Centrale Raad van Beroep, 28-05-2015 / 13-5064 AW


ECLI:NL:CRVB:2015:1732

Inhoudsindicatie
Het was voor betrokkene niet mogelijk om direct voorafgaande aan het einde van zijn dienstverband langdurig verlof op te nemen. Uitbetaling 466 verlofuren aan betrokkene op grond van artikel 5.5, vijfde lid, van de CAO NU. Dat betrokkene bij brief van 9 april 2008 is gewezen op de onmogelijkheid om tot uitbetaling over te gaan doet daaraan niet af, nu de brief in zoverre in strijd is met deze bepaling. Ook het door appellant aan betrokkene op 27 april 2010 gedane aanbod om vervroegd gebruik te maken van de regeling Flexibel Pensioen en Uittreden, waarbij hij geacht werd om voorafgaand aan de voorgestelde ontslagdatum van 1 september 2010 al zijn verlof te hebben opgenomen, kan niet tot een ander oordeel leiden. Deze voorwaarde maakte onderdeel uit van het door appellant gedane voorstel dat betrokkene niet heeft aanvaard. Vernietiging uitspraak. De Raad ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien door te bepalen dat aan betrokkene 466 verlofuren dienen te worden uitbetaald. Nu appellant reeds 445 verlofuren heeft uitbetaald, resteert feitelijk een uitbetaling van 21 verlofuren. Appellant dient daarbij het door hem berekende bedrag van € 44,43 per uur te hanteren en het nog uit te betalen bedrag te vermeerderen met wettelijke rente.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-05-28
Publicatiedatum
2015-06-05
Zaaknummer
13-5064 AW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/5064 AW, 13/5881 AW, 13/6559 AW

Datum uitspraak: 28 mei 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

6 augustus 2013, 12/3678 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het college van bestuur van de Universiteit van Amsterdam (appellant)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. R.V.H. Jonker, advocaat, incidenteel hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene is een verweerschrift ingediend. Appellant heeft een verweerschrift en een zienswijze ingediend.

Appellant heeft ter uitvoering van de aangevallen uitspraak op 25 september 2013 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen, deze beslissing ingetrokken, en bij gewijzigde beslissing op bezwaar van 14 oktober 2013 het bezwaar van betrokkene gedeeltelijk gegrond verklaard.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 april 2015. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Y.C. Scheepers en mr. F.Y. van Arnhem. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Jonker.

OVERWEGINGEN


1.1.

Betrokkene is in 1979 in dienst getreden van de [universiteit]. Hij bekleedde uit hoofde van zijn aanstelling bij de [universiteit] voor 0,2 fte de functie van directeur van de [stichting]. Uit hoofde van zijn aanstelling bij de [universiteit] was betrokkene voorts voor 0,3 fte als directeur verbonden aan het [instituut], bekleedde hij voor 0,1 fte de functie van opleidingsdirecteur van de [instituut], verrichtte hij voor 0,2 fte onderzoek en begeleidde hij in het kader daarvan als bijzonder hoogleraar promovendi.


1.2.

Het bijzonder hoogleraarschap van betrokkene is geëindigd per 31 mei 2010. Voorts is de functie van betrokkene als opleidingsdirecteur [instituut] beëindigd. Op 19 juli 2010 is een nieuwe directeur benoemd.


1.3.

Na op 3 december 2009 een voornemen tot reorganisatie van het [instituut] bekend te hebben gemaakt, heeft appellant op 9 juli 2010 besloten om het [instituut] als zelfstandige entiteit met ingang van 1 september 2010 op te heffen en op dezelfde datum de Transitie Organisatie (TO) in te stellen. Bij besluit van eveneens 9 juli 2010 heeft appellant aan betrokkene het voornemen kenbaar gemaakt om hem met ingang van 1 september 2010 in de TO te plaatsen. Daarbij is meegedeeld dat betrokkene hiermee basis en structuur wordt geboden om - met begeleiding - naar een passende functie binnen of buiten de universiteit te zoeken.


1.4.

Bij besluit van 26 augustus 2010 heeft appellant met ingang van 1 september 2010 de functie van betrokkene als universitair hoofddocent opgeheven, de benoeming van betrokkene als directeur van het [instituut] beëindigd, betrokkene aangemerkt als ontslagbedreigde en hem aangewezen als herplaatsingskandidaat. Hij is voorts met ingang van 1 september 2010 in de TO geplaatst, waarvan V met ingang van 1 september 2010 als directeur is benoemd. Het ‘Kader voor sociaal beleid bij reorganisaties’ en het ‘Sociaal Statuut bij reorganisaties 2008’ (Sociaal Statuut) is op betrokkene van toepassing verklaard.


