Centrale Raad van Beroep, 08-05-2015 / 13-5076 WIA


ECLI:NL:CRVB:2015:1719

Inhoudsindicatie
Het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank en de overwegingen waarop dat oordeel berust, worden onderschreven. Ook de in hoger beroep ingediende informatie biedt geen aanknopingspunten om een ernstiger medische situatie op de datum in geding aan te nemen dan waarvan het Uwv is uitgegaan. Geen aanleiding om een deskundige te benoemen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-05-08
Publicatiedatum
2015-06-03
Zaaknummer
13-5076 WIA
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/5076 WIA

Datum uitspraak: 8 mei 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 6 augustus 2013, 13/451 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. U. Ugur, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft bij brief van 11 februari 2015 een huisartsjournaal en een brief van de fysiotherapeut aan de Raad gezonden.

Bij brief van 12 februari 2015 heeft het Uwv aanvullende rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 februari 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. K. Aslan en vergezeld door A. Arpat, tolk. Het Uwv heeft zich niet laten vertegenwoordigen. Het onderzoek ter zitting is geschorst om partijen in de gelegenheid te stellen op de kort voor de zitting ingediende stukken te reageren.

Partijen hebben over en weer op die stukken gereageerd.

Het onderzoek ter zitting is hervat op 27 maart 2015. Appelante is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Aslan en vergezeld door A. Kabaktepe, tolk. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J. van Dalfsen.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellante is werkzaam geweest als naaister. Op 17 mei 2004 heeft zij zich vanuit de situatie dat zij een uitkering ontving op grond van de Werkloosheidswet, ziek gemeld in verband met psychische klachten. Naar aanleiding van haar aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) per einde wachttijd heeft verzekeringsgeneeskundig onderzoek plaatsgevonden waarvan de conclusie was dat er geen duurzaam benutbare mogelijkheden waren. Dit heeft geleid tot het besluit van 11 mei 2006 waarbij is vastgesteld dat voor appellante met ingang van 15 mei 2006 recht is ontstaan op een loongerelateerde WGA-uitkering. Bij een beoordeling in 2011 heeft een verzekeringsarts vastgesteld dat appellante nog steeds geen benutbare mogelijkheden heeft en dat de beperkingen duurzaam zijn te noemen. Bij besluit van 19 oktober 2011 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante vanaf 23 augustus 2011 recht heeft op een uitkering op grond van de Inkomensverzekering voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten (IVA).


1.2.

In het kader van een herbeoordeling van haar arbeidsongeschiktheid is appellante op 27 januari 2012 onderzocht door een andere verzekeringsarts. Deze arts heeft appellante op basis van eigen onderzoek en informatie van de huisarts belastbaar voor arbeid geacht overeenkomstig de opgestelde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 2 februari 2012. Na arbeidskundig onderzoek, waarbij appellante geschikt werd geacht voor passende werkzaamheden, heeft het Uwv bij besluit van 7 juni 2012 de IVA-uitkering met ingang van 8 augustus 2012 ingetrokken omdat appellante niet langer arbeidsongeschikt werd geacht. Bij besluit van 11 januari 2013 (bestreden besluit) heeft het Uwv, na advisering door een verzekeringsarts bezwaar en beroep, het bezwaar van appellante tegen het besluit van 7 juni 2012 ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3.1.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat haar (voormalige) behandelaars van opvatting zijn dat de psychische situatie van appellante veel slechter is dan de verzekeringsartsen hebben aangenomen. Zij heeft in dit verband informatie van de behandelend GZ-psycholoog van 11 november 2013 aan de Raad gezonden waarin is vermeld dat bij appellante sprake is van een ernstige depressieve stoornis en een posttraumatische stressstoornis. Vanwege de tegenstijdige diagnoses van de behandelaars en de verzekeringsartsen heeft appellante de Raad verzocht een psychiater als deskundige te benoemen. Verder heeft appellante aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte geen oordeel heeft gegeven over de gevolgen van het medicijngebruik voor haar belastbaarheid en heeft zij informatie van de apotheek overgelegd. Ten slotte heeft appellante gesteld dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat de verzekeringsartsen rekening hebben gehouden met het feit dat appellante vanwege depressieve uitingen haar collega’s in verwarring kan brengen; zij is echter van mening dat ook de arbeidsdeskundigen dit aspect in de beoordeling hadden moeten betrekken en artikel 9, onder e, van het Schattingsbesluit hadden moeten toepassen bij de arbeidskundige beoordeling.


