Centrale Raad van Beroep, 20-05-2015 / 15-2892 WMO-VV


ECLI:NL:CRVB:2015:1668

Inhoudsindicatie
Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat verzoeker over onderdak beschikt. Tevens voldoet de door het college aangeboden bed-bad-brood voorziening aan wat door de voorzieningenrechter op 17 december 2014 is bepaald over welke opvangvoorzieningen in een voorkomende situatie minimaal dienen te worden geboden. Overweging ten overvloede.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-05-20
Publicatiedatum
2015-06-02
Zaaknummer
15-2892 WMO-VV
Procedure
Voorlopige voorziening
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

15/2892 WMO-VV

Datum uitspraak: 20 mei 2015

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening

Partijen:

[Verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens verzoeker heeft mr. E.C. Cerezo-Weijsenfeld, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam (rechtbank) van

13 augustus 2014, 14/4141 en 14/4424 (aangevallen uitspraak).

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Op 28 april 2015 heeft mr. W.G. Fischer een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.

OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de feiten en omstandigheden verwijst de voorzieningenrechter naar zijn uitspraak van 17 december 2014, 14/4754 (ECLI:NL:CRVB:2014:4261).


2. Ingevolge de artikelen 8:104, eerste lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of de voorzieningenrechter van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.


3. De voorzieningenrechter heeft in de bij 1 genoemde uitspraak een eerder verzoek om voorlopige voorziening afgewezen vanwege het ontbreken van een spoedeisend belang, aangezien verzoeker in voorlopige hechtenis was genomen.


4. Verzoeker is op 20 april 2014 uit de voorlopige hechtenis ontslagen. Het verzoek om voorlopige voorziening strekt ertoe dat het college wordt opgedragen verzoeker hangende het hoger beroep per direct hulp te bieden in de vorm van geld waarmee hij woonruimte kan huren. Volgens verzoeker kan het college deze middelen beschikbaar stellen op grond van een in maart 2014 door de gemeenteraad in het leven geroepen fonds met betrekking tot een proactief vreemdelingenbeleid. Verzoeker is ermee bekend dat het college een zogenaamde bed-bad-brood voorziening biedt en dat op grond van een GGD-advies andere arrangementen mogelijk zijn. Hij is van mening dat de bed-bad-brood voorziening voor hem niet geschikt is en dat er geen medische redenen zijn op grond waarvan hij voor een ander arrangement in aanmerking zou kunnen komen, zodat een GGD-advies volgens hem geen zin heeft. Hij wil voorkomen dat herhaling van een geweldsincident als gevolg waarvan hij in voorlopige hechtenis is genomen, plaatsvindt. Volgens hem is in zijn geval maatwerk geboden en dit kan het beste met geld worden bereikt.


5. Verzoeker verblijft momenteel bij een bejaarde mevrouw met een gering inkomen. Volgens verzoeker dient de Staat hem hulp te bieden en dient hij niet afhankelijk te zijn van een goedwillende bejaarde. Nu verzoeker over onderdak beschikt, bestaat er geen spoedeisend belang om hangende de bodemprocedure een voorlopige voorziening te treffen.


6. Voor het geval appellant uit huis wordt gezet, overweegt de voorzieningenrechter nog het volgende. In zijn uitspraken van 17 december 2014, ECLI:NL:CRVB:4179, en ECLI:NL:CRVB:2014:4178, heeft de voorzieningenrechter bepaald welke opvangvoorzieningen minimaal dienen te worden geboden in een voorkomende situatie. De door het college aangeboden bed-bad-brood voorziening voldoet hier aan. In de door verzoeker aangevoerde omstandigheden ziet de voorzieningenrechter geen aanknopingspunten om te oordelen dat verzoeker van deze voorzieningen in afwachting van de uitspraak in de bodemprocedure, geen gebruik zou kunnen maken.


7. Uit wat onder 5 en 6 is overwogen, volgt dat het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.


8. De voorzieningenrechter wijst - ten overvloede - nog op het volgende. Verzoeker stelt over een verblijfsvergunning te beschikken maar dat het nog enige tijd vergt voordat dit in plastic is gegoten. Gelet op zijn verblijfsstatus kan hij mogelijk aanspraak maken op andere (verderstrekkende) voorzieningen. Het is aan hem om dergelijke aanspraken via de daartoe geëigende kanalen aanhangig te maken.


9. Het verzoek om voorlopige voorziening is kennelijk ongegrond, zodat de voorzieningenrechter, gelet op artikel 8:83, derde lid, van de Awb uitspraak kan doen zonder zitting.


10. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.



Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij, in tegenwoordigheid van J.A. Achterberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2015.




(getekend) H.J. de Mooij




(getekend) J.A. Achterberg





NK