Centrale Raad van Beroep, 28-05-2015 / 14-1693 AW


ECLI:NL:CRVB:2015:1662

Inhoudsindicatie
Ontslag wegens plichtsverzuim bestaande uit het zich veelvuldig niet te hebben gehouden aan de verplichtingen in verband met ziekte. Het functioneren van appellant leverde voorafgaand aan de verweten gedragingen geen aanwijzing op voor twijfel aan zijn geestelijke gezondheidstoestand, zodat de minister niet gehouden was om daar een nader onderzoek naar in te stellen. De door appellant ingebrachte rapportages van de GZ-psychologen bieden ook geen grond voor het oordeel dat het plichtsverzuim hem niet of in verminderde mate is toe te rekenen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-05-28
Publicatiedatum
2015-06-04
Zaaknummer
14-1693 AW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/1693 AW, 14/1749 AW

Datum uitspraak: 28 mei 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

13 februari 2014, 13/3547 en 13/7721 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Veiligheid en Justitie (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S.G. Volbeda, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 april 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Volbeda. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M.J.A. de Bruijn en A.H.G. van Mil.

OVERWEGINGEN


1.1.

Voor een uitgebreider overzicht van de feiten verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak en naar de uitspraak van de voorzieningenrechter van 11 juli 2013, 13/3480 en 13/3549. Hij volstaat hier met het volgende.


1.2.

Appellant was vanaf 1 augustus 2007 werkzaam in de functie van administratief medewerker bij het Shared Service Centre, Dienst Justitiële Inrichtingen (SSC DJI) [locatie].


1.3.

Na een verkeersongeval in juli 2011 is appellant in oktober 2011 (gedeeltelijk) uitgevallen met lichamelijke klachten. In het kader van een multidisciplinair onderzoek bij Winnock Zorg BV (Winnock) op 26 maart 2012 heeft hij contact gehad met een

re-integratiedeskundige, een psycholoog en een medisch specialist. Daarbij zijn zijn klachten gedefinieerd als chronische nekpijn en lage rugpijn. Van 23 april 2012 tot 18 mei 2012 heeft appellant bij Winnock een traject doorlopen. Blijkens het evaluatieverslag van Winnock van 29 mei 2012 heeft appellant daarna zijn werkzaamheden gedeeltelijk hervat met de bedoeling om in drie weken weer volledig aan het werk te gaan. Na een por in zijn rug bij een partijtje voetbal op 4 juni 2012 zijn de klachten van appellant toegenomen en is hij op 5 juni 2012 weer volledig uitgevallen.


1.4.

Na onderzoek van appellant hebben de beweging-/re-integratiedeskundige en de medisch specialist van Winnock op 11 juni 2012 en de bedrijfsarts op 18 juni 2012 geoordeeld dat er geen bezwaar was tegen werkhervatting. Op 13 juni 2012 is appellant niet verschenen op een vervolgafspraak bij Winnock. Op 28 juni 2012 heeft hij bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) een deskundigenoordeel aangevraagd over zijn arbeids(on)geschiktheid. Op 2 juli 2012 is hij niet verschenen op een gesprek met zijn leidinggevende over werkhervatting, ondanks de waarschuwing dat dat geïnterpreteerd zou worden als het niet meewerken aan zijn re-integratie en zou kunnen leiden tot stopzetting van de bezoldiging. Op 16 juli 2012 heeft appellant, die op 12 juli 2012 opnieuw was gewaarschuwd, zijn werkzaamheden hervat en heeft zich na drie uur weer ziek gemeld. In het deskundigenoordeel van 18 juli 2012 heeft het UWV bevestigd dat appellant het door de bedrijfsarts op 18 juni 2012 geadviseerde werk kon doen. Vervolgens heeft appellant het werk weer hervat.


1.5.

Op 18 oktober 2012 heeft appellant zich ziek gemeld wegens rugklachten. Op 19 oktober 2012 is hij niet verschenen op de spoedcontrole bij de bedrijfsarts, met als opgegeven reden dat het die dag zijn roostervrije- en papadag was. Na een dienstopdracht daartoe heeft appellant op 25 oktober 2012 de bedrijfsarts bezocht, die hervatting van de werkzaamheden adviseerde vanaf 29 oktober 2012. Zonder zijn leidinggevende daarover te informeren heeft appellant op 29 oktober 2012 het werk niet hervat.


1.6.

