Centrale Raad van Beroep, 20-05-2015 / 12-6660 ZW


ECLI:NL:CRVB:2015:1647

Inhoudsindicatie
Weigering ZW-uitkering. Met het sluiten van de overeenkomst beoogde de stichting uitvoering te geven aan de aan haar door de gemeente Meerssen verstrekte opdracht om personen met een WWB-uitkering zo spoedig mogelijk onder te brengen bij een inleenorganisatie met het oog op uitstroom van deze personen naar de reguliere arbeidsmarkt. In het geval van appellant was hier (nog) geen sprake van: Geen sprake van een relatie tussen appellant, de stichting en een inlener, geen sprake van arbeidsovereenkomst.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-05-20
Publicatiedatum
2015-06-01
Zaaknummer
12-6660 ZW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht

Formele relatie


Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

12/6660 ZW

Datum uitspraak: 20 mei 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van

6 november 2012, 11/2185 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. Ph. A.A. Nijbakker, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 oktober 2013. Namens appellant is verschenen mr. Nijbakker. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. W.P.F. Oosterbos.

Het onderzoek is heropend, omdat het niet volledig is geweest.

Het Uwv heeft vragen van de Raad beantwoord. Appellant heeft nadere stukken ingezonden.

De zaak is opnieuw ter zitting behandeld op 1 oktober 2014. Namens appellant is verschenen mr. Nijbakker. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.A.M. Anedda.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellant ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) van de gemeente Meerssen.


1.2.

Op de gemeente rust op grond van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB de verplichting om personen die algemene bijstand ontvangen te ondersteunen bij arbeidsinschakeling. De bijstandsgerechtigde is op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB gehouden om naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en te aanvaarden. Op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB is de bijstandsgerechtigde verplicht om gebruik te maken van een door een gemeente aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling.


1.3.

Als gevolg van de inwerkingtreding van de WWB per 1 januari 2004 zijn de Wet inschakeling werkzoekenden en het Besluit in- en doorstroombanen komen te vervallen. Met de WWB heeft de gemeente een re-integratiebudget ontvangen, waarin de voormalige gelden voor gesubsidieerde arbeid zijn samengevoegd met gelden voor scholing en activering. Met dit budget heeft de gemeente maximale beleidsvrijheid gekregen om instrumenten voor

re-integratie te ontwikkelen en in te zetten. Een van de voorzieningen die de gemeente kan inzetten is de gesubsidieerde arbeid, waaronder de groeibaan.


1.4.

Binnen dit kader is de Rechtspositieregeling groeibanen Maastricht en Mergelland 2010 (Rechtspositieregeling groeibanen) tot stand gekomen. In de algemene toelichting bij deze regeling is uiteengezet dat in de groeibaan aan uitkeringsgerechtigden een dienstverband gericht op arbeidsinschakeling kan worden aangeboden. Vervolgens wordt de desbetreffende werknemer (via een uitvoeringsorganisatie) ter beschikking gesteld aan derde organisaties voor het verrichten van arbeid. Nadere regels zullen worden gesteld ten aanzien van onder andere het aantal uren (maximaal aantal uren om uit te stromen) en de hoogte salaris (maximaal 100% om prikkel om door te stromen zo groot mogelijk te maken). Bij deze rechtspositieregeling is gekozen voor een sobere opzet; immers de WWB en haar

re-integratievoorzieningen zijn er op gericht dat mensen uitstromen naar regulier werk.

Door te kiezen voor een sobere rechtspositie is de prikkel maximaal aanwezig voor de noodzakelijke uitstroom naar regulier werk. In de artikelsgewijze toelichting op artikel 3 van de Rechtspositieregeling groeibanen is uiteengezet dat de in een overeenkomst met een WWB-gerechtigde te vermelden arbeidsduur per week zo moet worden bepaald dat hij niet meer uitkeringsafhankelijk is, waarbij als uitgangspunt geldt een arbeidsduur van 32 uur per week. Afhankelijk van de individuele situatie van de werknemer kan de arbeidsduur naar boven of naar beneden worden bijgesteld.


1.5.

In de Rechtspositieregeling groeibanen is stichting [Ph.] ([Ph.]) aangemerkt als uitvoeringsorganisatie en als werkgever. Op grond van haar statuten en wat blijkt uit het handelsregister is [Ph.] een uitvoeringsorganisatie op het gebied van gesubsidieerde arbeid en houdt zij zich bezig met scholing en re-integratie van WWB-gerechtigden. Samen met enkele andere gemeenten heeft de gemeente Meerssen in het kader van haar beleid gesubsidieerde arbeid aan [Ph.] opdracht gegeven om personen met een WWB-uitkering in dienst te nemen en te detacheren bij inleners met als doel het versterken van de positie van deze uitkeringsgerechtigden op de reguliere arbeidsmarkt. [Ph.] ontving per

WWB-gerechtigde een bedrag ter dekking van de kosten die waren verbonden aan de uitvoering van deze opdracht, waaronder het betalen van “salaris” aan een “werknemer”.


