Centrale Raad van Beroep, 29-04-2015 / 14-5381 WSF


ECLI:NL:CRVB:2015:1653

Inhoudsindicatie
Met betrekking tot de besluiten van 24 augustus 2013 en eerder, geldt dat het daartegen gerichte bezwaar is ingediend na afloop van de bezwaartermijn van zes weken. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de besluiten voldoende duidelijk zijn en dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is. De veronderstelling van appellant dat hij het reisproduct heeft stopgezet door een brief (of brieven) te verzenden aan de minister, levert geen situatie op waarin het niet tijdig beëindigen van het reisrecht hem aantoonbaar niet kan worden toegerekend. Een op grond van de Wsf 2000 vastgestelde OV-schuld is niet aan te merken als een (bestuurlijke) boete of daarmee gelijk te stellen punitieve sanctie, maar reparatoir van aard.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-04-29
Publicatiedatum
2015-05-29
Zaaknummer
14-5381 WSF
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht

Formele relatie


Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/5381 WSF

Datum uitspraak: 29 april 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

15 augustus 2014, 14/987 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. I. van Baaren, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 maart 2015. Appellant noch zijn gemachtigde zijn verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. K.F. Hofstee.

OVERWEGINGEN


1.1.

De minister heeft, voor zover hier van belang, aan appellant bij besluit van 20 oktober 2012 studiefinanciering ingevolge de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) toegekend voor de periode januari tot en met augustus 2013. In dat besluit is vermeld dat appellant vanaf januari 2013 niet (meer) kon reizen met zijn studentenreisproduct.


1.2.

Bij brief van 1 december 2012 is appellant (opnieuw) geïnformeerd over (de beëindiging van) zijn recht op het studentenreisproduct. Hij is erop gewezen dat hij het reisproduct moest stopzetten uiterlijk op de vijfde werkdag van de maand waarin geen recht meer op het reisproduct bestond. Deze brief bevat uitleg over de door appellant voor het stopzetten te verrichten handelingen. Hij is er in deze brief verder op gewezen dat onterecht bezit van het reisproduct leidt tot een schuld van € 97,- per halve kalendermaand.


1.3.

Bij besluit van 26 januari 2013 heeft de minister appellant bericht dat hij op zijn

OV-chipkaart een week- of weekendabonnement had staan, terwijl daarop geen recht bestond. Als OV-schuld is een bedrag van € 194,- vermeld. In het besluit is ook vermeld dat de

OV-schuld wordt verrekend met de toe te kennen studiefinanciering. In het geval van appellant zou een bedrag van € 155,08 worden verrekend in de maand februari 2013 en € 38,92 in de maand maart 2013.


1.4.

Nadien is de OV-schuld maandelijks opgelopen. De minister heeft dit vastgesteld bij de besluiten van 2 maart 2013, 29 maart 2013, 26 april 2013, 24 mei 2013, 29 juni 2013, 27 juli 2013, 24 augustus 2013 en 28 september 2013.


1.5.

Op 25 oktober 2013 heeft appellant bezwaar gemaakt “naar aanleiding van enkele ontvangen rekeningen”. Hij heeft daarin aangegeven dat hij de minister op 30 mei 2012 en op 9 juli 2012 had geschreven dat hij zijn studentenreisproduct wilde stopzetten in verband met de aanschaf van een eigen vervoermiddel. Bij het bezwaar heeft hij een uitdraai gevoegd van 16 oktober 2013 waaruit blijkt dat hij op 30 mei 2012 voor het laatst gebruik heeft gemaakt van zijn OV-chipkaart.


1.6.

Bij brief van 15 november 2013 heeft de minister bevestigd dat appellant zijn reisproduct heeft stopgezet op 13 november 2013.


1.7.

