Centrale Raad van Beroep, 27-05-2015 / 13-2792 ZW


ECLI:NL:CRVB:2015:1715

Inhoudsindicatie
De Raad is van oordeel dat, indien een re-integratie-activiteit van de werkgever bestaat uit het bij binnenkomende opdrachten telkenmale nagaan of die zien op arbeid die in enigerlei vorm aan een te re-integreren werknemer kunnen worden aangeboden, het Uwv terecht vereist dat met een schriftelijk verslag inzicht wordt verschaft in de beoordeelde opdrachten en het moment waarop die beoordelingen (al dan niet periodiek) hebben plaatsgevonden. Het vereiste van schriftelijke vastlegging volgt uit wat in artikel 3 van de Regeling procesgang is bepaald en sluit aan bij de uit artikel 25, eerste lid, van de Wet WIA voortvloeiende verplichting tot verantwoording van de gepleegde re-integratie-inspanningen. Appellante heeft ook nadat zij was geconfronteerd met die opvatting van het Uwv nagelaten een controleerbare beschrijving van haar re-integratie-activiteiten in het geding te brengen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-05-27
Publicatiedatum
2015-06-04
Zaaknummer
13-2792 ZW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/2792 ZW

Datum uitspraak: 27 mei 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

12 april 2013, 12/1881 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante B.V.] te [vestigingsplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft W.V.R.A. van den Heuvel hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 april 2015. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J.G. Lindeman.

OVERWEGINGEN


1.1.

[naam werknemer] (werknemer) is op grond van een uitzendovereenkomst fase B op

28 oktober 2010 voor de duur van ruim een jaar in dienst getreden van appellante. Appellante heeft werknemer ter beschikking gesteld aan een van haar opdrachtgevers, die werknemer als verkoper heeft tewerkgesteld. Werknemer heeft zich voor deze werkzaamheden op

27 juni 2011 arbeidsongeschikt gemeld. Hij heeft zijn werkzaamheden niet hervat en is ziek uit dienst gegaan. Het Uwv heeft werknemer aansluitend aan het einde van het dienstverband een uitkering toegekend op grond van de Ziektewet (ZW).


1.2.

Bij besluit van 24 januari 2012 heeft het Uwv de aan werknemer over de periode van

7 november 2011 tot en met 4 december 2011 betaalde ZW-uitkering inclusief werkgeverspremies op appellante verhaald. Volgens het Uwv mocht van appellante worden gevergd dat zij op 8 augustus 2011 een aanvang zou hebben gemaakt met het leveren van adequate inspanningen om werknemer te re-integreren. Zij heeft dat nagelaten. Het Uwv heeft de zogenoemde stagnatieperiode berekend op vier weken.


1.3.

Het Uwv heeft, voor zover in hoger beroep nog van belang, bij besluit van

14 november 2012 (bestreden besluit) het bezwaar van appellante tegen het besluit van

24 januari 2012 ongegrond verklaard en onder verwijzing naar een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep zijn verhaalsbesluit gehandhaafd.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover in hoger beroep nog van belang, het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank heeft het Uwv terecht uit het arbeidskundig onderzoek de conclusie getrokken dat appellante niet aan haar re-integratieverplichtingen heeft voldaan. Dat de re-integratie van werknemer - gelet op zijn beperkingen, zijn leeftijd en zijn eenzijdige arbeidsverleden - moeizaam zou zijn, stond niet eraan in de weg om ten minste een concreet onderzoek in te stellen naar de re-integratiemogelijkheden.


3.1.

Appellante heeft in hoger beroep opnieuw naar voren gebracht dat zij gelet op de afstand van werknemer tot de arbeidsmarkt in redelijkheid geen mogelijkheden had om hem te

re-integreren.


3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak gevraagd. In het verweerschrift is uiteengezet dat de toets van de re-integratie-inspanningen van de werkgever plaatsvindt aan de hand van de Regeling procesgang eerste en tweede ziektejaar (Regeling van 25 maart 2002, Stert. 2002, 60, laatstelijk gewijzigd bij regeling van 16 december 2005, Stert. 2005, 249, hierna: Regeling procesgang) en de Regeling beleidsregels beoordelingskader poortwachter (Besluit van 3 december 2002, Stert. 2002, 236 gewijzigd bij besluit van

17 oktober 2006, Sert. 2006, 224, hierna: Beleidsregels). Als de werknemer niet (volledig) heeft hervat, bekijkt het Uwv wat de werkgever aan re-integratie van de werknemer heeft gedaan. Het Uwv hanteert als uitgangspunt dat de werkgever vanaf de veertiende week na de ziekmelding in gebreke is als hij onvoldoende re-integratie-activiteiten ontplooit en dat vanaf dat moment de stagnatieperiode moet worden berekend. Dit uitgangspunt heeft als achtergrond dat de werkgever uiterlijk in de achtste week na de ziekmelding een zogenoemd Plan van aanpak moet opstellen en zes weken nadien moet bezien of hijzelf en de werknemer met de ingezette re-integratie-activiteiten op de goede weg zijn.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.1.

Op grond van artikel 38, tweede lid, van de ZW verstrekt de verzekerde die na afloop van het dienstverband met de werkgever in aanmerking wil komen voor een uitkering op grond van de ZW op verzoek van het Uwv een afschrift van het door de werkgever opgestelde re-integratieverslag.


4.1.2.

Op grond van artikel 39a, eerste lid, van de ZW verhaalt het Uwv de ZW-uitkering en de over deze uitkering verschuldigde premies op de werkgever over een door het Uwv vast te stellen tijdvak, indien bij de beoordeling van het re-integratieverslag wordt vastgesteld dat de werkgever onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht.


