Centrale Raad van Beroep, 02-06-2015 / 14-9 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:1695

Inhoudsindicatie
Herziening en terugvordering bijstand. Schending inlichtingenverplichting door geen informatie te verschaffen over verrichte werkzaamheden en daaruit ontvangen inkomsten. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij haar werkzaamheden bij de Stichting en de daaruit ontvangen inkomsten niet aan het college hoefde op te geven.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-06-02
Publicatiedatum
2015-06-04
Zaaknummer
14-9 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/9 WWB

Datum uitspraak: 2 juni 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 22 november 2013, 13/3036 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. D. van der Wal hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 april 2015. Appellante is verschenen bijgestaan door mr. R. Shahbazi, advocaat. Het college is met voorafgaand bericht niet verschenen.

OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellante ontving vanaf 1 december 2010 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm van een alleenstaande.


1.2.

Naar aanleiding van een signaal IB 2011 heeft de Dienst Werk en Inkomen, afdeling Handhaving, een onderzoek ingesteld en geconstateerd dat appellante sinds 1 juni 2011 werkzaam is bij de [Stichting] (Stichting).


1.3.

Bij besluit van 17 april 2012 heeft het college de bijstand van appellante vanaf 1 juni 2011 herzien in die zin dat de door appellante ontvangen inkomsten in mindering worden gebracht op haar bijstand. De teveel ontvangen bijstand over de periode 1 juni 2011 tot en met 31 december 2011 wordt tot een bedrag van € 5.996,71 van appellante teruggevorderd.


1.4.

Bij besluit van 16 oktober 2013 (bestreden besluit), voor zover in dit geding van belang, heeft het college het bezwaar van appellante tegen het besluit van 17 april 2012 ongegrond verklaard. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen informatie te verschaffen over haar werkzaamheden bij de Stichting.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank onder meer het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Artikel 17, eerste lid, van de WWB bepaalt, voor zover hier van belang, dat de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan het hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand.


4.2.

Tussen partijen staat vast dat appellante in de periode in geding werkzaamheden heeft verricht voor de Stichting, dat zij het dienstverband bij de Stichting niet heeft opgegeven en dat zij de daaruit voortvloeiende periodieke inkomsten niet heeft gemeld bij het college.


4.3.

Appellante heeft aangevoerd dat zij de inlichtingenplicht niet heeft geschonden omdat zij van de Dienst Werk en Inkomen (dienst) vernomen heeft dat zij een aantal uren met behoud van uitkering mocht werken. Appellante heeft daarbij een vergelijking gemaakt met de aan haar dienstverband bij de Stichting voorafgegane stagewerkzaamheden elders. De uit de stage ontvangen inkomsten werden niet gekort op de bijstand en zij hoefde deze inkomsten ook niet te melden. In dit verband beroept zij zich op het vertrouwensbeginsel.


4.4.

Met de rechtbank wordt vastgesteld dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij haar werkzaamheden bij de Stichting en de daaruit ontvangen inkomsten niet aan het college hoefde op te geven. Het beroep op het vertrouwensbeginsel treft geen doel. Een beroep op het vertrouwensbeginsel kan volgens vaste rechtspraak van de Raad (19 november 2009, ECLI:NL:CRVB:BK4735) immers alleen slagen als van de kant van het tot beslissen bevoegde orgaan uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezeggingen zijn gedaan, die bij de betrokkene gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt. Aan deze eisen wordt in dit geval niet voldaan. Appellante heeft ook erkend dat aan haar niet de toezegging is gedaan dat de inkomsten uit het dienstverband bij de Stichting niet op de bijstand in mindering zouden worden gebracht. Zij ontleent het door haar gestelde vertrouwen uitsluitend aan het gegeven dat zij de in het verleden bij het college bekende stage-inkomsten geheel mocht houden, zonder korting op de bijstand. Nog daargelaten dat de stagewerkzaamheden niet op één lijn kunnen worden gesteld met het dienstverband bij de Stichting, is dat voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel niet voldoende.


4.5.

Gelet op 4.2 tot en met 4.4, heeft appellante de op haar rustende inlichtingenplicht geschonden. Het betoog van appellante ter zitting, onder verwijzing naar een besluit van het college van 27 april 2012, dat het college zelf al op de hoogte was van haar werkzaamheden bij de Stichting, slaagt niet. Het dienstverband van appellante bij de Stichting en de inkomsten daaruit zijn pas aan het licht gekomen naar aanleiding van een bij het college op 21 december 2011 binnengekomen signaal IB 2011, op basis waarvan een onderzoek is gestart. De schending van de inlichtingenverplichting door appellante heeft er dus toe geleid dat aan haar over de periode van 1 juni 2011 tot en met 31 december 2011 teveel bijstand is verleend.


4.6.

Uit 4.5 volgt dat het college bevoegd was om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand van appellante te herzien over de periode 1 juni 2011 tot en met 31 december 2011. Tegen de wijze van gebruikmaking van deze bevoegdheid en tegen de terugvordering zijn geen (zelfstandige) beroepsgronden gericht.


4.7.

Het hoger beroep slaagt niet, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.



Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen, in tegenwoordigheid van J. Meijer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 juni 2015.




(getekend) C. van Viegen




(getekend) J. Meijer




HD