Centrale Raad van Beroep, 13-05-2015 / 12-3415 WIA


ECLI:NL:CRVB:2015:1669

Inhoudsindicatie
Op grond van ECLI:NL:CRVB:2015:53, waarin de rechtspraak ten aanzien van procesbelang verruimd is, heeft appellant in de hoogte van de pensioenpremie belang bij de beoordeling van zijn gronden. De medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit zijn juist. Er is sprake van overschrijding van de redelijke termijn in de rechterlijke fase.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-05-13
Publicatiedatum
2015-06-02
Zaaknummer
12-3415 WIA
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

12/3415 WIA

Datum uitspraak: 13 mei 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 4 mei 2012, 11/396 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te ̕ [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

de Staat der Nederlanden, de Minister van Veiligheid en Justitie (Staat)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L.P. Huis in ̕ t Veld hoger beroep ingesteld.

Nadat de gemachtigde van appellant zich heeft onttrokken aan de procedure heeft appellant aanvullende gronden van beroep ingediend en nadere stukken in het geding gebracht.

Het Uwv heeft een verweerschrift en een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep ingebracht.

Appellant heeft nadere besluiten van het Uwv van 12 maart 2014 en van 16 juni 2014 en daaraan ten grondslag liggende stukken in het geding gebracht.

Appellant heeft zich, desgevraagd, schriftelijk uitgelaten over zijn procesbelang.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 augustus 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn broer, [naam broer]. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door L.J.M.M. de Poel.

De Raad heeft na de behandeling ter zitting vastgesteld dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee hij het onderzoek heeft heropend.

Desgevraagd heeft appellant nadere stukken in het geding gebracht, waarop namens het Uwv is gereageerd.

De enkelvoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een meervoudige kamer.

Het nader onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 april 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn broer, [naam broer]. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.J.M. Evers.

Naar aanleiding van het verzoek van appellant om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn door de bestuursrechter heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant, laatstelijk werkzaam als internationaal chauffeur, is op 29 december 2008 uitgevallen vanwege hart- en longklachten, hypertensie en later bijkomende rugklachten en TIA’s. Bij besluit van 26 oktober 2010 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) met ingang van 27 december 2010 recht is ontstaan op een loongerelateerde WGA-uitkering. De mate van arbeidsongeschiktheid is bepaald op 58%. De loongerelateerde uitkering is toegekend tot

27 januari 2014. Het Uwv heeft bij besluit van 10 februari 2011 (bestreden besluit) het bezwaar van appellant tegen het besluit van 26 oktober 2010 ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft hoger beroep ingesteld omdat hij meent volledig arbeidsongeschikt te zijn en hij in aanmerking dient te komen voor een loongerelateerde WGA-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Daartoe heeft appellant - kort gezegd - aangevoerd dat sprake is van een onzorgvuldig onderzoek, dat er in onvoldoende mate rekening is gehouden met zijn beperkingen en dat de geselecteerde functies niet geschikt zijn te achten.


4.1.

Hangende de procedure in hoger beroep heeft het Uwv bij besluit van 12 maart 2014 appellant in verband met een verslechtering van zijn gezondheidssituatie vanaf 1 augustus 2012 aangemerkt als 100% arbeidsongeschikt. De hoogte van de loongerelateerde

WGA-uitkering is hierdoor niet gewijzigd. Bij een later besluit op bezwaar van 16 juni 2014 heeft het Uwv beslist dat de loongerelateerde WGA-uitkering gebaseerd blijft op 100% arbeidsongeschiktheid en dat de uitkering ongewijzigd blijft (tot 1 juni 2016).


4.2.

Desgevraagd heeft appellant met betrekking tot zijn procesbelang gesteld dat de uitkomst van deze procedure van belang is voor de hoogte van de premievrije opbouw van zijn pensioen en heeft nadere stukken doen toekomen ter ondersteuning van zijn standpunt dat hij ten gevolge van de besluitvorming van het Uwv pensioenschade heeft geleden.