Bij het besluit van 31 december 2013 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van appellant wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard voor zover dat was gericht tegen de besluiten van 26 januari tot en met 24 augustus 2013. Bij het bestreden besluit heeft de minister het bezwaar ongegrond verklaard voor zover dat was gericht tegen het besluit van 28 september 2013. Daaraan heeft de minister ten grondslag gelegd dat hij de brieven van appellant van 30 mei en 9 juli 2012 met betrekking tot het stopzetten van het reisproduct niet heeft ontvangen. Appellant had zelf naar aanleiding van de berichten van het oktober en december 2012 handelingen moeten verrichten om het reisproduct te stoppen. Appellant heeft het reisproduct pas stopgezet op 13 november 2013.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank met betrekking tot de ontvankelijkheid van het bezwaar (samengevat) overwogen dat van de berichten van

26 januari tot en met 24 augustus 2013 voldoende duidelijk was dat zij een besluit inhielden waartegen bezwaar mogelijk was en dat er geen reden is een verschoonbare termijnoverschrijding aan te nemen. Met betrekking tot het bezwaar tegen het besluit van

28 september 2013 heeft de rechtbank (samengevat) overwogen dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij de brieven van 30 mei en 7 juli 2012 heeft verzonden. Verder heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat appellant niet op de juiste wijze het reisrecht heeft beëindigd, dat het niet tijdig beëindigen voor zijn rekening komt en dat er geen sprake is van een onbillijkheid van overwegende aard.


3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de termijnoverschrijding bij de indiening van het bezwaar tegen de besluiten over de periode januari tot en met augustus 2013 verschoonbaar is. De berichten zijn zo onduidelijk dat hij daaruit niet heeft kunnen afleiden dat het besluiten waren waartegen bezwaar kon worden gemaakt. Het valt appellant niet te verwijten dat hij niet eerder reageerde op deze berichten. Appellant stelt zich op het standpunt dat hij het reisrecht tijdig heeft stopgezet. Voor zover moet worden aangenomen dat hij het reisrecht niet heeft stopgezet kan dat niet aan hem worden toegerekend. Het besluit van

28 september 2013 heeft naar appellant meent betrekking op het gehele schuldbedrag van € 660,44 dat in dat besluit is genoemd.


4. De Raad oordeelt als volgt.


De ontvankelijkheid van het bezwaar


4.1.

Met betrekking tot de besluiten van 24 augustus 2013 en eerder, geldt dat het daartegen gerichte bezwaar is ingediend na afloop van de bezwaartermijn van zes weken. De door de minister verzonden besluiten vermelden steeds dat appellant geen recht had op een week- of weekendabonnement, dat de hoogte van de OV-schuld verandert en dat bedragen van de

OV-schuld worden ingehouden op de betalingen waarop appellant overigens recht heeft. Daarnaast bevatten de aan appellant verzonden besluiten een verwijzing naar de handelwijze voor het geval appellant zich niet kan vinden in de genomen beschikkingen. Ten slotte heeft appellant niet bestreden de overweging van de rechtbank dat op de achterkant van de besluiten een bezwaarclausule is afgedrukt, waaruit blijkt dat een bezwaarschrift kan worden ingediend.


4.2.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de besluiten voldoende duidelijk zijn en dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is. De minister heeft het bezwaar in zoverre dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard. Dit betekent dat in bezwaar uitsluitend het besluit van 28 september 2013 inhoudelijk door de minister moest worden beoordeeld.


Het in rekening brengen van een bedrag voor het reisproduct


4.3.

Artikel 3.27, eerste lid, van de Wsf 2000 luidt:

“1. De studerende is verplicht het reisproduct stop te zetten uiterlijk op de vijfde werkdag nadat:

a. zijn aanspraak op reisrecht is beëindigd, of

b. (…)

2. Bij het ten onrechte beschikken over een op een OV-chipkaart geladen reisproduct, is degene aan wie het reisrecht is toegekend aan Onze Minister een bedrag van € 97,00 per halve kalendermaand of een deel van een halve kalendermaand verschuldigd, ongeacht of gebruik is gemaakt van het reisrecht. De eerste helft van een kalendermaand loopt tot en met de vijftiende dag van een maand. De tweede helft loopt tot en met het einde van die maand.

