Centrale Raad van Beroep, 02-06-2015 / 14-3027 WWB-T


ECLI:NL:CRVB:2015:1701

Inhoudsindicatie
Tussenuitspraak. Intrekking bijstand. Nu appellant voor de BBL-opleiding geen aanspraak kan maken op studiefinanciering, is niet voldaan aan de uitsluitingsgrond van artikel 13, tweede lid, aanhef en onder c, sub 1° van de WWB. Het bestreden besluit berust op een onjuiste grondslag en wordt daarom vernietigd. De Raad draagt het college op om het gebrek in het besluit te herstellen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-06-02
Publicatiedatum
2015-06-08
Zaaknummer
14-3027 WWB-T
Procedure
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
Uitspraak

14/3027 WWB-T

Datum uitspraak: 2 juni 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag van 22 april 2014, 14/979 en 14/2066 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Midden-Delfland (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R. Küçükünal, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

Het college heeft een verweerschrift, en een reactie op de nadere stukken en op de brief van de Raad van 5 februari 2015 ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 februari 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Küçükünal. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

J. Colas Klaver en G. Kroes.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant, geboren [in] 1988, ontving sinds 29 maart 2011 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).


1.2.

Bij besluit van 25 september 2013 heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 1 september 2013 beëindigd (lees: ingetrokken). Aan dit besluit ligt ten grondslag dat appellant per 1 september 2013 is begonnen met een opleiding in de beroepsbegeleidende leerweg (BBL), terwijl hij had kunnen kiezen voor een opleiding in de beroepsopleidende leerweg (BOL), waarbij - anders dan bij een BBL-opleiding - wel aanspraak kan worden gemaakt op een voorliggende voorziening, te weten studiefinanciering op grond van de Wet op de studiefinanciering 2000 (Wsf 2000). Hierop heeft het college appellant meerdere malen gewezen. Appellant heeft volgens het college dan ook een ongenoegzaam besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan getoond door niet te kiezen voor een BOL-opleiding.


1.3.

Bij besluit van 15 januari 2014 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 25 september 2013 ongegrond verklaard op de grond dat appellant ingevolge artikel 13, tweede lid, aanhef en onder c, van de WWB van het recht op bijstand dient te worden uitgesloten. Appellant had zich immers voor 1 september 2013 met succes kunnen inschrijven voor een opleiding die recht geeft op studiefinanciering. Er is volgens het college niet gebleken van persoonlijke omstandigheden die afwijking van dit standpunt rechtvaardigen. Het standpunt dat sprake is van een voorliggende voorziening is daarbij verlaten.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft aangevoerd dat de in 1.3 genoemde uitsluitingsgrond niet op hem van toepassing is.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Het college heeft de intrekking niet beperkt tot een bepaalde periode. In een dergelijk geval bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het intrekkingsbesluit. Dat betekent dat hier ter beoordeling voorligt de periode van 1 september 2013 tot en met 25 september 2013.


4.2.

De Raad ziet zich gesteld voor de vraag of het college onder de gegeven omstandigheden terecht toepassing heeft gegeven aan artikel 13, tweede lid, aanhef en onder c, van de WWB. Op grond van die bepaling bestaat geen recht op algemene bijstand voor degene die jonger is dan 27 jaar en uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs kan volgen en:

1°. in verband daarmee aanspraak heeft op studiefinanciering op grond van de Wsf 2000, dan wel

2°. in verband daarmee geen aanspraak heeft op studiefinanciering en dit onderwijs niet volgt.


4.3.

Appellant is per september 2013 gestart met de BBL-opleiding Verkoop detailhandel aan het ROC Mondriaan in Delft. Voor deze opleiding kan hij geen aanspraak maken op studiefinanciering. Niet weersproken is dat de BBL-opleiding uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs betreft.


4.4.

Nu appellant voor de BBL-opleiding geen aanspraak kan maken op studiefinanciering, is niet voldaan aan de uitsluitingsgrond van artikel 13, tweede lid, aanhef en onder c, sub 1° van de WWB.


4.5.

De situatie die zich hier voordoet, is evenmin beschreven in artikel 13, tweede lid, aanhef en onder c, sub 2° van de WWB. Voor zover het college ter zitting onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis heeft betoogd dat de wetgever met de onder 2° genoemde woorden “dit onderwijs” ook kan hebben gedoeld op onderwijs waarbij de jongere aanspraak heeft op studiefinanciering en dat daaruit voortvloeit dat appellant, nu hij voor de BBL-opleiding geen aanspraak op studiefinanciering maakt en evenmin onderwijs met aanspraak op studiefinanciering volgt, onder de in sub 2 genoemde uitsluitingsgrond valt, wordt dat standpunt niet onderschreven. Het woordje “dit” kan niet anders dan terugslaan op de zinsnede “uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs”. Daarom is onjuist het standpunt van het college dat het uit ‘s Rijks kas bekostigd onderwijs waarover artikel 13, tweede lid, aanhef en onder c, aanhef en onder 2° van de WWB het heeft ziet op onderwijs waarvoor aanspraak bestaat op studiefinanciering.


4.6.