1.6.

Appellant en [Ph.] hebben op 25 oktober 2010 een overeenkomst getekend (overeenkomst), waarop van toepassing is verklaard de Rechtspositieregeling groeibanen. In deze overeenkomst is appellant aangeduid als werknemer en [Ph.] als werkgever. Ingevolge artikel 1 is appellant met ingang van 22 oktober 2010 voor bepaalde tijd in dienst getreden van [Ph.]. De overeenkomst eindigt van rechtswege op 22 april 2011 of (onder meer) per datum dat appellant een arbeidsovereenkomst met een reguliere werkgever aangaat. Artikel 2 bepaalt dat zijn arbeidsuur gemiddeld 26 uur per week bedraagt en dat de werktijden worden bepaald in overleg met de inlener en is vastgelegd in de inleenovereenkomst. Op grond van artikel 4 is het salaris gelijk aan het voor appellant op het moment van indiensttreding geldende wettelijk minimumloon dat, naar rato, bij een 26-urige werkweek € 1.022,66 bruto per maand bedraagt. Ingevolge artikel 8 verricht appellant werkzaamheden dan wel houdt hij zich beschikbaar om werkzaamheden te verrichten, op basis van detachering bij door [Ph.] aan te wijzen inlenende organisatie(s), dat wil zeggen in opdracht en onder toezicht van de inlener. De werkgever stelt na overleg met de werknemer binnen vier weken na aanvang van het dienstverband een plan gericht op uitstroom van de werknemer naar de reguliere arbeidsmarkt vast. Ingevolge artikel 9 is appellant bij de uitoefening van zijn werkzaamheden gehouden aan de opdrachten en aanwijzingen van de inlener en de begeleider.


1.7.

Op 21 januari 2011 heeft appellant zich ziek gemeld bij [Ph.]. Op

20 april 2011 heeft [Ph.] bij het Uwv aangifte gedaan van de ziekmelding van appellant. De overeenkomst tussen [Ph.] en appellant is op 22 april 2011 van rechtswege geëindigd zonder dat appellant op enig moment werkzaam is geweest bij een inlener of anderszins werkzaamheden heeft verricht.


1.8.

Bij besluit van 17 mei 2011 heeft het Uwv appellant een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) ontzegd, op de grond dat hij niet in een dienstbetrekking werkzaam is geweest en daarom niet verzekerd is voor de ZW.


1.9.

Bij besluit van 10 november 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 17 mei 2011 ongegrond verklaard en dat besluit gehandhaafd. Omdat door appellant feitelijk geen werkzaamheden zijn verricht, is er volgens het Uwv geen sprake geweest van een arbeidsovereenkomst in de zin van het Burgerlijk Wetboek (BW).


2.1.

Het Uwv heeft in zijn verweerschrift bij de rechtbank de motivering van het bestreden besluit gewijzigd. Het Uwv heeft zich, onder verwijzing naar de uitspraken van de Raad van 23 juni 2010 (ECLI:NL:CRVB:2010:BM8971 en ECLI:NL:CRVB:2010:BM9286), op het standpunt gesteld dat de overeenkomst niet kan worden gezien als een arbeidsovereenkomst, omdat de overeenkomst niet is gericht op arbeid en appellant bovendien gedurende de looptijd van de overeenkomst geen enkele productieve arbeid heeft verricht.


2.2.

Vanwege de gewijzigde motivering van het bestreden besluit heeft de rechtbank bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. De rechtbank heeft de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten, omdat zij met het Uwv van oordeel was dat appellant tot [Ph.] niet in een privaatrechtelijke dienstbetrekking heeft gestaan en daarom niet kan worden aangemerkt als een werknemer in de zin van de ZW. De overeenkomst strekte naar het oordeel van de rechtbank niet tot het verrichten van werk, maar was in wezen gericht op het aanbieden van en het deelnemen aan re-integratieactiviteiten met als oogmerk de uitstroom van appellant naar betaalde arbeid. Dat de overeenkomst appellant verplichtte tot het uitvoeren van werkzaamheden voor en onder leiding en toezicht van een van de opdrachtgevers van [Ph.] of (mogelijk) een door deze aan te wijzen derde, doet hieraan volgens de rechtbank niet af. In de context van de overeenkomst waren dergelijke werkzaamheden - voor zover zij al zullen worden aangeboden - geen doel op zichzelf, maar enkel een middel om de re-integratie van appellant in het arbeidsproces te bevorderen.


