Centrale Raad van Beroep, 13-05-2015 / 13-5744 WW


ECLI:NL:CRVB:2015:1673

Inhoudsindicatie
Afwijzing verzoek om vergoeding van telefoonkosten is niet gebaseerd op een krachtens het bestuursrecht aan het Uwv toegekende bevoegdheid. Bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-05-13
Publicatiedatum
2015-05-29
Zaaknummer
13-5744 WW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • ABkort 2015/223
Uitspraak

13/5744 WW

Datum uitspraak: 13 mei 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

2 oktober 2013, 13/4702 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 2 april 2015 waar partijen niet zijn verschenen.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellant heeft het Uwv verzocht om vergoeding van de kosten die hij heeft gemaakt door mobiel te bellen naar het 0900-telefoonnummer van het Uwv.


1.2.

Bij brief van 1 maart 2013 heeft het Uwv dit verzoek afgewezen. Daaraan ligt het standpunt ten grondslag dat het onvermijdelijk is dat gedurende de duur van de WW-uitkering wederzijds telefoonkosten gemaakt moeten worden en dat het hierbij gebruikelijk is dat ieder zijn eigen kosten draagt. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen deze brief.


1.3.

Bij besluit van 4 juni 2013 (bestreden besluit) heeft het Uwv dit bezwaar

niet-ontvankelijk verklaard, omdat de brief van 1 maart 2013 geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is, aangezien aan die brief geen rechtsgevolgen zijn verbonden.


2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv terecht geconcludeerd dat de brief van 1 maart 2013 bij gebreke van bestuursrechtelijke rechtsgevolgen niet kan worden aangemerkt als een besluit. De afwijzing van het verzoek om vergoeding van de telefoonkosten is immers niet gebaseerd op een krachtens het bestuursrecht aan het Uwv toegekende bevoegdheid. Daarom heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen de afwijzing terecht niet-ontvankelijk verklaard.


3. In hoger beroep heeft appellant zijn verzoek om vergoeding van telefoonkosten gehandhaafd en benadrukt dat hij genoodzaakt was om deze kosten te maken om duidelijkheid te krijgen over zijn aanspraken op WW-uitkering.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Een beslissing over de vergoeding van beweerdelijk geleden schade is een appellabel besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, indien deze schade beweerdelijk het gevolg is van een besluit, of een daarmee gelijk te stellen handeling, waartegen bezwaar en beroep bij de bestuursrechter mogelijk is (materiële connexiteit). Verder wordt het (hoger) beroep tegen een zelfstandig schadebesluit beoordeeld door de bestuursrechter die bevoegd is te oordelen over het (hoger) beroep tegen het schadeveroorzakende besluit (processuele connexiteit).


4.2.

Uit de gedingstukken blijkt niet dat de kosten die appellant heeft gemaakt in verband met de door hem gevoerde telefoongesprekken met het Uwv voortvloeien uit een besluit of een daarmee gelijk te stellen handeling, waartegen bezwaar en beroep bij de bestuursrechter openstond. De brief van 1 maart 2013 kan daarom niet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. De rechtbank wordt gevolgd in haar oordeel dat het Uwv het bezwaar tegen die brief terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.


4.3.

Het hoger beroep van appellant slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.


5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2015.




(getekend) H.G. Rottier




(getekend) H.J. Dekker





MK