4.1.3.

In het op grond van artikel 39a, vierde lid, van de ZW tot stand gebrachte Besluit verhaal ziekengeld (Stcrt. 2005, nr 18, hierna: Besluit) is in artikel 2, eerste lid, bepaald dat het Uwv het tijdvak bedoeld in artikel 39a, eerste lid, van de ZW vaststelt op het totaal van de periodes waarin de werkgever onvoldoende heeft gedaan. Op grond van artikel 2, tweede lid, van het Besluit heeft de werkgever onvoldoende gedaan gedurende de periode, waarin hij zonder deugdelijke grond heeft nagelaten bepaalde maatregelen te nemen of bepaalde voorschriften te geven, of verplichtingen dan wel regels als bedoeld in artikel 39a, eerste lid, van de ZW na te komen, hetgeen redelijkerwijs van hem mocht worden gevergd.


4.1.4.

In toelichting op het Besluit is vastgelegd dat de beoordeling van het

re-integratieverslag plaatsvindt aan de hand van de Regeling procesgang en de Beleidsregels.


4.1.5.

In artikel 3 van de Regeling procesgang is bepaald dat de met artikel 25, eerste lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) op de werkgever gelegde verplichting om aantekening te houden van het verloop van de ziekte en de re-integratie van de verzekerde mede omvat de verplichting om alle gegevens, documenten en correspondentie vast te leggen die betrekking hebben op - onder meer - ondernomen re-integratie-activiteiten.


4.1.6.

In paragraaf 5 van de Beleidsregels is uiteengezet op welke wijze het Uwv het

re-integratieverslag beoordeelt. In paragraaf 11 van de Beleidsregels is een specifiek kader gegeven voor de beoordeling van de re-integratie-inspanningen indien sprake is van een tijdelijk dienstverband.


4.1.7.

Het Uwv heeft ter zitting toegelicht dat bij de berekening van het tijdvak bedoeld in artikel 39a, eerste lid, van de ZW in aanvulling op het Besluit het beleid wordt gehanteerd dat in het verweerschrift is uiteengezet.

4.2.

In het kader van de beoordeling van het re-integratieverslag en de activiteiten die appellante heeft ondernomen om werknemer te re-integreren heeft arbeidsdeskundige

J. Hoogendoorn nadere vragen gesteld aan arbeidsdeskundige P. Schouten, die door appellante was aangewezen als zogenoemde casemanager. Deze vragen sluiten aan bij wat in de Beleidsregels als vraagpunten in het kader van de beoordeling van

re-integratie-inspanningen is neergelegd. Op de vraag van Hoogendoorn welke re-integratie-activiteiten zijn ontplooid, heeft Schouten geantwoord dat mede gelet op de medische situatie van werknemer ervoor is gekozen om “bij werkgever (uitlener) en haar relaties te blijven monitoren of er zich mogelijkheden voordeden waarin cliënt (CRvB: werknemer) een (tijdelijke) rol zou kunnen spelen, rekening houdend met de beperkingen”.


4.3.

Het Uwv heeft ter zitting desgevraagd te kennen gegeven dat denkbaar is dat een werkgever als appellante - gelet op het zicht dat een detacheringsbedrijf heeft op de arbeidsmarkt en de vraag van opdrachtgevers - met “het blijven monitoren” in voldoende mate nagaat of aan een arbeidsongeschikte werknemer in het kader van zijn re-integratie passende werkzaamheden kunnen worden opgedragen, indien deze wijze van invulling van de re-integratieinspanningen inzichtelijk en controleerbaar is. Volgens het Uwv is in het geval van appellante op geen enkele wijze inzichtelijk en controleerbaar of en op welke zij met “het blijven monitoren” daadwerkelijk de inspanning heeft gepleegd die redelijkerwijs van haar mocht worden verwacht.


4.4.

De Raad is van oordeel dat, indien een re-integratie-activiteit van de werkgever bestaat uit het bij binnenkomende opdrachten telkenmale nagaan of die zien op arbeid die in enigerlei vorm aan een te re-integreren werknemer kunnen worden aangeboden, het Uwv terecht vereist dat met een schriftelijk verslag inzicht wordt verschaft in de beoordeelde opdrachten en het moment waarop die beoordelingen (al dan niet periodiek) hebben plaatsgevonden. Het vereiste van schriftelijke vastlegging volgt uit wat in artikel 3 van de Regeling procesgang is bepaald en sluit aan bij de uit artikel 25, eerste lid, van de Wet WIA voortvloeiende verplichting tot verantwoording van de gepleegde re-integratie-inspanningen.


4.5.

Appellante heeft ter zitting van de rechtbank wel gesteld dat zij van maart tot juni 2011 heeft getracht voor werknemer passend werk te vinden en dat zij haar inspanningen vanaf oktober 2011 heeft hervat, maar zij heeft - ook nadat zij was geconfronteerd met de opvatting van het Uwv dat niet concreet is gemaakt waaruit die inspanningen hebben bestaan - nagelaten een controleerbare beschrijving van haar re-integratie-activiteiten in het geding te brengen.


4.6.

Uit 4.2 tot en met 4.5 volgt dat het oordeel dat de rechtbank heeft gegeven over het bestreden besluit wordt onderschreven. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd, voor zover die door appellante in hoger beroep ter discussie is gesteld.


5. Voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep is geen aanleiding.


BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.



Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk als voorzitter en M. Greebe en C.J. Borman als leden, in tegenwoordigheid van W. de Braal als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2015.




(getekend) J.S. van der Kolk




(getekend) W. de Braal





MK