Centrale Raad van Beroep, 28-05-2015 / 14-967 AW


ECLI:NL:CRVB:2015:1666

Inhoudsindicatie
Ontslag op grond van onbekwaamheid of ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking, anders dan op grond van ziekte of gebreken. Weigering nawettelijke uitkering. Nu appellant in zijn algemene functioneren tekortschoot en daarnaast ongepast gedrag vertoonde jegens zijn vrouwelijke collega’s, is er voldoende feitelijke grondslag voor het oordeel dat appellant ongeschikt is voor de vervulling van zijn betrekking. Appellant is op beide punten eerder aangesproken en hem is de gelegenheid geboden zich te verbeteren. Dit betekent dat is voldaan aan de voorwaarden voor ontslag op grond van onbekwaamheid of ongeschiktheid voor de functievervulling. Het dagelijks bestuur heeft zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat het ontslag van appellant niet gelegen is in omstandigheden binnen de werksfeer, maar grotendeels is te wijten aan appellant. Het dagelijks bestuur heeft daarom terecht besloten geen nawettelijke uitkering toe te kennen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-05-28
Publicatiedatum
2015-06-04
Zaaknummer
14-967 AW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht



Vindplaatsen
Uitspraak

14/967 AW

Datum uitspraak: 28 mei 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 8 januari 2014, 13/195 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het dagelijks bestuur van De Kompanjie (dagelijks bestuur)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R. Wubs hoger beroep ingesteld.

Namens het dagelijks bestuur heeft mr. M.J.F. Nuijens, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 april 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Wubs. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. Nuijens, M.A. Swenne en Y.J.R. van Sprundel.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellant was sinds 1 februari 1985 werkzaam bij de gemeente Veendam, laatstelijk in de functie van bode interne dienst. Per 1 februari 2011 is appellant geplaatst in de functie van medewerker facilitair A bij openbaar lichaam De Kompanjie, dat is voortgekomen uit de samenvoeging van de ambtelijke organisaties van de gemeenten Pekela en Veendam.


1.2.

In juni 2009 hebben twee vrouwelijke collega’s van appellant, R en W, bij hun leidinggevende S gemeld dat sprake was van ongepast gedrag door appellant jegens hen. Tevens waren er aanmerkingen op het algemene functioneren van appellant.


1.3.

S heeft appellant aangesproken op zijn gedrag jegens zijn vrouwelijke collega’s en zijn functioneren in het algemeen, waarna een individueel (coachings)traject is gevolgd en gesprekken hebben plaatsgevonden tussen appellant, leidinggevende S en de collega’s R en W. Op 1 december 2010 is in een gesprek geconcludeerd dat appellant zijn gedrag en functioneren heeft verbeterd.


1.4.

Blijkens het beoordelingsformulier van 11 mei 2012 was het functioneren van appellant over 2011 op de punten gedrag en werkhouding, mondelinge en schriftelijke uitdrukkingsvaardigheid, interne en externe contacten en organisatie van het werk niet geheel volgens de gestelde eisen. Appellant heeft dit beoordelingsformulier voor akkoord getekend.


1.5.

Op 14 mei 2012 heeft collega W zich ziek gemeld. Blijkens het verslag van het verzuimgesprek tussen W en S heeft W te kennen gegeven dat zij zich niet veilig voelt op het werk in de aanwezigheid van appellant, dat hij ongewenst lichamelijk contact maakt en seksueel getinte opmerkingen maakt.


1.6.

Blijkens een gespreksverslag van 14 juni 2012 heeft collega H tegen S gezegd dat appellant tijdens het werk ongewenst lichamelijk contact zoekt en seksueel getinte opmerkingen maakt.


1.7.

Op 19 juni 2012 heeft een gesprek plaatsgevonden met appellant. Aangekondigd is dat onderzoeksbureau GIMD een onderzoek zal instellen.


1.8.

Op 2 juli 2012 heeft M.J. Weitenberg van GIMD een rapport ‘Onderzoek ongewenst gedrag bij de Kompanjie, Veendam’ opgesteld. Als bijlagen bij het rapport zijn


gespreksverslagen gevoegd van gesprekken die zijn gevoerd met appellant, leidinggevende S, en collega’s W en H.


1.9.

Bij besluit van 30 juli 2012 heeft het dagelijks bestuur appellant geschorst en de toegang tot de werkruimtes ontzegd.


1.10.

Op 3 augustus 2012 heeft het dagelijks bestuur aan appellant het voornemen kenbaar gemaakt hem eervol ontslag te verlenen op grond van onbekwaamheid of ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking, anders dan op grond van ziekte of gebreken. Het dagelijks bestuur legt daaraan ten grondslag dat het appellant aan eigenschappen, mentaliteit en instelling ontbreekt die voor het op goede wijze vervullen van de functie vereist zijn. Daarbij heeft het dagelijks bestuur gewezen op de onvoldoende beoordeling over 2011, terwijl appellant ook in 2009 is aangesproken op zijn functioneren. Daarnaast heeft het dagelijks bestuur gewezen op het ongewenste gedrag van appellant jegens zijn vrouwelijke collega’s, terwijl appellant ook in 2009 is aangesproken op dit gedrag. Appellant heeft zijn zienswijze op dit voornemen gegeven.


