Centrale Raad van Beroep, 26-05-2015 / 14-1805 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:1658

Inhoudsindicatie
Intrekking bijstand. Afwijzing aanvraag langdurigheidstoeslag. Schending inlichtingenverplichting. Betrokkene heeft meer uren gewerkt dan hij heeft opgegeven.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-05-26
Publicatiedatum
2015-06-01
Zaaknummer
14-1805 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/1805 WWB, 14/6659 WWB

Datum uitspraak: 26 mei 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Noord-Nederland van 13 februari 2014, 13/2213 (aangevallen uitspraak 1) en van 23 oktober 2014, 14/1276 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

het college van burgemeester en wethouders van Leeuwarden (appellant)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroepen ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. J.J. Achterveld, advocaat, verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 april 2015. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J. Krol. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door

mr. Achterveld.

OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Betrokkene ontving vanaf 13 september 2007 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Op 28 maart 2008 trad hij in dienst van [werkgever] (werkgever) als kok bij restaurant [P.] te [plaats]. Appellant heeft de in overeenstemming met de loonopgaven/salarisspecificaties opgegeven inkomsten hieruit op de bijstand van betrokkene in mindering gebracht. In het kader van het Project parttime inkomsten hebben toezichthouders van de afdeling Handhaving van de gemeente Leeuwarden op 19 november 2012 een onderzoek gestart naar de parttime inkomsten van betrokkene. In dat kader hebben de toezichthouders onder meer dossieronderzoek verricht, registraties geraadpleegd, observaties verricht en betrokkene en de werkgever op 6 februari 2013 gehoord. De resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 7 februari 2013.


1.2.

De onderzoeksbevindingen hebben voor appellant aanleiding gevormd om bij besluit van 5 maart 2013 de bijstand van betrokkene met ingang van 1 januari 2011 in te trekken, met uitzondering van de periode van 1 januari 2012 tot en met 31 maart 2012. Appellant heeft hieraan ten grondslag gelegd dat betrokkene meer uren heeft gewerkt dan hij heeft opgegeven. Dit geldt niet voor de maanden januari, februari en maart 2012, omdat appellant het aannemelijk acht dat betrokkene in verband met een auto-ongeluk niet heeft gewerkt. Door de schending van de inlichtingenverplichting is het recht op bijstand niet vast te stellen.


1.3.

Bij besluit van 18 juli 2013 (bestreden besluit 1) heeft appellant het bezwaar tegen het besluit van 5 maart 2013 ongegrond verklaard.


1.4.

Op 24 september 2013 heeft betrokkene een aanvraag om een langdurigheidstoeslag over 2013 ingediend. Bij besluit van 16 oktober 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van

29 januari 2014 (bestreden besluit 2), heeft appellant deze aanvraag afgewezen. Appellant heeft hieraan ten grondslag gelegd dat volgens een uitspraak van 1 oktober 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:1897), bij een schending van de inlichtingenverplichting in de referteperiode niet is vast te stellen of is voldaan aan de voorwaarden voor het recht op langdurigheidstoeslag.


2.1.

Bij aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond verklaard, bestreden besluit 1 vernietigd en het besluit van 5 maart 2013 herroepen. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de conclusie van appellant dat betrokkene de inlichtingenverplichting heeft geschonden op een onvoldoende feitelijke grondslag berust. Appellant heeft het standpunt dat betrokkene meer uren heeft gewerkt onderbouwd met de verklaringen van betrokkene en zijn werkgever van 6 februari 2013. Appellant had echter in de verklaring van betrokkene dat de door hem opgegeven uren die hij gewerkt heeft in 2011 en 2012 niet correct zijn, aanleiding moeten zien om door te vragen naar de concrete (werk)situatie in de periode in geding. De rechtbank heeft daarbij mee laten wegen dat betrokkene heeft verklaard dat hij ook wel eens voor de gezelligheid op het werk kwam en dat geen controleerbare en verifieerbare gegevens voorhanden zijn van de waarnemingen, zodat die waarnemingen niet langer ten grondslag zijn gelegd aan bestreden besluit 1.