1.5.

Op 31 januari 2011 heeft appellant, gezien de ontwikkelingen in de afgelopen periode omtrent de toekomst van de activiteiten van [stichting] besloten dat betrokkene zijn functionele werkzaamheden ten behoeve van [stichting], uitgevoerd binnen het kader van zijn aanstelling bij de [universiteit] met onmiddellijke ingang dient te beëindigen, omdat deze werkzaamheden het belang van de UvA schaden. Subsidiair heeft appellant de toestemming voor het verrichten van deze werkzaamheden ingetrokken.


1.6.

Bij brief van 7 februari 2011 heeft het bestuur van [stichting] op dit besluit gereageerd. Het bestuur heeft kenbaar gemaakt dat de continuïteit van [stichting] in gevaar is gebracht door het verbod aan betrokkene om als directeur op te treden en dat het geen andere keuze ziet dan de betrokken personeelsleden zelf zekerheid te bieden door het aangaan van een dienstverband met hen om [stichting] in stand te kunnen houden. Dit is ook in het belang van de UvA, omdat betrokkenen op de nominatie staan door de [universiteit] te worden ontslagen, aldus het bestuur.


1.7.

Betrokkene is op eigen verzoek van 28 februari 2011 met ingang van 1 maart 2011 ontslag verleend als ambtenaar van de [universiteit]. Hij is met ingang van dezelfde datum in dienst getreden van [stichting].


1.8.

Bij brief van 5 mei 2011 heeft betrokkene verzocht om uitbetaling van 692 openstaande verlofuren. Betrokkene heeft in verband met zijn ontslag een eindafrekening ontvangen waarin een vergoeding voor deze verlofuren ontbreekt.


1.9.

Bij besluit van 17 januari 2012 heeft appellant dit verzoek afgewezen.


1.10.

Bij besluit van 7 juni 2012 (bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar tegen het besluit van 17 januari 2012 ongegrond verklaard.


2.1.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en appellant opgedragen om met inachtneming van de uitspraak een nieuw besluit te nemen. De rechtbank heeft overwogen dat betrokkene voorafgaand aan het einde van zijn dienstverband niet in de gelegenheid is geweest om zijn volledige verloftegoed op te nemen. Dat betekent dat appellant ten onrechte heeft geweigerd om in elk geval een aanzienlijk deel van het tegoed aan verlofuren aan betrokkene uit te betalen. Betrokkene heeft na 1 september 2010 zijn onderzoekswerkzaamheden volledig moeten voortzetten en heeft zijn werkzaamheden als directeur van het [instituut], als directeur van [stichting] en zijn onderwijstaak in ieder geval gedeeltelijk moeten voortzetten. Gelet op de onderverdeling in fte van de werkzaamheden zou begroot kunnen worden dat betrokkene over de periode

1 september 2010 tot 1 maart 2011 voor 0,55 fte (0,2 fte directeurschap [instituut], 0,1 fte directeurschap [stichting], 0,05 fte onderwijs, 0,2 fte onderzoek) van zijn dienstverband van 0,8 fte niet in de gelegenheid is geweest om zijn vakantie-uren op te nemen. De rechtbank gaat niet over tot finale geschilbeslechting, maar geeft partijen mee om ten aanzien van dit punt gezamenlijk tot een vaststelling te komen, eventueel met behulp van een onafhankelijke derde. Hierbij wordt gedacht aan een mediator.


2.2.

Bij de ter uitvoering van de uitspraak genomen beslissing op bezwaar van 14 oktober 2013 heeft appellant besloten aan betrokkene 445 verlofuren uit te betalen, vermeerderd met wettelijke rente.


3.1.

In hoger beroep heeft appellant betwist dat betrokkene niet in de gelegenheid is gesteld om zijn openstaande verlofuren op te nemen. Het is een eigen verantwoordelijkheid van betrokkene om daartoe een of meerdere verlofaanvragen in te dienen. Dat betrokkene dit niet heeft gedaan dient voor zijn rekening te komen.


3.2.

Betrokkene voert aan dat hij recht heeft op uitbetaling van alle openstaande verlofuren. Hij is niet in de gelegenheid geweest om deze op te nemen. Zijn werkzaamheden en zijn positie als herplaatsingskandidaat lieten dit niet toe.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

De door betrokkene in het kader van het incidenteel hoger beroep aangevoerde beroepsgronden, die zien op de uitbetaling van opgebouwde en niet genoten verlofuren, zullen gezamenlijk worden besproken met het hoger beroep van appellant, gezien de sterke verwevenheid tussen deze beroepsgronden.


