Centrale Raad van Beroep, 20-05-2015 / 13-5321 BABW


ECLI:NL:CRVB:2015:1720

Inhoudsindicatie
Deze uitspraak is gerectificeerd met ECLI:NL:CRVB:2015:3047. De gerectificeerde tekst is opgenomen in ECLI:NL:CRVB:2015:3048. Onderstaande tekst is niet meer geldig.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-05-20
Publicatiedatum
2015-06-03
Zaaknummer
13-5321 BABW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht

Formele relatie


Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/5321 BABW

Datum uitspraak: 20 mei 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank [woonplaats] van

10 januari 2013, 12/2406 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het algemeen bestuur van de bestuurscommissie van het Stadsdeel Oost (algemeen bestuur)

PROCESVERLOOP

Als gevolg van de inwerkingtreding van de wet van 7 februari 2013 tot wijziging van de Gemeentewet en enige andere wetten in verband met het afschaffen van de bevoegdheid van gemeentebesturen om deelgemeenten in te stellen (Stb. 2013, 76) is het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (college) in de plaats getreden van het dagelijks bestuur van het Stadsdeel Oost van de gemeente Amsterdam (dagelijks bestuur), ten name van wie het geding aanvankelijk is gevoerd. Het college heeft de bevoegdheid om te beslissen op aanvragen voor een gehandicaptenparkeerkaart gedelegeerd aan het algemeen bestuur van de bestuurscommissie van het Stadsdeel Oost.

Namens appellante heeft mr. J.S. Vlieger, advocaat, hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling).

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Na de zaak ter zitting behandeld te hebben, heeft de Afdeling zich in zijn uitspraak van

25 september 2013 onbevoegd verklaard om kennis te nemen van het hoger beroep en dit beroep doorgezonden naar de Raad.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 februari 2015. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Vlieger. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. ing. H. Pals.

OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.


1.1.

Bij besluit van 31 maart 2011 heeft het dagelijks bestuur de aanvraag voor een gehandicaptenparkeerkaart type passagier afgewezen. Hieraan heeft het dagelijks bestuur een advies van 21 februari 2011 van [naam A], arts bij de GGD Amsterdam, ten grondslag gelegd.


1.2.

Tegen dit besluit heeft appellante bezwaar gemaakt. Zij heeft in bezwaar informatie van de neuroloog J.L.W. Bosboom van 16 december 2011 en 10 februari 2012 en informatie van haar huisarts van 7 februari 2012 overgelegd. Hierop heeft de GGD-arts [naam A] gereageerd met brieven van 23 januari 2012 en 29 februari 2012.


1.3.

Bij besluit van 17 april 2012 (bestreden besluit) heeft het dagelijks bestuur het bezwaar ongegrond verklaard.


1.4.

In beroep heeft appellante informatie van de anesthesioloog-pijngeneeskundige van

23 december 2012 en informatie van de orthopedisch chirurg van 15 november 2012 en

21 december 2012 overgelegd.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.


3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij voert aan dat er aanleiding is te twijfelen aan de adviezen van de GGD en dat de rechtbank een deskundige had moeten inschakelen. Het beroep op het vertrouwensbeginsel heeft de rechtbank volgens appellante ten onrechte afgewezen.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Ingevolge artikel 49, eerste lid, van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer kan aan een gehandicapte, overeenkomstig de bij ministeriële regeling gestelde criteria, door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar hij als ingezetene is ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens, een gehandicaptenparkeerkaart worden verstrekt.


4.2.

Deze regeling is de Regeling gehandicaptenparkeerkaart (Regeling).

Ingevolge het eerste lid, aanhef en onder b, kunnen passagiers van motorvoertuigen op meer dan twee wielen en van brommobielen, die ten gevolge van een aandoening of gebrek een aantoonbare loopbeperking hebben van langdurige aard, waardoor zij - met de gebruikelijke loophulpmiddelen - in redelijkheid niet in staat zijn zelfstandig een afstand van meer dan honderd meter aan een stuk te voet te overbruggen en die voor het vervoer van deur tot deur continu afhankelijk zijn van de hulp van de bestuurder, voor een gehandicaptenparkeerkaart in aanmerking komen.


4.3.

Niet in geschil is dat appellante voldoet aan de voorwaarde dat zij in redelijkheid niet in staat is zelfstandig een afstand van meer dan honderd meter aan een stuk te voet te overbruggen. Tussen partijen is in geschil of appellante voor het vervoer van deur tot deur continu afhankelijk is van de hulp van de bestuurder. Volgens de arts [naam A] is dat niet het geval.


4.4.

