Centrale Raad van Beroep, 02-06-2015 / 14-1527 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:1741

Inhoudsindicatie
Afwijzing aanvraag om bijstand. Terugvordering voorschot. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, moet de conclusie dan zijn dat als gevolg van de schending van de medewerkingsverplichting het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Juist omdat onduidelijkheid bestond over de woonsituatie van betrokkene, kon niet worden vastgesteld of hij verkeerde in bijstandbehoevende omstandigheden. Anders dan betrokkene stelt, is niet nodig dat aan hem vooraf bekend zou zijn gemaakt dat twijfel bestond over zijn woonsituatie en dat het gesprek daarover zou gaan. Geen dringende redenen om van terugvordering van de voorschotten af te zien.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-06-02
Publicatiedatum
2015-06-08
Zaaknummer
14-1527 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/1527 WWB, 14/1528 WWB

Datum uitspraak: 2 juni 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

13 februari 2014, 13/5504 en 13/5505 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het college van burgemeester en wethouders van Arnhem (appellant)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. J.A.C. van Etten, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 21 april 2015. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door W.C.M. Hermans. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door

mr. Van Etten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Betrokkene heeft zich op 24 januari 2013 gemeld bij het UWV voor een aanvraag om bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Betrokkene heeft als woonadres opgegeven [adres] (opgegeven adres). Op 1 maart 2013 heeft een intakegesprek plaatsgevonden en heeft betrokkene de aanvraag ingediend. Tijdens een gesprek op 15 maart 2013 heeft betrokkene de door appellant gevraagde documenten verstrekt.


1.2.

Op 18 maart 2013 heeft appellant aan betrokkene een voorschot verstrekt van € 300,- en op 2 april 2013 een voorschot van € 750,-.


1.3.

Naar aanleiding van een vermoeden dat betrokkene zou samenwonen hebben medewerkers van appellant op 8 april 2013 getracht een huisbezoek af te leggen aan het opgegeven adres. Bij die poging werd op het opgegeven adres niemand aangetroffen en werd geconstateerd dat de benedenverdieping van de woning leeg stond.


1.4.

Bij aangetekende brief van 8 april 2013 heeft appellant betrokkene uitgenodigd voor een gesprek op 15 april 2013. Appellant heeft er daarbij op gewezen dat de melding als afgedaan wordt beschouwd en geen aanvraag tot stand is gekomen als betrokkene zonder opgaaf van redenen niet op het gesprek verschijnt. Betrokkene is op 15 april 2013 zonder bericht van verhindering niet verschenen.


1.5.

Bij het op 19 april 2013 verzonden besluit, met als dagtekening 20 maart 2013 (besluit 1) heeft appellant de aanvraag afgewezen. Appellant heeft daaraan ten grondslag gelegd dat betrokkene niet heeft gereageerd op de uitnodiging voor het gesprek en dat als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.


1.6.

Bij besluit van 1 mei 2013 (besluit 2) heeft appellant de verstrekte voorschotten van in totaal € 1.050,- van betrokkene teruggevorderd.


1.7.

Bij besluit van 28 juni 2013 (bestreden besluit 1) heeft appellant het bezwaar tegen besluit 1 ongegrond verklaard.


1.8.

Bij afzonderlijk besluit van 28 juni 2013 (bestreden besluit 2) heeft appellant het bezwaar tegen besluit 2 ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten gegrond verklaard, die besluiten vernietigd, de besluiten 1 en 2 herroepen en bepaald dat aan betrokkene met ingang van 11 februari 2013 bijstand wordt toegekend naar de voor hem geldende norm. Hiertoe heeft de rechtbank het volgende overwogen. Door zonder bericht van verhindering niet te verschijnen op het gesprek van 15 april 2013 heeft betrokkene niet voldaan aan de medewerkingsverplichting als bedoeld in artikel 17, tweede lid, van de WWB. Dat enkele feit betekent echter niet dat het recht op bijstand niet is vast te stellen. Door te verschijnen op de eerdere gesprekken en alle gevraagde stukken in te leveren, heeft betrokkene voldaan aan de inlichtingenverplichting bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de WWB. Omdat tussen partijen voorts niet in geschil is dat betrokkene ten tijde in geding in bijstandbehoeftige omstandigheden verkeerde, dient betrokkene in aanmerking te worden gebracht voor bijstand. Om die reden was appellant ook niet bevoegd tot het terugvorderen van het bedrag van € 1.050,- aan verleende voorschotten.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat ondanks de schending van de medewerkingsverplichting het recht op bijstand kon worden vastgesteld. Daartoe heeft appellant naar voren gebracht dat voor verlening van bijstand niet voldoende is dat betrokkene de gevraagde stukken heeft verstrekt. Zolang twijfels bestaan over de woonsituatie van betrokkene kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld. Nu het gaat om een aanvraag, ligt het op de weg van betrokkene om hierover de nodige duidelijkheid te verschaffen. Door niet te verschijnen op de afspraak van 15 april 2013 heeft betrokkene zichzelf in de positie gebracht dat het recht niet kon worden vastgesteld.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat betrokkene de medewerkingsverplichting als bedoeld in artikel 17, tweede lid, van de WWB heeft geschonden door zonder bericht van verhindering niet te verschijnen op de afspraak van 15 april 2013. Het geschil is beperkt tot de vraag of ondanks deze schending van de medewerkingsverplichting het recht op bijstand kon worden vastgesteld.


