Centrale Raad van Beroep, 28-05-2015 / 13-5151 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:1727

Inhoudsindicatie
De onderzoeksbevindingen leveren onvoldoende op voor de conclusie dat appellante in de te beoordelen periode haar woonplaats heeft gehad buiten de gemeente [naam gemeente 1]. Het college is dan ook niet bevoegd om de bijstand van appellante over die periode in te trekken en de kosten van bijstand van haar terug te vorderen. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Omwille van de duidelijkheid zal de Raad de aangevallen uitspraak in zijn geheel vernietigen behalve de in die uitspraak opgenomen beslissingen over proceskosten en griffierecht. De Raad zal zelf in de zaak voorzien en de besluiten van 14 november 2012 en 22 november 2012 herroepen, omdat die op dezelfde onhoudbaar gebleken grondslag berusten en niet aannemelijk is dat dit gebrek nog kan worden hersteld.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-05-28
Publicatiedatum
2015-06-05
Zaaknummer
13-5151 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/5151 WWB

Datum uitspraak: 28 mei 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 8 augustus 2013, 13/2196 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Almere (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.J.M. Peeters, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 februari 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Peeters. Het college heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellante ontving met ingang van 1 juli 2010 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Volgens de Gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (thans: Basisregistratie Personen) staat appellante ingeschreven op het door haar opgegeven adres [adres 1] te [plaatsnaam 1] (uitkeringsadres).


1.2.

Naar aanleiding van een anonieme melding dat appellante samenwoont met haar vriend [naam vriend] (B) op het adres [adres 2] te [plaatsnaam 2], is door de afdeling Sociale Zaken, team handhaving, van de gemeente Almere een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader is onder meer dossieronderzoek gedaan, zijn waarnemingen gedaan op het adres [adres 2] te [plaatsnaam 2], en gegevens opgevraagd over het waterverbruik op het uitkeringsadres en het adres [adres 2] te [plaatsnaam 2]. Daarnaast is op 24 oktober 2012 een onaangekondigd huisbezoek verricht op het adres [adres 2] te [plaatsnaam 2] en zijn buurtbewoners in de omgeving van dat adres bevraagd. Appellante is op 24 oktober en op 30 oktober 2012 gehoord. De bevindingen van het onderzoek zijn opgenomen in een rapport van 7 november 2012.


1.3.

Op grond van de onderzoeksbevindingen heeft het college bij besluit van 14 november 2012 de bijstand van appellante met ingang van 1 april 2011 ingetrokken. Bij besluit van

22 november 2012 heeft het college de over de periode van 1 april 2011 tot en met 31 oktober 2012 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 16.706,90 van appellante teruggevorderd.


1.4.

Bij besluit van 7 maart 2013 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen de besluiten van 14 november en 22 november 2012 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met B op het adres [adres 2] in [plaatsnaam 2], waarvan zij in strijd met de op haar rustende inlichtingenverplichting geen melding heeft gedaan. Zij was geen zelfstandig subject van bijstand, zodat zij geen recht had op bijstand naar de norm voor een alleenstaande.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd, voor zover dat betrekking heeft op de intrekking van de bijstand. Daartoe heeft de rechtbank, voor zover van belang, onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Raad overwogen dat het niet aan het college is om te beoordelen of appellante een gemeenschappelijke huishouding voerde met haar partner op het adres [adres 2] te [plaatsnaam 2]. De intrekking van de bijstand is daarom ten onrechte op die grondslag gebaseerd. Volgens de rechtbank bieden de resultaten van het onderzoek echter voldoende grondslag voor het oordeel dat appellante met ingang van 1 april 2011 niet haar woonplaats in [plaatsnaam 1] had. De rechtbank heeft daarin aanleiding gezien te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit in stand blijven.


3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellante heeft betwist dat haar verklaringen en de onderzoeksbevindingen de conclusie kunnen dragen dat zij ten tijde in geding niet meer woonachtig was in de gemeente [naam gemeente 1].


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

De te beoordelen periode bestrijkt in dit geval de periode van 1 april 2011 tot en met

14 november 2012.


4.3.

Ingevolge artikel 40, eerste lid, eerste volzin, van de WWB bestaat het recht op bijstand jegens het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar de belanghebbende woonplaats heeft als bedoeld in de artikelen 10, eerste lid en 11 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Volgens artikel 1:10, eerste lid, van het BW bevindt de woonplaats van een natuurlijk persoon zich te zijner woonstede, en bij gebreke van een woonstede ter plaatse van zijn werkelijk verblijf. In artikel 1:11, eerste lid, van het BW is bepaald dat een natuurlijk persoon zijn woonstede verliest door daden, waaruit zijn wil blijkt om haar prijs te geven. Dit sluit naar vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 19 juni 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA8305) niet uit dat een woonstede ook op grond van andere feiten en omstandigheden geacht kan worden te zijn verplaatst. De vraag waar iemand zijn of haar woonplaats heeft als bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de WWB dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.