1.11.

Het dagelijks bestuur heeft bij besluit van 28 september 2012 appellant ontslag verleend, primair op grond van artikel 8:6 van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling en Uitwerkingsovereenkomst (CAR/UWO), waarbij een re-integratiefase van twaalf maanden is toegekend. Tevens is bepaald dat appellant na afloop van de re-integratiefase aanspraak maakt op een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) en een aanvullende uitkering. Er is geen nawettelijke uitkering toegekend. Subsidiair heeft het dagelijks bestuur appellant ontslag verleend op grond van artikel 8:8 van de CAR/UWO wegens een onherstelbare verstoorde vertrouwens- en arbeidsrelatie.


1.12.

Het dagelijks bestuur heeft het bezwaar bij besluit van 24 december 2012 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.


2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Geoordeeld is dat genoegzaam vaststaat dat appellant zich schuldig heeft gemaakt aan ongewenste omgangsvormen in de richting van zijn twee vrouwelijke collega’s. Omdat appellant in 2009 al nadrukkelijk is gewaarschuwd voor dit gedrag, is de rechtbank van oordeel dat het dagelijks bestuur reeds op grond hiervan heeft kunnen concluderen dat appellant ongeschikt is voor zijn functie en hem eervol ontslag heeft kunnen verlenen. Het dagelijks bestuur heeft daarbij kunnen afzien van het toekennen van een nawettelijke uitkering.


3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad als volgt.


3.1.

Volgens vaste rechtspraak moet ongeschiktheid voor een functie zich uiten in het ontbreken van eigenschappen, mentaliteit en instelling die voor het op goede wijze vervullen van de functie zijn vereist en worden aangetoond aan de hand van concrete gedragingen. Van ontslag wegens ongeschiktheid zal niet eerder sprake kunnen zijn dan nadat de betrokken ambtenaar op zijn functioneren is aangesproken en in de gelegenheid is gesteld om dit te verbeteren, zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 20 oktober 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU1926.


3.2.

Het dagelijks bestuur heeft het ontslag van appellant wegens ongeschiktheid voor zijn functie aan de ene kant gebaseerd op zijn functioneren in het algemeen en aan de andere kant op het ongepaste gedrag van appellant jegens zijn twee vrouwelijke collega’s. Met het dagelijks bestuur en anders dan appellant overweegt de Raad dat er voldoende grondslag is voor het oordeel dat het algemene functioneren van appellant tekortschoot. Vast staat dat de beoordeling over 2011 onvoldoende was. Blijkens deze beoordeling is appellant aangesproken op persoonlijke effectiviteit, communicatie en op zijn gebrek aan dienstverlenende instelling in zowel interne als externe contacten, waarbij concrete voorbeelden zijn gegeven. Te kennen is gegeven dat vooral zijn houding en gedrag verbetering behoefde. Dat deze beoordeling niet aan appellant zou zijn toegezonden, maakt niet dat niet van de inhoud van deze beoordeling kan worden uitgegaan, nu appellant het beoordelingsformulier zelf voor akkoord heeft ondertekend. Indien hij zich niet kon vinden in deze beoordeling had het op zijn weg gelegen bezwaar te maken, wat hij heeft nagelaten. Voorts is appellant in 2009 door leidinggevende S ook al op zijn functioneren aangesproken, waarbij het ging om dezelfde punten die op

11 mei 2012 als onvoldoende zijn beoordeeld. Dit was in 2009 aanleiding voor een intensief (coachings)traject, waarbij appellant de gelegenheid heeft gekregen zijn functioneren te verbeteren. Hoewel appellant, zoals door het dagelijks bestuur wordt beaamd, zijn functioneren aanvankelijk heeft verbeterd, heeft hij deze verbetering niet kunnen vasthouden.


3.3.