2.2.

Bij aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 2 gegrond verklaard, bestreden besluit 2 vernietigd en bepaald dat aan betrokkene een langdurigheidstoeslag moet worden toegekend. De rechtbank is niet tot een ander oordeel gekomen dan in aangevallen uitspraak 1, zodat betrokkene niet kan worden tegengeworpen dat hij de inlichtingenverplichting heeft geschonden en niet voldoet aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor langdurigheidstoeslag.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraken gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


Aangevallen uitspraak 1


4.1.

Appellant heeft de intrekking niet beperkt tot een bepaalde periode. In een dergelijk geval bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het intrekkingsbesluit. Dat betekent dat hier ter beoordeling voorligt de periode van 1 januari 2011 tot en met

31 december 2011 en de periode van 1 april 2012 tot en met 5 maart 2013.


4.2.

De beroepsgrond dat gelet op de verklaringen van betrokkene en de werkgever voldoende feitelijke grondslag voorhanden is voor de schending van de inlichtingenverplichting omdat betrokkene in de te beoordelen periode meer uren heeft gewerkt dan hij heeft opgegeven en uit deze verklaringen ook blijkt dat is doorgevraagd, slaagt. De verklaring van de werkgever dat de uren die betrokkene via de loonspecificaties heeft doorgegeven niet overeenkomen met de gewerkte uren in 2011 en 2012, stemt overeen met de verklaring van betrokkene dat de door hem opgegeven gewerkte uren in 2011 en 2012 niet correct zijn. Zowel de werkgever als betrokkene heeft hieraan toegevoegd dat betrokkene meer heeft gewerkt. Verder heeft de werkgever verklaard dat betrokkene vanaf 2008 tot het ongeluk in januari of februari 2012

40, 50 tot 60 uur in de maand heeft gewerkt. Ook heeft de werkgever verklaard over de dagen en tijdstippen waarop betrokkene na het ongeluk in januari of februari 2012 doorgaans werkzaam was. Deze verklaring komt overeen met de verklaring van betrokkene inhoudende dat hij met name op vrijdag, zaterdag en zondag werkte en het soms een paar uurtjes door de week overneemt van de werkgever. De werkgever heeft verder verklaard dat betrokkene de maanden juni, juli en augustus 2012 alleen in het weekend heeft gewerkt. Ten aanzien van de maand januari 2013 heeft betrokkene verklaard 20 tot 24 uur te hebben gewerkt. De door betrokkene opgegeven gewerkte uren stemmen hier niet mee overeen. Betrokkene heeft in de periode voor het ongeluk, te weten het jaar 2011, opgegeven dat hij 20, 30 of 40 uur per maand heeft gewerkt, terwijl dit gelet op voornoemde verklaringen minimaal 40 uur per maand is geweest en hij derhalve in die periode soms twee of drie keer het aantal uren heeft gewerkt dan hij heeft opgegeven. Daarnaast komen de door de werkgever genoemde dagen en tijdstippen dat betrokkene na het ongeluk in 2012 en 2013 heeft gewerkt, te weten vrijdag, zaterdag en zondag, doorgaans van 17.00 uur tot 20.00 uur, neer op een gemiddeld aantal uren van 36 per maand, terwijl betrokkene in die periode heeft opgegeven 15 tot 20 uur per maand te hebben gewerkt. Ook heeft betrokkene in de maanden juni en juli 2012 opgegeven niet te hebben gewerkt, terwijl de werkgever heeft verklaard dat betrokkene die maanden in de weekenden heeft gewerkt. De verklaring van betrokkene over het aantal door hem gewerkte uren in de maand januari 2013 komt evenmin overeen met zijn opgave van 15 gewerkte uren.


4.3.