4.5.

De bevindingen van het onderzoek, die vooral waren gericht op de vraag of appellante een gezamenlijke huishouding met B voerde in de gemeente [naam gemeente 2], bieden geen toereikende grondslag voor het standpunt dat appellante in de te beoordelen periode haar woonplaats heeft gehad buiten de gemeente [naam gemeente 1].


4.5.1.

De verklaringen van appellante zijn weinig concreet, niet eenduidig en bovendien wisselend wat betreft de frequentie van haar verblijf op het adres [adres 2] te [plaatsnaam 2]. Zo heeft appellante op 24 oktober 2012 verklaard dat zij sinds anderhalf jaar een relatie heeft met B en dat zij daar nu sinds een half jaar komt, zij denkt ongeveer vier maanden. Zij is drie tot vier keer per week in [plaatsnaam 2] en zij blijft daar een, twee of drie keer per week slapen. Op 30 oktober 2012 heeft appellante op de vraag hoe vaak zij bij haar vriend in [plaatsnaam 2] is, geantwoord dat zij op verschillende dagen in de week in [plaatsnaam 2] is. Dat kan een dag zijn, twee of drie dagen, maar ook wel eens een week niet. Dat tijdens het huisbezoek aan het adres in [plaatsnaam 2] enkele persoonlijke verzorgingsspullen en wat kleding van appellante zijn aangetroffen, is niet voldoende voor de conclusie dat appellante niet woonde in de gemeente [naam gemeente 1].


4.5.2.

Het buurtonderzoek in de omgeving van [adres 2] te [plaatsnaam 2] omvat de verklaringen van vier buurtbewoners. Aan deze beknopte verklaringen, waarvan er een anoniem is afgelegd, kan niet die betekenis worden gehecht die het college daaraan toedicht. Deze verklaringen bevatten onvoldoende concrete feiten en omstandigheden om te kunnen oordelen dat deze getuigen terecht tot de conclusie zijn gekomen dat appellante op dat adres woont.


4.5.3.

De bevindingen tijdens de waarnemingen op de [adres 2] in [plaatsnaam 2] kunnen evenmin dienen ter ondersteuning van die conclusie, omdat appellante en B toen niet zijn waargenomen. De verbruiksgegevens van het uitkeringsadres - en dit is tussen partijen ook niet in geschil - bieden geen aanknopingspunten voor de conclusie dat appellante haar hoofdverblijf niet had op het uitkeringsadres. De omstandigheid dat uit de bankafschriften van appellante naar voren komt dat zij zeer regelmatig pinbetalingen verricht in [plaatsnaam 2] is in dit verband onvoldoende.


4.6.

De onderzoeksbevindingen in onderling verband en samenhang bezien, leveren onvoldoende op voor de conclusie dat appellante in de te beoordelen periode haar woonplaats heeft gehad buiten de gemeente [naam gemeente 1]. Het college is dan ook niet bevoegd om de bijstand van appellante over die periode in te trekken en de kosten van bijstand van haar terug te vorderen. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Omwille van de duidelijkheid zal de Raad de aangevallen uitspraak in zijn geheel vernietigen behalve de in die uitspraak opgenomen beslissingen over proceskosten en griffierecht. De Raad zal het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. Voorts bestaat aanleiding om zelf in de zaak te voorzien en de besluiten van 14 november 2012 en 22 november 2012 te herroepen, omdat die op dezelfde onhoudbaar gebleken grondslag berusten en niet aannemelijk is dat dit gebrek nog kan worden hersteld.


5. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de kosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 980,- in bezwaar en op € 980,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal dus € 1.960,-.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep


- vernietigt de aangevallen uitspraak, behalve de beslissingen inzake de

proceskostenveroordeling en het griffierecht;

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 7 maart 2013;

- herroept de besluiten van 14 en 22 november 2012;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 7 maart 2013;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.960,-;

- bepaalt dat het college aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 118,-

vergoedt.



Deze uitspraak is gedaan door A.M. Overbeeke, in tegenwoordigheid van M.S. Boomhouwer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2015.




(getekend) A.M. Overbeeke




(getekend) M.S. Boomhouwer




HD