Het college stelt zich onder de verwijzing naar de wetsgeschiedenis van artikel 13, tweede lid, aanhef en onder c, van de WWB op het standpunt dat de mogelijkheid tot het volgen van uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs in verband waarmee de jongere aanspraak heeft op studiefinanciering te allen tijde dient te worden benut en voorgaat op onderwijs waarbij de jongere geen aanspraak heeft op studiefinanciering. Indien de jongere die mogelijkheid niet benut, valt hij ook onder het bereik van de in voormelde bepaling neergelegde uitsluitingsgrond, ondanks de conclusie van 4.5. Het college heeft ter onderbouwing van zijn stelling in het bijzonder gewezen naar pagina 52 van de memorie van toelichting van de Wet Bevordering deelname aan de arbeidsmarkt en vergroting van de eigen verantwoordelijkheid van uitkeringsgerechtigden.


“In het nieuwe onderdeel c wordt geregeld dat de jongere geen aanspraak op algemene bijstand heeft indien hij (nog) uit ’s Rijks schatkist bekostigd onderwijs kan volgen (zie ook de aanpassing van artikel 7, derde lid). Dit overigens onder de voorwaarde dat de jongere - in geval hij dat onderwijs zou gaan volgen - dan in aanmerking zou komen voor studiefinanciering op grond van de Wet op de studiefinanciering 2000. Er is geen reden om hem voor algemene bijstand in aanmerking te laten komen indien de mogelijkheid van het volgen van dergelijk onderwijs met studiefinanciering openstaat. Studiefinanciering wordt voor hem immers als een passende en toereikende voorliggende voorziening aangemerkt” (Kamerstukken II 2011/11, 32 815, nr. 3, p 52).


Anders dan het college heeft betoogd, volgt uit deze passage niet dat appellant voor de toepassing van de hier aan de orde zijnde uitsluitingsgrond om bijstand voor levensonderhoud te behouden gedwongen is zijn uit ’s Rijks kas bekostigde opleiding te staken en alsnog een opleiding met aanspraak op studiefinanciering te gaan volgen, nog daargelaten of de opleiding met studiefinanciering appellant meer of betere kansen op de arbeidsmarkt zou geven. Voorop staat dat de jongere zelf naar werk of naar mogelijkheden binnen het regulier bekostigd onderwijs zoekt. Verwezen wordt naar de wetsgeschiedenis van de totstandkoming van artikel 13, tweede lid, van de WWB.


“De nadruk op de eigen verantwoordelijkheid wordt in de wet verankerd doordat de jongere (…) verplicht wordt eerst zelf vier weken naar werk te zoeken, alvorens aanspraak op een ondersteuning kan ontstaan. Daarbij zal de jongere nadrukkelijk eerst ook de mogelijkheden binnen het regulier bekostigd onderwijs moeten onderzoeken” (Kamerstukken II 2010/11, 32 815, nr. 3, p. 1-2 en 13).


Over wat onder “mogelijkheden binnen het regulier bekostigd onderwijs” moet worden verstaan heeft de regering naar aanleiding van Kamervragen nader toegelicht dat de jongere eerst onderzoekt of het onderwijs dat het Rijk aanbiedt en financiert op hem van toepassing kan zijn, alvorens hij een beroep doet op de gemeente.


“Hierbij is niet van belang of in verband met dat onderwijs aanspraak kan worden gemaakt op een tegemoetkoming op grond van de WTOS of studiefinanciering op grond van de WSF. Als een jongere eenmaal onderwijs volgt is voor het recht op algemene bijstand wel van belang of hij aanspraak heeft op studiefinanciering of op een tegemoetkoming op grond van de WTOS. Voor een jongere met een aanspraak op studiefinanciering bestaat geen recht op bijstand. Studiefinanciering wordt voor hem immers aangemerkt als een passende en toereikende voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de WWB. Een tegemoetkoming op grond van de WTOS is dat niet. Volgt een jongere onderwijs en ontvangt hij in verband daarmee een tegemoetkoming op grond van de WTOS, en heeft de jongere voorts onvoldoende middelen om in zijn bestaan te voorzien, dan kan hij, met inachtneming van de verplichtingen van de WWB, in aanmerking komen voor bijstand” (Kamerstukken II 2010/11, 32 815, nr. 7, p. 7-8).


4.7.

Uit 4.3 tot en met 4.6 volgt dat de voorzieningenrechter van de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college de algemene bijstand terecht op grond van artikel 13, tweede lid, aanhef en onder c, van de WWB heeft ingetrokken. Het bestreden besluit berust op een onjuiste grondslag en zal daarom moeten worden vernietigd.


4.8.

Vervolgens moet worden bezien welk vervolg hieraan moet worden gegeven. De rechtsgevolgen van het bestreden besluit kunnen niet in stand worden gelaten. De Raad kan ook niet zelf in de zaak te voorzien, omdat het primaire besluit op een andere grondslag berustte, welke grondslag het college in het bestreden besluit nadrukkelijk heeft verlaten. De Raad ziet - mede met het oog op definitieve geschilbeslechting - dan ook aanleiding om met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht appellant op te dragen het gebrek in het bestreden besluit te herstellen en een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt het college op om binnen zes weken na verzending van deze uitspraak het gebrek in het besluit van 15 januari 2014 te herstellen met inachtneming van wat de Raad heeft overwogen.



Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en E.C.R. Schut en

J.T.H. Zimmerman als leden, in tegenwoordigheid van O.P.L. Hovens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 juni 2015.




(getekend) A.B.J. van der Ham




De griffier is buiten staat te ondertekenen




HD