3.1.

In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt gehandhaafd dat tussen hem en [Ph.] wel sprake is geweest van een arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:610 van het BW. Appellant heeft aangevoerd dat, anders dan in de zaken die hebben geleid tot de in 2.1 genoemde uitspraken, het bij hem niet ging om scholing, training dan wel andere re-integratieactiviteiten gericht op uitstroom naar regulier werk, maar dat hij aan de slag moest bij een inlener. In dit verband heeft appellant ter zitting van 1 oktober 2014 gesteld dat er door inspanningen van [Ph.] een inlener voor hem was gevonden, namelijk [het bedrijf M] Groen, alwaar hij per 25 januari 2011 gedetacheerd zou gaan worden in de groenvoorziening. Volgens appellant waren dit werkzaamheden met een economische waarde. Appellant heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat er ook zonder een inleenovereenkomst met een inlener sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen hem en [Ph.], omdat hij op grond van de overeenkomst gehouden was zich beschikbaar te houden voor arbeid en ook daaraan economische waarde kan worden toegekend.


3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Het geschil betreft de vraag of appellant werknemer was in de zin van artikel 3, eerste lid, van de ZW. Hiertoe is vereist dat appellant in een privaatrechtelijke dienstbetrekking heeft gestaan tot een werkgever. Naar vaste rechtspraak moet voor het aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking sprake zijn van een verplichting tot het persoonlijk verrichten van arbeid, een gezagsverhouding en een verplichting tot het betalen van loon (bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB: 2011:BQ1785). Daarbij moet acht worden geslagen op alle omstandigheden van het geval, in onderling verband bezien en dienen niet alleen de rechten en verplichtingen in aanmerking te worden genomen die partijen bij het aangaan van de rechtsverhouding voor ogen stonden, maar moet ook acht worden geslagen op de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan hun rechtsverhouding en aldus daaraan inhoud hebben gegeven. Daarbij is niet één enkel element beslissend, maar moeten de verschillende rechtsgevolgen die partijen aan hun verhouding hebben verbonden in hun onderling verband worden bezien (zie ECLI:NL:HR:2011:BP3887 en ECLI:NL:HR:2012: BU8926). De maatschappelijke positie van partijen is bij de kwalificatie mede van belang.


4.2.

[Ph.] en appellant hebben de overeenkomst, gelet op de hierin gebruikte bewoordingen, ingericht en benoemd als een arbeidsovereenkomst. Dit betekent echter nog niet dat tussen partijen een arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen. Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat de kwalificatie, die partijen zelf aan hun rechtsverhouding hebben gegeven, niet doorslaggevend is. Het is aan de rechter om, met inachtneming van de onder 4.1 weergegeven maatstaf, de verhouding tussen partijen al dan niet als arbeidsovereenkomst te kwalificeren (ECLI:NL:HR:2003:AF9444).


4.3.

De overeenkomst is tot stand gekomen tegen de achtergrond van omstandigheden zoals geschetst in 1.1 tot en met 1.5. Mede tegen deze achtergrond dient te worden beoordeeld hoe de verhouding tussen partijen moet worden gekwalificeerd. Hierbij is het volgende van belang.


4.3.1.

Het is niet de bedoeling van partijen geweest dat appellant werkzaamheden zou gaan verrichten of anderszins activiteiten zou gaan ondernemen bij [Ph.] zelf. Appellant heeft dat ook niet gedaan. De overeenkomst heeft (enkel) de strekking dat [Ph.] appellant zal detacheren bij een inlener met als doel uitstroom van appellant naar de reguliere arbeidsmarkt. Zodra appellant een arbeidsovereenkomst sluit met een reguliere werkgever eindigt de overeenkomst met [Ph.] van rechtswege.


4.3.2.

De gehoudenheid van appellant ingevolge de overeenkomst om zich beschikbaar te houden om werkzaamheden te verrichten bij een inlener, betrof in wezen geen andere verplichting dan die waartoe hij eerder op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB was gehouden, namelijk het naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid verkrijgen en te aanvaarden. Deze gehoudenheid stond niet in de weg aan zijn uitstroom naar reguliere arbeid, in tegendeel: zoals al overwogen was dat juist het doel van de overeenkomst. Het stond appellant op grond van artikel 12 van de overeenkomst ook vrij om werkzaamheden buiten de groeibaan te verrichten, zolang hij dit maar onmiddellijk meldde.


4.3.3.