3. Het eerste lid is niet van toepassing op een periode waarin het niet tijdig beëindigen van het reisrecht aantoonbaar niet kan worden toegerekend aan degene aan wie het reisrecht is toegekend.

4. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld met betrekking tot de wijze van beëindigen van het reisrecht, en kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop en het tijdstip waarvoor de niet-toerekenbaarheid, bedoeld in het derde lid, moet worden aangetoond.”


Artikel 4.2, eerste lid, van de Regeling studiefinanciering 2000 luidde tot en met 30 november 2012:

“Het reisrecht wordt beëindigd door deactivering daarvan:

a. bij de Minister via de website www.ocwduo.nl, of

b. vanaf een door de Minister nader te bepalen tijdstip bij een daartoe bestemde automaat van het vervoerbedrijf.”


Artikel 4.2, eerste en tweede, van deze regeling luidt nadien:

“1. Het reisrecht wordt beëindigd door het reisproduct dat op de ov-chipkaart is geladen, stop te zetten.

2. Het reisproduct wordt stopgezet bij een daartoe bestemde automaat van de vervoersbedrijven.”


4.4.

De Raad stelt voorop dat de door de minister aan appellant opgelegde OV-schuld voortvloeit uit het bepaalde in artikel 3.27, tweede lid, van de Wsf 2000. Hierin heeft de wetgever dwingend voorgeschreven dat in het geval van het ten onrechte beschikken over een op een OV-chipkaart geactiveerd reisproduct, de studerende een gefixeerd bedrag verschuldigd is.


4.5.

Uit de onder 4.3 opgenomen bepalingen volgt dat de situatie waarin een studerende beschikt over een op een OV-chipkaart geactiveerd reisrecht uitsluitend kan wijzigen indien het reisrecht op de voorgeschreven wijze wordt beëindigd.


4.6.

Niet in geschil is dat appellant vanaf 31 december 2012 geen aanspraak had op een reisrecht en dat hij op 13 november 2013 het reisproduct op de voorgeschreven wijze heeft stopgezet. De omstandigheid dat appellant bij de onder 1.5 genoemde brieven van 30 mei en

9 juli 2012 de minister heeft geschreven het studentenreisproduct te willen stopzetten maakt vorenstaande niet anders. Zoals de rechtbank ook heeft overwogen heeft de minister deze brieven immers niet ontvangen en kan appellant de verzending daarvan niet aantonen. Gelet hierop was appellant op grond van het eerste en tweede lid van artikel 3.27 van de Wsf 2000 voor de tussenliggende periode een halfmaandelijks bedrag verschuldigd van € 97,-. De rechtbank heeft dan ook - uitgaande van het hiervoor geschetste wettelijk systeem - terecht geoordeeld dat appellant over de maand september 2013 een bedrag verschuldigd is geworden van € 194,-.


4.7.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de veronderstelling van appellant dat hij het reisproduct heeft stopgezet door een brief (of brieven) te verzenden aan de minister geen situatie oplevert waarin het niet tijdig beëindigen van het reisrecht hem aantoonbaar niet kan worden toegerekend. Hierbij acht de Raad van belang dat de minister appellant in vele berichten, zoals vermeld onder 1.1 tot en met 1.4, heeft geïnformeerd over het voortduren van het reisproduct.


4.8.

Zoals de Raad in zijn uitspraak van 2 juli 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2824, heeft geoordeeld, is de krachtens artikel 3.27, tweede lid, van de Wsf 2000 vastgestelde OV-schuld niet aan te merken als een (bestuurlijke) boete of daarmee gelijk te stellen punitieve sanctie, maar reparatoir van aard. In zoverre stelt appellant ten onrechte dat aan hem een boete is opgelegd.


4.9.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet daarom worden bevestigd.


5. Nu de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit in stand blijven is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij als voorzitter en M.F. Wagner en J.P.A. Boersma als leden, in tegenwoordigheid van J.C. Hoogendoorn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 april 2015.




(getekend) H.J. de Mooij




(getekend) J.C. Hoogendoorn



IvR