Het betoog van betrokkene dat de onder 4.2 genoemde verklaringen op zodanig onzorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen dat deze niet ten grondslag mogen worden gelegd aan het bestreden besluit, slaagt niet. Zowel de werkgever als betrokkene heeft deze verklaringen nadat deze zijn voorgelezen, ondertekend. Dat in de verklaring van betrokkene ook is opgenomen dat de toezichthouders hem hebben verteld dat de bijstand wordt beëindigd, doet aan de verdere inhoud van zijn verklaring niets af. Dat de nummering van de verklaringen niet altijd even logisch is laat onverlet dat duidelijk is in welke volgorde de verklaringen zijn afgelegd en opgesteld en wat de volgorde is van de verschillende bladzijden van die verklaringen. De stelling van betrokkene dat geen sprake is van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte verklaringen is ter zitting van de rechtbank door de gemachtigde van appellant weersproken met de opmerking dat de verklaringen zijn opgesteld door toezichthouders van de afdeling Handhaving die, zoals alle andere ambtenaren, de eed of belofte hebben afgelegd. De Raad heeft geen aanleiding hieraan te twijfelen, te meer nu betrokkene ter zitting overeenkomstig de verklaring van de werkgever heeft verklaard dat hij 40, 50 tot 60 uur in de maand heeft gewerkt.


4.4.

Nu betrokkene in de te beoordelen periode heeft opgegeven slechts 15, 20, 30 dan wel

40 uren per maand te hebben gewerkt staat vast dat hij de inlichtingenverplichting heeft geschonden. Betrokkene heeft in de gehele te beoordelen periode meer uren gewerkt dan hij aan het college heeft doorgegeven.


4.5.

Uit 4.4 volgt dat reeds hierom geen betekenis toekomt aan de stelling van betrokkene dat hij voor de gezelligheid meer uren op het werk verbleef en ook op andere dagen langs kwam.


4.6.

Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan betrokkene om aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de desbetreffende periode recht op aanvullende bijstand zou hebben gehad. Betrokkene heeft zijn stelling dat de werkgever de gewerkte uren heeft bijgehouden en dat hij dit zelf bijhield in de periode dat de werkgever op vakantie was, niet onderbouwd met objectieve en verifieerbare gegevens. Aangezien de omvang van de daadwerkelijk gewerkte uren niet is vast te stellen, heeft appellant zich terecht op het standpunt gesteld dat het recht op bijstand niet is vast te stellen.


4.7.

Nu het hoger beroep gelet op wat hiervoor is overwogen slaagt, behoeft de beroepsgrond dat ook de waarnemingen het standpunt van appellant ondersteunen geen bespreking.


4.8.

De rechtbank heeft wat in 4.2 tot en met 4.6 is overwogen niet onderkend. Aangevallen uitspraak 1 moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond worden verklaard.


Aangevallen uitspraak 2


4.9.

Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat betrokkene de inlichtingenverplichting heeft geschonden. Als gevolg daarvan is in de referteperiode voor het recht op langdurigheidstoeslag, welke periode loopt van 1 januari 2008 tot en met 31 december 2012, over het gehele kalenderjaar 2011 en van 1 april 2012 tot en met 31 december 2012 het recht op bijstand niet vast te stellen. Dit betekent dat evenmin kan worden vastgesteld of betrokkene voldoet aan de voorwaarden voor het recht op langdurigheidstoeslag. Appellant heeft daarbij terecht verwezen naar de onder 1.4 genoemde uitspraak van 1 oktober 2013.


4.10.

Uit 4.9 volgt dat het hoger beroep slaagt. Aangevallen uitspraak 2 zal worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen

bestreden besluit 2 ongegrond verklaren.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


- vernietigt de aangevallen uitspraken;

- verklaart de beroepen ongegrond.



Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel als voorzitter en M. Hillen en G.M.G. Hink als leden, in tegenwoordigheid van R.G. van den Berg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2015.




(getekend) W.H. Bel




(getekend) R.G. van den Berg




HD