan.


4.5.

Uit de overwegingen 4.3 tot en met 4.4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.



Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen als voorzitter en P.W. van Straalen en M. ter Brugge, in tegenwoordigheid van R.G. van den Berg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2015.




(getekend) M. Hillen




(getekend) R.G. van den Berg



HD