Anders dan appellante betoogt, is er geen aanleiding om te concluderen dat het medisch onderzoek van de GGD-arts onzorgvuldig tot stand is gekomen. Uit het rapport van

21 februari 2011 volgt dat deze arts tot haar conclusie is gekomen op basis van mondeling verstrekte gegevens, observatie van het looppatroon, kennis van het betrokken ziektepatroon en dossierstudie. De arts heeft tevens informatie van de huisarts van 21 februari 2011 en van de neuroloog van 3 mei 2007 bij de beoordeling betrokken en haar bevindingen getoetst aan het Protocol gehandicaptenparkeervoorzieningen van de Vereniging van indicerende en adviserende Artsen. Voorts heeft de GGD-arts in haar rapporten van 23 januari 2012 en

29 februari 2012 gereageerd op informatie van de neuroloog van 16 december 2011 en van

10 februari 2012 en van de huisarts van 7 februari 2012.


4.5.

De door appellante overgelegde informatie van de behandelend sector geeft geen aanleiding tot twijfel aan het oordeel van de GGD-arts. De Raad wijst er in dit verband op dat de neuroloog Bosboom in zijn brieven van 16 december 2011 en 10 februari 2012 heeft verklaard dat appellante door pijnklachten duidelijk gehinderd wordt in haar mobiliteit en dat hierdoor haar loopafstand duidelijk is verkort. Een duidelijke neurologische aandoening is niet aangetoond. Volgens de neuroloog zijn de klachten van het bewegingsapparaat dusdanig ernstig dat appellante ook bij kleine stukjes lopen van deur tot deur afhankelijk is van begeleiding. De Raad stelt vast dat de neuroloog niet heeft onderbouwd waarom hij meent dat hier van sprake is. De Raad wijst er in dit verband op dat uit zijn informatie niet is op te maken of de neuroloog continue begeleiding in de zin van de Regeling voor ogen heeft gehad. Voorts blijkt uit de stukken niet dat appellante niet even kan wachten, al dan niet gezeten op een rollator, totdat de auto is geparkeerd. Dat appellante continu afhankelijk is van begeleiding volgt evenmin uit de informatie van de huisarts en de orthopedisch chirurg. De informatie van de huisarts, waarin is aangegeven dat appellante begeleid moet worden, is gebaseerd op inlichtingen van de dochter van appellante. Uit de informatie van de orthopedisch chirurg volgt dat appellante kan mobiliseren met een rollator.


4.6.

Nu er geen reden is tot twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling door de GGD-arts, ziet de Raad geen aanleiding om een medische deskundige te benoemen.


4.7.

Het beroep van appellante op het vertrouwensbeginsel slaagt niet. In het verweerschrift in bezwaar is vermeld dat het besluit van 31 maart 2011 wordt herzien indien appellante met nieuwe medische informatie komt waaruit blijkt dat zij wel van deur tot deur continu afhankelijk is van de hulp van de bestuurder. Appellante is echter niet met informatie gekomen waaruit dit blijkt.


4.8.

Uit het voorgaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.


5.1.

De Afdeling heeft in zijn uitspraak van 25 september 2013 de voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten in verband met de behandeling van het hoger beroep bij de Afdeling vastgesteld. Dit betreft een bedrag van € 944,-. Uit dit bedrag kan worden afgeleid dat de Afdeling met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht 1 punt heeft toegekend voor het indienen van een hoger beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarbij rekening is gehouden met het destijds geldende tarief van € 376,- per punt. De Afdeling heeft bepaald dat de Raad bij de beslissing op het hoger beroep dient te beslissen of die kosten inderdaad moeten worden vergoed.


5.2.

Er is aanleiding voor een veroordeling in de kosten die appellante in de procedure voor de Afdeling heeft moeten maken. De bestreden uitspraak van de rechtbank bevatte een onjuiste rechtsmiddelenverwijzing, waardoor appellante niet bij de juiste instantie in hoger beroep is gekomen. De Afdeling heeft haar onbevoegdheid eerst na de zitting bij de Afdeling ambtshalve geconstateerd. Als gevolg hiervan heeft de gemachtigde van appellante ten onrechte een zitting bij de Afdeling bijgewoond. De door appellante, als gevolg hiervan gemaakte kosten, van beroepsmatig verleende bijstand voor het bijwonen van de zitting dienen dan ook vergoed te worden. De kosten die zijn gemaakt voor het indienen van een hoger beroepschrift komen echter niet voor vergoeding in aanmerking. Deze kosten had appellante ook moeten maken als zij meteen bij de Raad hoger beroep had ingesteld. Nu hiervoor is overwogen dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt is er geen aanleiding om deze kosten te vergoeden.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


  • - bevestigt de aangevallen uitspraak;
  • - veroordeelt het algemeen bestuur in de proceskosten van appellante tot een bedrag van

€ 376,-.



Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en A.J. Schaap en M.F. Wagner als leden, in tegenwoordigheid van V. van Rij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2015.



(getekend) R.M. van Male




(getekend) V. van Rij





MK