Conform de bedoeling van partijen, zoals ook bepaald in de overeenkomst en de van toepassing verklaarde Rechtspositieregeling groeibanen (zie 1.4), is de werkweek van appellant op grond van zijn persoonlijke situatie vastgesteld op 26 uren per week, zodat hij van [Ph.] een salaris ter hoogte van zijn WWB-uitkering zou ontvangen. Volgens de door het Uwv van [Ph.] verkregen informatie heeft [Ph.] van de gemeente Meerssen per WWB-gerechtigde een bedrag ontvangen van € 19.000,- ter dekking van de kosten die voor haar waren verbonden aan de uitvoering van haar opdracht, waaronder het betalen van “salaris” aan een “werknemer” zoals appellant.


4.4.

Uit het voorgaande volgt dat de overeenkomst niet los kan worden gezien van het door de gemeente Meerssen gevoerde beleid om de positie van personen met een WWB-uitkering te versterken op de arbeidsmarkt door hen te (laten) detacheren bij inleners en de in dit verband door de gemeente Meerssen aan [Ph.] verstrekte opdracht. Met het sluiten van de overeenkomst beoogde [Ph.] uitvoering te geven aan de aan haar door de gemeente Meerssen verstrekte opdracht om personen met een WWB-uitkering zo spoedig mogelijk onder te brengen bij een inleenorganisatie met het oog op uitstroom van deze personen naar de reguliere arbeidsmarkt. De gemeente Meerssen stelde [Ph.] (tenminste) schadeloos voor in dit verband te maken kosten. Hiermee vormt de overeenkomst in wezen het sluitstuk van een constructie, waarbij de inspanningsverplichting van de gemeente Meerssen om appellant als WWB-gerechtigde te begeleiden naar het (opnieuw) verrichten van algemeen geaccepteerde arbeid is overgegaan op [Ph.]. Tegen deze achtergrond wordt de overeenkomst, hoewel ingericht als een arbeidsovereenkomst, niet als zodanig gekwalificeerd. Dit betekent dat appellant op grond van de overeenkomst niet in een privaatrechtelijke dienstbetrekking heeft gestaan tot [Ph.] en daarom vanaf het moment van aangaan van de overeenkomst geen werknemer was in de zin van artikel 3, eerste lid, van de ZW.


4.5.

Deze uitkomst laat onverlet de mogelijkheid dat er alsnog een arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen op het moment dat [Ph.] appellant daadwerkelijk heeft ondergebracht bij een inlener. Dan kan immers sprake zijn van een driepartijenrelatie, die met toepassing van de artikelen 7:610 en 7:690 van het BW kan worden gekwalificeerd als een privaatrechtelijke dienstbetrekking.


4.6.

Een inleenovereenkomst is nooit tot stand gekomen. Vaststaat dat [Ph.] geen inleenovereenkomst heeft getekend met een derde krachtens welke appellant onder leiding en toezicht van die derde werkzaamheden zou gaan verrichten. Uit een voortgangsrapportage groeibaan [Ph.] van 25 maart 2011 blijkt dat appellant op gesprek zou gaan voor een werkplek bij de buitendienst van [bedrijf MT] ([het bedrijf M]), maar deze afspraak is niet doorgegaan vanwege een longinfectie bij appellant, waarna hij zich op 21 januari 2011 heeft ziek gemeld. Daardoor is het niet gekomen tot overeenstemming over inlening van appellant door [het bedrijf M] en de werkzaamheden die appellant bij [het bedrijf M] zou gaan verrichten. Het dossier bevat geen aanknopingspunten voor een ander oordeel. De stelling van appellant dat door inspanningen van [Ph.] een inlener was gevonden, namelijk [het bedrijf M] Groen, waar hij per 25 januari 2011 gedetacheerd zou gaan worden in de groenvoorziening, is dan ook onvoldoende aannemelijk gemaakt.


4.7.

Hieruit volgt dat van een relatie tussen appellant, [Ph.] en een inlener geen sprake geweest, zodat er evenmin een arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:610 in samenhang met artikel 7:690 van het BW tot stand is gekomen.


4.8.

Gelet op wat in 4.1 tot en met 4.7 is overwogen, is geen sprake geweest van een arbeidsovereenkomst op grond waarvan appellant werknemer was in de zin van de ZW. Het Uwv heeft appellant terecht niet in aanmerking gebracht voor een ZW-uitkering.


4.9.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd, voor zover aangevochten in hoger beroep.


5. Omdat het hoger beroep niet slaagt volgt uit artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht dat veroordeling tot vergoeding van wettelijke rente niet mogelijk is, zodat dit verzoek wordt afgewezen.


6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


  • - bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
  • - wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van wettelijke rente af.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en B.M. van Dun en C.C.W. Lange als leden, in tegenwoordigheid van J.C. Hoogendoorn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2015.



(getekend) H.G. Rottier




(getekend) J.C. Hoogendoorn




Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over de begrippen werkgever, werknemer, dienstbetrekking en loon.



JL