4.2.

Uit artikel 4.7, achtste lid onder a, van de CAO Nederlandse Universiteiten (CAO NU) volgt dat de werknemer vakantie opneemt in het jaar waarin de aanspraak is ontstaan. Artikel 8.2 van de CAO NU bepaalt dat de werknemer die bij het einde van het dienstverband aantoonbare eerder opgebouwde vakantie- of verlofaanspraken heeft en niet in de gelegenheid is gesteld die op te nemen recht heeft op een uitkering in geld.

Artikel 5.5. van de CAO NU heeft betrekking op het Meerjaren spaarmodel en voorziet in de mogelijkheid om vakantie-uren te sparen ten behoeve van een langdurige aaneengesloten verlofperiode. Het vijfde lid van artikel 5.5. bepaalt dat het in het kader van het Meerjaren spaarmodel opgebouwde verlof bij beëindiging van het dienstverband direct voorafgaand hieraan dient te worden opgenomen. Indien en voor zover dit niet mogelijk is vindt uitbetaling plaats.


4.3.

Van de openstaande verlofuren zijn 466 uren door betrokkene gespaard in het kader van het Meerjaren spaarmodel. Appellant wilde langdurig verlof aan het einde van zijn loopbaan bij de [universiteit], voorafgaand aan zijn pensioen, opnemen. Dit verlof diende te worden aangevraagd via de Menukaart arbeidsvoorwaarden. De overige verlofuren, het restverlof, diende te worden aangevraagd via Zelfbediening, waarbij de leidinggevende bevoegd was om dergelijke verlofaanvragen goed te keuren.


4.4.

Betrokkene diende het restverlof in beginsel jaarlijks op te nemen. Het lag op zijn weg om daartoe aanvragen in te dienen via Zelfbediening. Betrokkene heeft in 2011 een verlofaanvraag van 56 uur ingediend, die door zijn leidinggevende is gehonoreerd. Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat ook andere aanvragen, indien ingediend door betrokkene, zouden zijn goedgekeurd. Juist in de periode dat betrokkene was aangemerkt als herplaatsingskandidaat, zou appellant met verlofaanvragen soepel zijn omgegaan. Door betrokkene is dit niet betwist en de Raad heeft ook anderszins geen reden om daaraan te twijfelen. Betrokkene heeft dit echter nagelaten. Dat zijn werkzaamheden het opnemen van verlof niet toelieten, hoefde hem er niet van te weerhouden om jaarlijks verlofaanvragen in te dienen dan wel de door hem ervaren werkdruk zo nodig bij zijn leidinggevende aan de orde te stellen. Ook dat heeft betrokkene niet gedaan. Daarmee was van een situatie waarin betrokkene niet in de gelegenheid is gesteld om het openstaande restverlof op te nemen, geen sprake. Dit geldt ook voor het over het verleden opgebouwde verlofstuwmeer. Appellant was daarom niet gehouden om tot uitbetaling daarvan over te gaan.

4.5.

Voor zover betrokkene meent dat uit de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (thans: Hof van Justitie van de Europese Unie, hierna: Hof) van

20 januari 2009, nr. C-350/06, nr C-520/06, Schultz Hof e.a. volgt dat hij wel recht heeft op uitbetaling, kan dit betoog geen doel treffen. In het arrest heeft het Hof onder meer overwogen (punt 43) dat artikel 7, eerste lid, van richtlijn 2003/88/EG in beginsel niet in de weg staat aan een nationale wettelijke regeling die voorwaarden stelt voor de uitoefening van het uitdrukkelijk door deze richtlijn verleende recht op jaarlijkse vakantie, mits de werknemer wiens recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon verloren gaat, daadwerkelijk de mogelijkheid heeft gehad om van het hem door de richtlijn verleende recht gebruik te maken. Gelet op het onder 4.4. gegeven oordeel kan niet worden gezegd dat sprake is van strijd met artikel 7, eerste lid, van richtlijn 2003/88/EG, zoals uitgelegd door het Hof in het arrest Schultz-Hoff e.a.


4.6.