Bij besluit van 30 oktober 2012 heeft de minister de volledige bezoldiging van appellant met onmiddellijke ingang stop laten zetten en te kennen gegeven dat bij volharding in het niet hervatten van de werkzaamheden nadere maatregelen worden overwogen, waarbij ontslag niet is uitgesloten.


1.7.

In een gesprek op 13 november 2012 tussen appellant, zijn raadsman, de algemeen directeur van SSC DJI en de HR-adviseur heeft appellant te kennen gegeven dat zijn nieuwe leidinggevende zijn functioneren in twijfel trekt en dat hij de afgelopen twee jaar veel heeft meegemaakt; hij is gescheiden, zijn opa is overleden en hij was slachtoffer van een verkeersongeluk. Door de hele situatie stelt hij depressief te zijn geraakt. Afgesproken is dat appellant zijn re-integratiewerkzaamheden vanaf 14 november 2012 voort zal zetten. Het besluit tot stopzetting van de volledige bezoldiging zal dan niet worden geëffectueerd. Appellant heeft de werkzaamheden op 14 november 2012 hervat, maar zich diezelfde dag opnieuw ziek gemeld.


1.8.

Op 14 december 2012 heeft de minister zijn voornemen kenbaar gemaakt om appellant de disciplinaire maatregel van ontslag op te leggen dan wel, subsidiair, appellant ontslag te verlenen wegens functionele ongeschiktheid. Bij besluit van eveneens 14 december 2012 heeft de minister appellant met onmiddellijke ingang geschorst en hem de toegang tot de dienstgebouwen en het werk ontzegd.


1.9.

Bij besluit van 8 mei 2013 heeft de minister aan appellant met onmiddellijke ingang de disciplinaire maatregel van ontslag opgelegd als bedoeld in artikel 81, eerste lid, aanhef en onder l, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR), wegens plichtsverzuim bestaande uit het zich veelvuldig niet te hebben gehouden aan de verplichtingen in verband met ziekte conform artikel 40a, eerste lid, aanhef en onder f, g, i, j, p en q van het ARAR. De subsidiaire ontslaggrond heeft hij gewijzigd in ontslag wegens ernstig verstoorde verhoudingen.


1.10.

Bij besluit van 12 juni 2013 (bestreden besluit 1) heeft de minister de bezwaren tegen de besluiten van 30 oktober 2012 en 14 december 2012 ongegrond verklaard.


1.11.

Bij besluit van 29 oktober 2013 (bestreden besluit 2) heeft de minister het bezwaar tegen het ontslagbesluit van 8 mei 2013 ongegrond verklaard. De minister heeft appellant de volgende gedragingen verweten:

1. Het niet opvolgen van de adviezen over aangepaste werkhervatting van Winnock van 29 mei 2012 en van de bedrijfsarts van 18 juni 2012, zoals bevestigd door het deskundigenoordeel van het UWV van 18 juli 2012;

2. Op 13 juni 2012 geen gehoor geven aan de oproep voor een vervolggesprek bij Winnock;

3. Op 19 oktober 2012 geen gehoor geven aan de oproep om bij de bedrijfsarts te verschijnen;

4. Het zonder bericht en ondanks het advies van de bedrijfsarts niet hervatten van het werk op 29 oktober 2012;

5. Op 14 november 2012 de werkzaamheden hervatten conform afspraak, maar zich dezelfde dag opnieuw ziek melden.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.


3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat geen sprake is van plichtsverzuim. Appellant heeft geschetst waarom de gedragingen hem niet verweten kunnen worden. Hij is sinds medio 2010 ernstig depressief, waardoor hij om medische redenen niet in staat was te re-integreren en de ontoelaatbaarheid van zijn gedrag niet heeft kunnen inzien. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft hij verwezen naar de medische rapportages van de GZ-psychologen A. te Koppele van 6 december 2012 en H.J. de Gelder-Lengkeek van

16 april 2013. Volgens appellant had het op de weg van de minister gelegen om hem te laten onderzoeken door een psychiater. Hij heeft verder aangevoerd dat de opgelegde disciplinaire maatregel van ontslag onevenredig is en dat volstaan had kunnen worden met een berisping of een voorwaardelijk ontslag. Tegen bestreden besluit 1 heeft appellant geen aparte gronden aangevoerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting heeft appellant de hem verweten gedragingen begaan. Deze gedragingen kunnen worden aangemerkt als plichtsverzuim. Wat appellant hierover heeft aangevoerd leidt op grond van wat onder 4.1.1 tot en met 4.1.5 zal worden overwogen niet tot een ander oordeel.