5. De Raad komt ten aanzien van het procesbelang van appellant tot de volgende beoordeling.


5.1.

Ingevolge vaste rechtspraak van de Raad is de bestuursrechter in het kader van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen dan tot het beantwoorden van rechtsvragen geroepen indien er nog sprake is van een geschil met betrekking tot een besluit van een bestuursorgaan. Appellant zal belang hebben bij de beoordeling van zijn hoger beroep indien het resultaat dat hiermee wordt nagestreefd ook daadwerkelijk bereikt kan worden en het realiseren van dat resultaat voor appellant feitelijke betekenis kan hebben.


5.2.

In zijn uitspraak van 15 februari 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1485) heeft de Raad zijn rechtspraak met betrekking tot het aanwezig zijn van procesbelang enigszins verruimd in die zin dat ook procesbelang wordt aangenomen bij betwisting van de door het Uwv in het kader van de loongerelateerde fase als bedoeld in de Wet WIA vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid, in verband met de gevolgen die deze vaststelling heeft voor de bij de vervolguitkering te stellen inkomenseis. Deze uitspraak doet echter niet af aan het uitgangspunt dat het resultaat dat wordt nagestreefd in een tussen het Uwv en de betrokkene bestaande rechtsverhouding moet zijn gelegen.


5.3.

De Raad heeft in zijn uitspraak van 9 januari 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:53) aanleiding gezien deze rechtspraak verder te verruimen, in die zin dat ook procesbelang zal worden aangenomen indien de betrokkene stelt dat het bestreden besluit een rechtstreeks feitelijk gevolg heeft waarvan hij in een andere rechtsverhouding nadeel zal ondervinden en de in de voorliggende zaak op bestuursrechtelijke gronden te nemen beslissing voor het al dan niet intreden van dit gevolg beslissend is.


5.4.

Nu de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant rechtstreeks gevolg heeft voor de door appellant te betalen pensioenpremie over de periode 27 december 2010 tot 1 augustus 2012 en de in de huidige procedure te nemen beslissing voor de hoogte van die premie beslissend is, heeft appellant belang bij de beoordeling van zijn in 3 vermelde gronden.


6. Vervolgens komt de Raad toe aan de inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep. In de kern betwist appellant de door het Uwv vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid per

27 december 2010. De Raad overweegt hierover het volgende.


6.1.

De verzekeringsarts heeft het dossier bestudeerd, kennis genomen van de aanwezige medische informatie, appellant op het spreekuur onderzocht en informatie opgevraagd bij de cardioloog. Deze informatie is door de verzekeringsarts bij zijn beoordeling betrokken. In bezwaar heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep het dossier bestudeerd, kennis genomen van de aanwezige medische informatie en de hoorzitting bijgewoond. Hij heeft deze gegevens betrokken bij zijn beoordeling. Daarmee is een zorgvuldig onderzoek ingesteld naar de klachten van appellant en de daaruit voortvloeiende beperkingen. Het oordeel van de rechtbank dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig tot stand is gekomen wordt daarom onderschreven. De gestelde dreiging die van de beoordeling door de verzekeringsarts bezwaar en beroep zou zijn uitgegaan, kan, wat er ook van zij, niet afdoen aan de medische beoordeling en daarvan kan niet worden gezegd dat deze niet overeenkomstig de eisen van het Schattingsbesluit heeft plaatsgevonden. Ook uit de in de loop van de procedure verder bekend geworden medische gegevens vloeit niet voort dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid.


6.2.

