Centrale Raad van Beroep, 04-06-2015 / 14-2074 AW


ECLI:NL:CRVB:2015:1733

Inhoudsindicatie
Deze uitspraak is gerectificeerd met ECLI:NL:CRVB:2016:743. De gerectificeerde tekst is opgenomen in ECLI:NL:CRVB:2015:5002 , onderstaande tekst is niet meer geldig.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-06-04
Publicatiedatum
2015-06-05
Zaaknummer
14-2074 AW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht

Formele relatie


Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/2074 AW

Datum uitspraak: 4 juni 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van

6 maart 2014, 13/2858 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Staatssecretaris van Financiën (staatssecretaris)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd met de zaak 15/407 plaatsgevonden op 23 april 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. J. de Die. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. F. Scheffer. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding nog van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant is sinds 1 september 1982 werkzaam bij de Belastingdienst.


1.2.

Tijdens een korte vakantie in Maastricht zijn in de nacht van 20 op 21 mei 2013

controle-dossiers uit de privé-auto van appellant ontvreemd. Vervolgens is er een klacht binnengekomen bij de plaatsvervangend directeur N dat appellant inkomens- en vermogensgegevens van deze klager bekend heeft gemaakt aan derden. De teamleider van appellant, T, heeft voorts naar aanleiding van de diefstal van de controle-dossiers contact opgenomen met de betreffende belastingplichtigen/adviseurs. Daarbij heeft hij vernomen dat een van hen op het controlerapport zat te wachten en het laatste bezoek van appellant dateerde van 4 april 2013, terwijl appellant in zijn urenverantwoording ook een bezoek op 8 april 2013 had opgenomen. T heeft daarin aanleiding gezien om de tijdsregistratie, reisdeclaraties en agenda van appellant met elkaar te vergelijken. Naar aanleiding van deze drie kwesties is bij de staatssecretaris het vermoeden gerezen dat appellant zich schuldig heeft gemaakt aan ernstig plichtsverzuim, waarnaar hij een onderzoek heeft ingesteld.


1.3.

Bij besluit van 26 juni 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 31 oktober 2013 (bestreden besluit), heeft de staatssecretaris appellant als ordemaatregel met toepassing van artikel 77, eerste lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) met onmiddellijke ingang tot nader bericht de toegang tot de dienstgebouwen ontzegd. Dit om te voorkomen dat appellant handelingen zou kunnen verrichten die het onderzoek zouden kunnen beïnvloeden. Bij brief van 9 juni (lees: juli) 2013 heeft appellant de staatssecretaris verzocht de ordemaatregel in te trekken. Dit verzoek is bij besluit van 26 augustus 2013 door de staatssecretaris afgewezen. Op 7 november 2013 is de ordemaatregel ingetrokken.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 25 april 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ8767) is een concrete verdenking van ernstig plichtsverzuim in het algemeen voldoende grond voor het treffen van een ordemaatregel, als aan de integriteit van de betrokken ambtenaar moet worden getwijfeld en het in hem te stellen vertrouwen zozeer is geschaad dat het niet aanvaardbaar is dat hij zijn werk blijft doen.


4.2.

Aan de onder 1.2 vermelde feiten heeft de staatssecretaris een concrete verdenking mogen ontlenen dat sprake was van ernstig plichtsverzuim en daarin voldoende grond kunnen vinden voor het treffen van deze ordemaatregel.


4.3.

Appellant kan niet gevolgd worden in zijn betoog dat de staatssecretaris niet toereikend heeft gemotiveerd dat het onderzoeksbelang eiste dat appellant het onderzoek niet zou verstoren. De Raad is dan ook, met de rechtbank, van oordeel dat de staatssecretaris in redelijkheid heeft kunnen beslissen om appellant op grond van artikel 77, eerste lid, van het ARAR een toegangsverbod op te leggen. Dat, zoals appellant ter zitting heeft benadrukt en door de staatssecretaris ook is erkend, het feitenonderzoek was afgerond vóór 27 augustus 2013, doet aan de verdenking - ten tijde van het treffen van de ordemaatregel - van ernstig plichtsverzuim niet af.


4.4.

Het betoog van appellant dat, nu de staatssecretaris het toegangsverbod voor onbepaalde tijd heeft opgelegd, ook tegen de duur van de maatregel kan worden opgekomen, treft geen doel. Dat de staatssecretaris op 27 augustus 2013 heeft nagelaten de ordemaatregel in te trekken en daartoe pas op 7 november 2013 is overgegaan vormt geen grond om het bestreden besluit onrechtmatig te achten. Zoals de rechtbank terecht heeft geoordeeld, ziet het bestreden besluit niet op de duur van de ontzegging. Het had op de weg van appellant gelegen om rechtsmiddelen aan te wenden tegen de afwijzing van zijn verzoek om opheffing van het toegangsverbod.


4.5.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman als voorzitter en A. Beuker-Tilstra en

M.C.D. Embregts als leden, in tegenwoordigheid van S.W. Munneke als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2015.




(getekend) J.J.A. Kooijman




(getekend) S.W. Munneke




HD