Appellant is in 2009 tevens aangesproken op zijn ongepaste gedrag jegens zijn vrouwelijke collega’s. Uit het gespreksverslag van 10 juni 2009 blijkt dat collega’s R en W expliciet hebben meegedeeld waaruit dit ongepaste gedrag bestond. Blijkens het gespreksverslag van 23 juni 2009 is aan appellant duidelijk gemaakt dat dit gedrag niet wordt getolereerd. Hoewel appellant ook op dit punt aanvankelijk verbetering liet zien, is hij volgens de verklaringen van W en H in 2012 opnieuw in dit ongepaste gedrag vervallen. Er is geen aanleiding voor twijfel aan de juistheid en oprechtheid van de door W en H hierover afgelegde verklaringen. De verklaringen van W en H zoals opgenomen in het dossier zijn consistent en bovendien ter zitting van de rechtbank onder ede herhaald. De beroepsgrond van appellant dat het GIMD-rapport niet onafhankelijk en niet zorgvuldig tot stand is gekomen, waardoor kan worden getwijfeld aan de in dit rapport opgenomen verklaringen van W en H en de daaraan verbonden conclusies, slaagt niet. Dat GIMD ook het bedrijfsmaatschappelijk werk bij De Kompanjie verzorgt, maakt nog niet dat daarom geen sprake kan zijn geweest van een onafhankelijk en onbevooroordeeld onderzoek. Met het dagelijks bestuur wordt geoordeeld dat er in dit geval geen aanleiding was voor een breder onderzoek, door het horen van meer getuigen, omdat hetgeen is voorgevallen een herhaling was van wat ook al in 2009 was voorgevallen. Het standpunt van appellant dat het onderzoek onzorgvuldig was, omdat hij in eerste instantie niet wist waarvan hij werd beschuldigd en hij hiermee is overvallen, wordt evenmin gevolgd. Uit het gespreksverslag van 19 juni 2012 met leidinggevende S blijkt dat aan appellant is meegedeeld dat er signalen zijn binnengekomen van twee collega’s met betrekking tot seksueel getinte opmerkingen, handtastelijkheden en ongewenst lichamelijk contact. Tevens is meegedeeld dat dit aanleiding is voor een nader onderzoek door GIMD. Blijkens het gespreksverslag van onderzoekster Weitenberg van GIMD van 2 juli 2012 is appellant tijdens dit gesprek geconfronteerd met de verklaringen van W en H en in de gelegenheid gesteld om op deze verklaringen te reageren. Deze gang van zaken is niet onzorgvuldig.


3.4.

Met het dagelijks bestuur en de rechtbank wordt geoordeeld dat het gedrag van appellant, bestaande uit ongepaste aanrakingen en seksueel getinte opmerkingen, onacceptabel is binnen collegiale verhoudingen. Dat appellant naar eigen zeggen nooit de bedoeling had zich ongepast te gedragen jegens zijn collega’s, is hier niet van doorslaggevende betekenis. Omdat appellant in 2009 reeds uitdrukkelijk is gewaarschuwd, had hij ervan doordrongen moeten zijn dat zijn gedrag jegens zijn collega’s te allen tijde correct en zakelijk diende te zijn.


3.5.

Nu appellant in zijn algemene functioneren tekortschoot en daarnaast ongepast gedrag vertoonde jegens zijn vrouwelijke collega’s, is er voldoende feitelijke grondslag voor het oordeel dat appellant ongeschikt is voor de vervulling van zijn betrekking. Appellant is op beide punten eerder aangesproken en hem is de gelegenheid geboden zich te verbeteren. Dit betekent dat is voldaan aan de voorwaarden voor ontslag op grond van onbekwaamheid of ongeschiktheid voor de functievervulling als bedoeld in artikel 8:6, eerste lid, van de CAR/UWO en dat het dagelijks bestuur de bevoegdheid toekwam om appellant op die grond ontslag te verlenen.


3.6.

Ten aanzien van de beroepsgrond van appellant dat de rechtbank onvoldoende heeft gemotiveerd dat hij geen recht heeft op een nawettelijke uitkering, wordt gewezen op vaste rechtspraak van de Raad, bijvoorbeeld de uitspraak van 29 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:216. Hieruit volgt dat bij een ontslag wegens ongeschiktheid of onbekwaamheid alleen recht op nawettelijke uitkering bestaat als het ontslag is gelegen in de werksfeer en niet grotendeels te wijten is aan de werknemer. Gelet op wat onder 3.2 tot en met 3.5 is overwogen, heeft het dagelijks bestuur zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat het ontslag van appellant niet gelegen is in omstandigheden binnen de werksfeer, maar grotendeels is te wijten aan appellant. Het dagelijks bestuur heeft daarom terecht besloten geen nawettelijke uitkering toe te kennen. Het oordeel van de rechtbank daarover is dan ook juist.


3.7.

De Raad ziet ook overigens in wat is aangevoerd geen grond voor het oordeel dat het dagelijks bestuur in dit geval niet in redelijkheid van zijn ontslagbevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.


3.8.

Nu het ongeschiktheidsontslag in rechte standhoudt, komt de Raad niet toe aan beoordeling van de subsidiaire ontslaggrond.


4. Voor een veroordeling in de proceskosten in hoger beroep bestaat geen aanleiding.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma als voorzitter en N.J. van Vulpen-Grootjans en M.T. Boerlage als leden, in tegenwoordigheid van C. Moustaïne als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2015.




(getekend) C.H. Bangma




(getekend) C. Moustaïne




HD