4.2.

Gelet op de waarneming tijdens het beoogde huisbezoek op 8 april 2013 dat de benedenverdieping van de woning op het opgegeven adres leeg stond, was bij appellant gerede twijfel gerezen over de woonsituatie van betrokkene. Om daarover duidelijkheid te verkrijgen, heeft appellant betrokkene uitgenodigd voor een gesprek op 15 april 2013. Doordat betrokkene aan die uitnodiging geen gehoor heeft gegeven, is de onduidelijkheid over zijn woonsituatie blijven voortbestaan. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, moet de conclusie dan zijn dat als gevolg van de schending van de medewerkingsverplichting het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Juist omdat onduidelijkheid bestond over de woonsituatie van betrokkene, kon niet worden vastgesteld of hij verkeerde in bijstandbehoevende omstandigheden. Anders dan betrokkene stelt, is niet nodig dat aan hem vooraf bekend zou zijn gemaakt dat twijfel bestond over zijn woonsituatie en dat het gesprek daarover zou gaan.


4.3.

Uit 4.2 volgt dat het hoger beroep slaagt, zodat de aangevallen uitspraak zal moeten worden vernietigd. De Raad zal thans de beroepsgronden van betrokkene beoordelen voor zover die gronden in beroep niet aan de orde zijn gekomen.


4.4.

In beroep heeft betrokkene aangevoerd dat het afwijzingsbesluit feitelijk al op

20 maart 2013 is genomen en niet op 19 april 2013, waarvan de bezwaarschriftencommissie ten onrechte is uitgegaan. Dat betrokkene niet is verschenen op het gesprek van 15 april 2013 moet dan ook buiten beschouwing worden gelaten. Deze beroepsgrond slaagt niet. Bestreden besluit 1 vermeldt dat 20 maart 2013 slechts de aanmaakdatum van het document is en dat het besluit is genomen op 19 april 2013, de als verzenddatum genoteerde datum van het besluit. Dat het afwijzingsbesluit is genomen op 19 april 2013 blijkt ook uit de inhoud van het besluit, waarin melding wordt gemaakt van een op 2 april 2013 verstrekt voorschot en van een afspraak waarop betrokkene niet is verschenen. Alleen op de afspraak van 15 april 2013 is betrokkene niet verschenen.


4.5.

Betrokkene heeft in beroep voorts aangevoerd dat sprake is van dringende redenen om van terugvordering van de voorschotten af te zien. Appellant voert het beleid steeds over te gaan tot gehele terugvordering van de kosten van bijstand, tenzij sprake is van dringende redenen. Dergelijke redenen zijn slechts gelegen in onaanvaardbare sociale en/of financiële gevolgen van een terugvordering voor de betrokkene. Het moet dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden plaatsvindt. Betrokkene heeft ter zitting van de Raad naar voren gebracht dat het onbillijk is de voorschotten van hem terug te vorderen, dat hij lange tijd door appellant aan het lijntje is gehouden, wat een heel zware periode voor hem is geweest, dat hij niet in staat was om iets terug te betalen en dat hij totaal verloren rondliep en geen uitweg meer zag. Hiermee heeft betrokkene niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van dringende redenen om van terugvordering af te zien in de hiervoor bedoelde zin.


4.6.

Gelet op 4.4 en 4.5 zal de Raad, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaren.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep


  • - vernietigt de aangevallen uitspraak;
  • - verklaart de beroepen tegen de besluiten van 28 juni 2013 ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa als voorzitter en W.F. Claessens en

S. Hindriks-Roose als leden, in tegenwoordigheid van C.M.A.V. van Kleef als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 juni 2015.





(getekend) J.F. Bandringa




(getekend) C.M.A.V. van Kleef




HD