4.1.1.

Volgens zowel het multidisciplinaire team van Winnock, als de bedrijfsarts en de verzekeringsgeneeskunde van het UWV was appellant in staat om vanaf 18 juni 2012 zijn werkzaamheden (gedeeltelijk) te hervatten. Hij heeft eigenmachtig niet aan de opdracht tot werkhervatting voldaan. De door appellant ingebrachte rapportages van de GZ-psychologen zijn van na de periode in geding en bieden geen steun voor het standpunt van appellant dat hij om medische redenen niet kon hervatten. Appellant was uitgevallen met nek- en rugklachten en uit het verloop van zijn arbeids(on)geschiktheid blijkt niets van psychische klachten. Er was voor de minister dan ook geen aanleiding om een psychiater in te schakelen. Dat appellant mogelijk de situatie tussen hem en zijn leidinggevende, die hij heeft ervaren als pesten, met de bedrijfsarts heeft besproken, maakt dit niet anders.


4.1.2.

Appellant heeft aangevoerd dat hij op 13 juni 2012 niet meer naar Winnock is gegaan, omdat de re-integratiedeskundige volgens de bedrijfsarts had gezegd dat zij appellant naar de bushalte had zien hollen. Dit is geen deugdelijke grond om geen gehoor te geven aan de oproep voor het vervolggesprek.


4.1.3.

De omstandigheid dat appellant op 19 oktober 2012 een roostervrije dag had en zijn zoontje verzorgde is op zichzelf geen deugdelijke grond om die dag niet te verschijnen bij de bedrijfsarts. Appellant had zijn driejarige zoontje kunnen meenemen of een oppas kunnen regelen. Hij heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit niet mogelijk was.


4.1.4.

De wens van appellant om het onderzoek van een specialist van de Sint Maartenskliniek af te wachten is geen geldige reden om het werk op 29 oktober 2012 niet te hervatten. Overigens blijkt uit het dossier niet of en, zo ja, wanneer appellant bij de Sint Maartenskliniek is geweest en wat de bevindingen waren.


4.1.5.

De bij zijn terugkeer op het werk op 14 november 2012 mogelijk bestaande onduidelijkheid over wat er van hem werd verwacht, wat voor appellant stress opleverde, had hij met zijn leidinggevende behoren te bespreken en is in de gegeven omstandigheden geen geldige reden om zich direct weer ziek te melden.


4.2.

Zoals hiervoor onder 4.1.1 al is overwogen, leverde het functioneren van appellant voorafgaand aan de verweten gedragingen geen aanwijzing op voor twijfel aan zijn geestelijke gezondheidstoestand, zodat de minister niet gehouden was om daar een nader onderzoek naar in te stellen. De door appellant ingebrachte rapportages van de

GZ-psychologen bieden ook geen grond voor het oordeel dat het plichtsverzuim hem niet of in verminderde mate is toe te rekenen. Op grond daarvan kan niet worden geconcludeerd dat appellant de ontoelaatbaarheid van zijn gedrag niet heeft ingezien of, als hij dat wel heeft ingezien, niet overeenkomstig dat inzicht heeft kunnen handelen. Te Koppele heeft appellant voor het eerst op 3 december 2012 gezien en zijn huisarts geadviseerd om appellant voor het stellen van de diagnose depressie te verwijzen naar een psychiater. Dat is niet gebeurd. De informatie van De Gelder-Lengkeek betreft een behandelplan van 16 april 2013, ruim na de periode in geding.


4.3.

Nu het plichtsverzuim appellant kan worden toegerekend was de minister bevoegd om appellant daarvoor disciplinair te straffen. Met het geheel van de verweten gedragingen heeft appellant zich schuldig gemaakt aan plichtsverzuim dat de oplegging van de zwaarste disciplinaire maatregel van onvoorwaardelijk ontslag rechtvaardigt. Ondanks waarschuwingen en het inhouden van zijn bezoldiging heeft hij immers eigenmachtig in zijn gedrag volhard.


4.4.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit 1 geen aparte gronden ingediend. De Raad ziet geen aanleiding om dit besluit te bespreken.

Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door J.N.A. Bootsma als voorzitter en J.J.A. Kooijman en

M.C.D. Embregts als leden, in tegenwoordigheid van J.L. Meijer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2015.




(getekend) J.N.A. Bootsma




(getekend) J.L. Meijer




HD