Centrale Raad van Beroep, 13-05-2015 / 13-6711 WW


ECLI:NL:CRVB:2015:1671

Inhoudsindicatie
Het recht op WW-uitkering eindigt bij het bereiken van de leeftijd van 65 jaar. In het besluit van 2 december 2011 is appellant meegedeeld dat hij recht heeft op WW-uitkering tot en met 30 april 2014, doch met het uitdrukkelijke voorbehoud dat zijn situatie niet zou wijzigen. Gelet op dit voorbehoud is geen sprake van een ongeclausuleerde toezegging, waar aan appellant de gerechtvaardigde verwachting kon ontlenen dat zijn WW- uitkering ongewijzigd zou worden voortgezet tot en met 30 april 2014. Het Uwv heeft de fout later hersteld, bij brief van 31 oktober 2012 en komt daarmee niet in strijd met enige geschreven of ongeschreven rechtsregel of enig algemeen rechtsbeginsel.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-05-13
Publicatiedatum
2015-06-02
Zaaknummer
13-6711 WW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/6711 WW

Datum uitspraak: 13 mei 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

12 november 2013, 13/409 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft een nader stuk ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 april 2015. Appellant is met voorafgaand bericht niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. F.M.J. Eijmael.

OVERWEGINGEN


1.1.

Bij besluit van 2 december 2011 heeft het Uwv appellant met ingang van 1 maart 2011 een uitkering toegekend op grond van de Werkloosheidswet (WW). Daarbij is vermeld: “Als er niets in uw situatie verandert, krijgt u die uitkering tot en met 30 april 2014.”


1.2.

Bij besluit van 30 november 2012 heeft het Uwv besloten dat het recht op WW-uitkering van appellant na 26 december 2012 niet kan worden voortgezet vanwege het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd.


1.3.

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit en aangevoerd dat hem bij besluit van 2 december 2011 was toegezegd dat hij recht had op WW-uitkering tot en met 30 april 2014.


1.4.

Bij besluit van 17 januari 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard en zijn besluit van 30 november 2012 gehandhaafd.


2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank had appellant vanaf 27 december 2012 geen recht meer op WW-uitkering. Het beroep op het vertrouwensbeginsel heeft de rechtbank verworpen. Gelet op de bewoordingen in het besluit van 2 december 2011 is naar het oordeel van de rechtbank aan appellant geen ongeclausuleerde toezegging gedaan dat hij tot en met

30 april 2014 WW-uitkering zou ontvangen. De omissie van het Uwv in het toekenningsbesluit kan niet leiden tot het oordeel dat de wet in dit geval buiten toepassing dient te blijven.


3. In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt gehandhaafd dat weldegelijk gerechtvaardigde verwachtingen bij hem zijn gewekt en dat het vertrouwensbeginsel in zijn geval van toepassing is.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Op grond van artikel 20, eerste lid, aanhef en onder d, in samenhang met artikel 19, eerste lid, aanhef en onder i, van de WW, zoals deze bepalingen luidden ten tijde hier in geding, eindigt het recht op WW-uitkering bij het bereiken van de leeftijd van 65 jaar. Appellant had daarom vanaf 27 december 2012 geen recht meer op WW-uitkering.


4.2.

Een beroep op het vertrouwensbeginsel kan volgens vaste rechtspraak van de Raad (bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2009:BK4735) alleen slagen als van de kant van het tot beslissen bevoegde orgaan uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezeggingen zijn gedaan, die bij de betrokkene gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt.


4.3.

In het besluit van 2 december 2011 is appellant meegedeeld dat hij recht heeft op

WW-uitkering tot en met 30 april 2014, doch met het uitdrukkelijke voorbehoud dat zijn situatie niet zou wijzigen. Gelet op dit voorbehoud is geen sprake van een ongeclausuleerde toezegging, waaraan appellant de gerechtvaardigde verwachting kon ontlenen dat zijn

WW-uitkering ongewijzigd zou worden voortgezet tot en met 30 april 2014. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt daarom niet.


4.4.

Het had in de rede gelegen dat het Uwv appellant er van op de hoogte had gesteld dat het recht op WW-uitkering in ieder geval zou eindigen bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. Het Uwv heeft deze fout later echter hersteld, bij brief van

31 oktober 2012, waarbij appellant is meegedeeld dat zijn recht op WW-uitkering loopt tot

27 december 2012. Appellant was aldus in de gelegenheid zich in te stellen op de gewijzigde situatie.


4.5.

Zoals de Raad eerder heeft overwogen (zie onder meer ECLI:NL:CRVB:2014:850) komt aan een bestuursorgaan in beginsel de bevoegdheid toe een gemaakte fout te herstellen, mits het daartoe strekkende besluit niet in strijd is met enige geschreven of ongeschreven rechtsregel of enig algemeen rechtsbeginsel, zoals het zorgvuldigheidsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel. Hiervan is in dit geval geen sprake. Het Uwv heeft zijn fout tijdig hersteld.


4.6.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.


5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2015.



(getekend) H.G. Rottier




(getekend) H.J. Dekker



JL