De vraag die vervolgens dient te worden beantwoord is of het voor betrokkene mogelijk is geweest om zijn in het kader van het Meerjaren spaarmodel opgebouwde verlofaanspraak direct voorafgaand aan het einde van zijn dienstverband op te nemen. De Raad is van oordeel dat dit niet het geval was. Betrokkene kan niet worden verweten dat hij zijn verlofaanspraak, bestemd voor het opnemen van langdurig verlof, niet direct voorafgaand aan het ingaan van zijn ontslag heeft opgenomen, nu van hem als herplaatsingskandidaat en ontslagbedreigde werd verwacht dat hij op zoek ging naar een passende functie binnen of buiten de [universiteit]. Dat hij uit dien hoofde een aan hem gedaan aanbod van [stichting] heeft geaccepteerd kan betrokkene niet worden tegengeworpen, nu van een vrijwillig ontslagverzoek in feite geen sprake was. Dat appellant op verzoek van betrokkene zijn medewerking heeft verleend aan het verlenen van ontslag op korte termijn, maakt dit niet anders. Appellant heeft nagelaten om met het oog op de positie van betrokkene als ontslagbedreigde dan wel in het kader van het feitelijke ontslagverzoek, afspraken te maken over het opnemen van de aanspraak op langdurig verlof. Dit mocht van appellant op grond van het Sociaal Statuut, waaruit volgt dat in het individueel begeleidingsplan afspraken dienden te worden opgenomen over de afbouw van het verlof, wel worden verwacht.


4.7.

Dit alles overziende komt de Raad tot de slotsom dat het voor betrokkene niet mogelijk was om direct voorafgaande aan het einde van zijn dienstverband langdurig verlof op te nemen. Appellant diende daarom de daarvoor bestemde 466 verlofuren op grond van

artikel 5.5, vijfde lid, van de CAO NU aan betrokkene uit te betalen. Dat betrokkene bij brief van 9 april 2008 is gewezen op de onmogelijkheid om tot uitbetaling over te gaan doet daaraan niet af, nu de brief in zoverre in strijd is met deze bepaling. Ook het door appellant aan betrokkene op 27 april 2010 gedane aanbod om vervroegd gebruik te maken van de regeling Flexibel Pensioen en Uittreden, waarbij hij geacht werd om voorafgaand aan de voorgestelde ontslagdatum van 1 september 2010 al zijn verlof te hebben opgenomen, kan niet tot een ander oordeel leiden. Deze voorwaarde maakte onderdeel uit van het door appellant gedane voorstel dat betrokkene niet heeft aanvaard.


4.8.

Uit 4.1 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en het incidenteel hoger beroep van betrokkene slaagt. Nu de rechtbank het bestreden besluit op een andere grond heeft vernietigd, zal de Raad omwille van de duidelijkheid de aangevallen uitspraak in zijn geheel vernietigen. Daarmee is de grondslag komen te ontvallen aan het ter uitvoering van de aangevallen uitspraak genomen nadere besluit van 14 oktober 2013. De Raad zal het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. De Raad ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien door te bepalen dat aan betrokkene 466 verlofuren dienen te worden uitbetaald. Nu appellant reeds 445 verlofuren heeft uitbetaald, resteert feitelijk een uitbetaling van 21 verlofuren. Appellant dient daarbij het door hem berekende bedrag van € 44,43 per uur te hanteren en het nog uit te betalen bedrag te vermeerderen met wettelijke rente.


5. Er is aanleiding om appellant met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de kosten van betrokkene. Voor vergoeding in aanmerking komen de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar tot een bedrag van € 980,-, de proceskosten in beroep tot een bedrag van € 980,- en de proceskosten in hoger beroep tot een bedrag van € 1470,- (1 punt voor het incidenteel hoger beroep; 1 punt voor het verweerschrift; 1 punt voor het optreden ter zitting), alles wegens verleende rechtsbijstand.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 7 juni 2012;

- bepaalt dat appellant aan betrokkene 466 verlofuren uitbetaald, te verrekenen met reeds

445 uitbetaalde verlofuren, waardoor ter uitbetaling resteert 21 verlofuren ad € 44,43

per uur, te vermeerderen met de wettelijke rente, en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats

treedt van het besluit van 7 juni 2012;

- vernietigt het besluit van 14 oktober 2014;

- bepaalt dat appellant het door betrokkene in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 395,- vergoedt;

- veroordeelt appellant in de proceskosten tot een bedrag van € 3.430,-.



Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma als voorzitter, en N.J. van Vulpen-Grootjans en M.T. Boerlage als leden, in tegenwoordigheid van C. Moustaïne als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2015.




(getekend) C.H. Bangma




(getekend) C. Moustaïne



HD