Centrale Raad van Beroep, 26-05-2015 / 13-5273 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:1698

Inhoudsindicatie
In hoger beroep wordt nog uitsluitend gesteld dat er dringende redenen zijn om van terugvordering af te zien. Vaste rechtspraak over wat hieronder begrepen wordt. Het verkrijgen van genoegdoening en de gestelde financiële problemen kunnen niet worden aangemerkt als een dringende reden als hiervoor bedoeld.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-05-26
Publicatiedatum
2015-06-04
Zaaknummer
13-5273 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/5273 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van

19 augustus 2013, 13/2925 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.P.M. Hendrikx-Heeren, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 april 2015. Namens appellante is verschenen mr. Hendrikx-Heeren. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. P.C.A. Buskens.

OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellante, geboren [in] 1936, ontving een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet en een klein bedrijfspensioen. In aanvulling daarop ontving appellante bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), laatstelijk van de Svb in de vorm van een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO-aanvulling).


1.2.

De Svb heeft uit gegevens van het Suwinet afgeleid dat appellante in mei 2012 van de Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor de Kunststof- en Rubberindustrie een nabetaling van het pensioen heeft ontvangen van € 7.795,59 (nabetaling). Naar aanleiding hiervan heeft de Svb nader onderzoek gedaan naar het recht op de AIO-aanvulling. Op basis van de onderzoeksbevindingen heeft de Svb bij besluit van 24 oktober 2012 (besluit 1) aan appellante meegedeeld dat aan haar over de periode van mei 2012 tot en met september 2012 € 7.684,33 teveel AIO-aanvulling is uitbetaald. Bij besluit van eveneens 24 oktober 2012 (besluit 2) heeft de Svb een bedrag van € 7.684,33 van appellante teruggevorderd.


1.3.

Bij besluit van 4 december 2012 (besluit 3) heeft de Svb, voor zover van belang, onder intrekking van besluit 1 aan appellante meegedeeld dat € 7.684,33 teveel AIO-aanvulling is uitbetaald over de periode van augustus 2002 tot en met september 2012.


1.4.

Bij besluit van 27 maart 2013 (bestreden besluit) heeft het college, voor zover hier van belang, het bezwaar tegen de besluiten 2 en 3 ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank onder meer overwogen dat de Svb op grond van artikel 58, eerste lid, onder f, van de WWB bevoegd is tot terugvordering omdat het hier naderhand verkregen middelen betreft over een periode waarin een beroep op bijstand is gedaan. De Svb voert daarbij het beleid dat de verschuldigde AIO-aanvulling volledig wordt teruggevorderd en alleen bij dringende redenen geheel of gedeeltelijk wordt afgezien van de terugvordering. Volgens de rechtbank gaat dit beleid de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet te buiten. De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat de omstandigheid dat appellante mogelijk niet in staat is om haar familie in het buitenland te bezoeken, dat zij een moeilijke periode heeft gehad en dat zij er zelf voor heeft gezorgd dat er een nabetaling is gekomen, niet kunnen worden aangemerkt als dringende redenen die nopen tot het afzien van de terugvordering.


3. Appellante heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

De gemachtigde van appellante heeft ter zitting van de Raad naar voren gebracht dat nog uitsluitend wordt gesteld dat er dringende redenen zijn om van terugvordering af te zien. Appellante heeft in dit kader aangevoerd dat de nabetaling moet worden beschouwd als een stukje genoegdoening voor de moeilijke tijden die zij heeft doorgemaakt met haar

ex-echtgenoot en dat de terugbetaling van € 7.684,33, waarvoor maandelijks een bedrag wordt ingehouden, ertoe leidt dat appellante, die inmiddels op hoge leeftijd is en kampt met gezondheidsproblemen, haar familie in het buitenland niet meer kan bezoeken.


4.2.

Zoals hiervoor in 2 al is overwogen voert de Svb het beleid dat alleen wordt afgezien van terugvordering, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. Voor de uitleg van dringende redenen heeft de Svb aansluiting gezocht bij de vaste rechtspraak (uitspraak van

29 maart 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AT2869). Deze rechtspraak houdt in dat dringende redenen slechts kunnen zijn gelegen in onaanvaardbare sociale en/of financiële gevolgen van een terugvordering voor de betrokkene. Het moet dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden plaatsvindt.


4.3.

Het verkrijgen van genoegdoening kan niet worden aangemerkt als een dringende reden als hiervoor bedoeld. De door appellante gestelde financiële problemen evenmin. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat het, als gevolg van de terugvordering, voor haar onmogelijk is geworden om haar familie in het buitenland te bezoeken. Van belang daarbij is dat appellante bij de invordering de bescherming geniet, of deze zo nodig kan inroepen, van de regels van de beslagvrije voet als neergelegd in artikel 475b tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, dat de maandelijkse aflossing op dit moment

€ 31,50 bedraagt en dat zij op grond van de beleidsregels van het Svb na een periode van aflossing de Svb kan verzoeken om kwijtschelding van haar restschuld.


4.4.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van P.C. de Wit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2015.




(getekend) R.H.M. Roelofs




(getekend) P.C. de Wit




HD