Op grond van de gedingstukken kan evenmin worden geoordeeld dat de voor appellant in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 8 februari 2011 vastgestelde beperkingen zijn onderschat. In de FML is rekening gehouden met lichte cardiale problematiek, rugbeperkingen - zonder duidelijke aanwijzingen voor het nog bestaan van een HNP - en kniebeperkingen. De aangenomen beperkingen zijn in overeenstemming met de beschikbare medische informatie. De neuroloog en de cardioloog hebben ten aanzien van de doorgemaakte TIA’s en de hartproblematiek geen, dan wel relatief geringe, objectieve afwijkingen vastgesteld. Ook de informatie van de orthopedisch chirurg biedt onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat appellant met betrekking tot zijn rugproblematiek meer beperkingen heeft. Evenmin blijkt uit de stukken dat sprake was van een psychische stoornis die geobjectiveerd kon worden. De rechtbank heeft terecht de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep onderschreven dat de in beroep ingebrachte gegevens geen nieuwe medische objectiveerbare feiten bevatten. Ook de Raad is van oordeel dat het syndroom van Asperger niet is geobjectiveerd. Of op de datum hier in geding sprake was van het syndroom van Tietze kan in het midden blijven, omdat ook indien zulks wel het geval zou zijn op basis van de informatie van de MDL-arts Honkoop met juistheid kon worden geconcludeerd dat de in de FML vastgestelde beperkingen nog steeds toereikend zouden zijn. Ook in hoger beroep heeft appellant geen medische gegevens ingebracht waaruit blijkt dat appellant meer dan wel verdergaand beperkt moet worden geacht. Met name is niet gebleken dat op 27 december 2010 sprake was van een toen opspelende herniaproblematiek. De Raad verwijst hiervoor naar het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 4 september 2012.


6.3.

Uitgaande van de juistheid van de met betrekking tot appellant vastgestelde medische beperkingen is de Raad voorts met de rechtbank van oordeel dat de functies die aan de schatting ten grondslag zijn gelegd, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, als voor appellant in medisch opzicht geschikt dienen te worden aangemerkt. Uit het hoger beroepschrift is gebleken dat het hoger beroep zich richt op de medische grondslag van het bestreden besluit en dat er geen specifiek arbeidskundige gronden zijn geformuleerd, ook niet over de medische geschiktheid van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies.


6.4.

Uit hetgeen in 5.1 tot en met 6.3 is overwogen, volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.


7.1.

Het verzoek van appellant om schadevergoeding wegens overschrijding door de bestuursrechter van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden wordt toegewezen.


7.2.

Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 26 januari 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009), is de redelijke termijn voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar in beslag heeft genomen. In die uitspraak is verder overwogen dat de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar mag duren, terwijl doorgaans geen sprake zal zijn van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. Verder heeft de Raad in die uitspraak overwogen dat in beginsel een vergoeding van immateriële schade gepast is van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden.


7.3.

In het geval van appellant staat vast dat vanaf de datum van ontvangst van het bezwaarschrift door het Uwv op 1 november 2010 tot de datum van deze uitspraak vier jaar en ruim zeven maanden zijn verstreken. In de zaak zelf, noch in de opstelling van appellant zijn aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat de totale lengte van de procedure meer dan vier jaren zou mogen bedragen. Dit betekent dat de redelijke termijn met ruim zeven maanden is overschreden.


7.4.

De overschrijding van de redelijke termijn is gelegen in de rechterlijke fase. De eerste rechterlijke fase heeft, vanaf de ontvangst van het beroep door de rechtbank op 25 maart 2011 tot haar uitspraak op 4 mei 2012, een jaar en ruim een maand geduurd, zodat in deze fase geen sprake is van een overschrijding. De behandeling van het hoger beroep heeft vanaf de ontvangst van het hoger beroepschrift op 15 juni 2012 tot deze uitspraak twee jaar en ruim tien maanden geduurd. Dit is een overschrijding van de redelijke termijn met tien maanden, waarvoor door de Staat een schadevergoeding van € 1.000,- is verschuldigd. Dit betekent dat de Staat zal worden veroordeeld tot betaling aan appellant van een schadevergoeding van

€ 1.000,-.


8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.




BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep


- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden (de Minister van Veiligheid en Justitie) tot vergoeding aan appellant van schade tot een bedrag van € 1.000,-.



Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk als voorzitter en E.W. Akkerman en

D.S. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van B. Fotchind als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2015.


(getekend) J.S. van der Kolk




(getekend) B. Fotchind



JL