Centrale Raad van Beroep, 29-05-2015 / 12-6439 WAO


ECLI:NL:CRVB:2015:1710

Inhoudsindicatie
Ter uitvoering van de tussenuitspraak (ECLI:NL:CRVB:2015:502) heeft appellant een nieuwe beslissing genomen. Onvoldoende aannemelijk is dat betrokkene reeds vanaf 1 augustus 2007 werkzaam was. Gezien de afgelegde verklaringen is wel voldoende aannemelijk dat betrokkene een jaar voordat deze verklaringen werden afgelegd, al gedurende hele dagen werkzaamheden verrichtte. Bij het nieuwe besluit heeft appellant betrokkenes bezwaar in zoverre gegrond geacht dat zijn uitkering op grond van de WAO wordt herzien met ingang van 22 juni 2011 en dat de terugvordering wordt vastgesteld op € 18.889,10.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-05-29
Publicatiedatum
2015-06-08
Zaaknummer
12-6439 WAO
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

12/6439 WAO, 15/3483 WAO

Datum uitspraak: 29 mei 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 22 november 2012, 11/3163 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant)

[Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

De Raad heeft in het geding tussen partijen op 20 februari 2015 een tussenuitspraak, ECLI:NL:CRVB:2015:502, gedaan (hierna: tussenuitspraak).

Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft appellant op 16 maart 2015 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen.

Mr. B. Anik, advocaat, heeft namens betrokkene op het besluit van 16 maart 2015 gereageerd.

Met - gelet op artikel 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) - overeenkomstige toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Awb heeft de Raad bepaald dat nader onderzoek ter zitting achterwege blijft.

OVERWEGINGEN


1. Voor een uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de tussenuitspraak. In die uitspraak heeft de Raad vastgesteld dat in hoger beroep slechts aan de orde is de vernietiging door de rechtbank van het bestreden besluit van 15 november 2011 voor zover dat ziet op de herzienings- en terugvorderingsbeslissing. Bij dat besluit is de uitkering van appellant op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en de toeslag op grond van de Toeslagenwet met ingang van 1 augustus 2007 beëindigd en is hetgeen over de periode van

1 augustus 2007 tot en met 30 juni 2011 ten onrechte was betaald ten bedrage van € 69.865,21 van betrokkene teruggevorderd.


2. In de tussenuitspraak is de Raad tot het oordeel gekomen dat onvoldoende aannemelijk is dat betrokkene reeds vanaf 1 augustus 2007 werkzaam was. Gezien de afgelegde verklaringen is voor de Raad wel voldoende aannemelijk dat betrokkene een jaar voordat deze verklaringen werden afgelegd, al gedurende hele dagen werkzaamheden verrichtte.


3. Bij zijn besluit van 16 maart 2015 heeft appellant betrokkenes bezwaar in zoverre gegrond geacht dat zijn uitkering op grond van de WAO wordt herzien met ingang van 22 juni 2011 en dat de terugvordering wordt vastgesteld op € 18.889,10. In zijn reactie op dit besluit heeft de gemachtigde van appellant verwezen naar de in eerste aanleg en in hoger beroep naar voren gebrachte gronden.


4. De Raad stelt vast dat het besluit van 16 maart 2015 in overeenstemming is met hetgeen in de tussenuitspraak is overwogen. In die uitspraak zijn de door de gemachtigde van betrokkene naar voren gebrachte argumenten in zoverre verworpen.


5. Nu de rechtbank terecht het beroep gegrond heeft verklaard en het bestreden besluit heeft vernietigd voor zover het de herziening en de terugvordering van de uitkering betreft, komt de aangevallen uitspraak, voor zover deze is aangevochten, voor bevestiging in aanmerking. Gezien hetgeen in de tussenuitspraak onder 4.3 is overwogen is het hoger beroep evenwel in zoverre terecht ingesteld dat de rechtbank heeft nagelaten te onderzoeken vanaf welk moment betrokkene zijn inlichtingenverplichting niet is nagekomen. De Raad zal daarom niet bepalen dat van appellant een griffierecht wordt geheven. Het beroep tegen het besluit van 16 maart 2015 wordt ongegrond verklaard.


6. De gemachtigde van betrokkene heeft verzocht appellant te veroordelen in de proceskosten in beroep en in hoger beroep. De rechtbank heeft appellant veroordeeld in de proceskosten in eerste aanleg. Daartegen is geen hoger beroep ingesteld. Er is aanleiding appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 1.225,- voor rechtsbijstand.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 16 maart 2015 ongegrond;

- veroordeelt appellant in de kosten van betrokkene tot een bedrag van € 1.225,-



Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en H.J. Simon en

E.E.V. Lenos als leden, in tegenwoordigheid van M. Crum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2015.



(getekend) M.M. van der Kade




(getekend) M. Crum



JL