3.2.

Het Uwv heeft de Raad verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.


4. De Raad oordeelt als volgt.


4.1.

Het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank en de overwegingen waarop dat oordeel berust, worden onderschreven. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat de medische beoordeling zorgvuldig is geweest en dat appellante onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij meer beperkingen heeft dan het Uwv heeft aangenomen. In reactie op de in beroep ingezonden informatie van psychiater F. Kaya van

9 augustus 2011, alsmede van een sociaal psychiatrisch verpleegkundige van Dimence van

13 november 2012 en een arts van Dimence van 9 april 2013, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 13 mei 2013 inzichtelijk en overtuigend toegelicht dat deze, deels al bekende, informatie niet leidt tot een andere beoordeling dan in de bezwaarprocedure. Daartoe heeft deze verzekeringsarts gesteld dat de door de behandelaars gestelde diagnoses niet worden ondersteund door vermelding van onderzoeksbevindingen ter toetsing van die diagnosen en dat er bij het verzekeringsgeneeskundig onderzoek in januari 2012 geen aanwijzingen voor een ernstig psychiatrisch ziektebeeld naar voren zijn gekomen. Voorts bleek die verzekeringsarts dat appellante psychiater Kaya niet meer had bezocht. In de beschikbare medische stukken heeft de Raad geen aanknopingspunten gezien dit standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep voor onjuist te houden.


4.2.

Ook de in hoger beroep ingediende informatie van 11 november 2013 van GZ-psycholoog D. Ince-Özcan, bij wie appellante sinds oktober 2013 in behandeling was, geeft geen aanleiding tot twijfel aan de juistheid van de verzekeringsgeneeskundige beoordeling door het Uwv omdat in dit rapport slechts een beschrijvende diagnose is gegeven die niet is gericht op de situatie van appellante rond de datum in geding, 8 augustus 2012, en die dan ook geen aanknopingspunten biedt om een ernstiger medische situatie op de datum in geding aan te nemen dan waarvan het Uwv is uitgegaan.


4.3.

De in hoger beroep ingediende informatie van de apotheek biedt evenmin aanknopingspunten voor twijfel aan de medische grondslag van het bestreden besluit, nu het medicijngebruik van appellante bekend was bij de verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep in reactie op de in beroep overgelegde bijsluiters voldoende overtuigend heeft opgemerkt dat hieruit niet blijkt dat de mogelijke bijwerkingen van de medicatie die appellante gebruikt zich ook bij haar hebben geopenbaard. Voorts valt uit het rapport van het onderzoek van de verzekeringsarts van 27 januari 2012 ook niet af te leiden dat appellante op het spreekuur melding heeft gemaakt van die bijwerkingen.


4.4.

In hetgeen is overwogen in 4.1 tot en met 4.3 ligt besloten dat de Raad geen aanleiding ziet een deskundige te benoemen.


4.5.

Uitgaande van de juistheid van de FML heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de functies die aan de schatting ten grondslag zijn gelegd in medisch opzicht geschikt zijn voor appellante.


4.6.

In vaste rechtspraak van de Raad (bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 14 december 2007, ECLI:NL:2007:BC1691 ligt besloten dat de in artikel 9, aanhef en onder e, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten bedoelde kenmerken op grond waarvan van een werkgever in redelijkheid niet kan worden verlangd appellante in bepaalde arbeid te werk te stellen, betrekking hebben op andere aspecten dan de aspecten die in aanmerking worden genomen bij de vraag naar de passendheid van geselecteerde functies in medisch en arbeidskundig opzicht. Nu bij de vraag naar de passendheid van de geselecteerde functies in medisch en arbeidskundig opzicht rekening is gehouden met het totaal van vastgestelde medische beperkingen van appellante ten aanzien van haar persoonlijk en sociaal functioneren, kunnen deze beperkingen rechtens niet tevens worden aangemerkt als kenmerken bedoeld in artikel 9, aanhef en onder e, van het Schattingsbesluit.


4.7.

Uit de overwegingen 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.


5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van W. de Braal als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2015.




(getekend) C.W.J. Schoor




(getekend) W. de Braal




NW