Centrale Raad van Beroep, 02-06-2015 / 14-685 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:1746

Inhoudsindicatie
Herziening en terugvordering bijstand. Niet voldaan aan de inlichtingenverplichting door geen melding te maken van kasstortingen. De rechtbank heeft zich ten onrechte niet uitgelaten over een wezenlijke beroepsgrond van appellante en aldus heeft gehandeld in strijd met artikel 8:69, lid 1, Awb. De Raad wijst de zaak niet terug naar de rechtbank en beoordeelt deze beroepsgrond zelf. Deze beroepsgrond slaagt voor het overige niet.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-06-02
Publicatiedatum
2015-06-08
Zaaknummer
14-685 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/685 WWB

Datum uitspraak: 2 juni 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

6 december 2013, 13/6559 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. drs. E. Tamas, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 21 april 2015. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellante ontving ten tijde hier van belang bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Op 14 januari 2013 heeft een consulent van de gemeente Zoetermeer een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader heeft de consulent onder meer bankafschriften bij appellante opgevraagd. Uit de overgelegde bankafschriften is gebleken dat in de maanden oktober 2012 en november 2012 enkele keren per kas bedragen op de bankrekening van appellante zijn gestort.


1.2.

Dit is voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 7 februari 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 4 juli 2013 (bestreden besluit), de bijstand van appellante over de periode van 1 oktober 2012 tot en met 30 november 2012 te herzien en de te veel gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 1.330,- van appellante terug te vorderen. Aan deze besluitvorming ligt ten grondslag dat appellante niet heeft voldaan aan de inlichtingenverplichting door geen melding te maken van een kasstorting van € 90,- op

16 oktober 2012, een kasstorting van € 900,- op 31 oktober 2012 en een kasstorting van € 340,- op 2 november 2012. Dit zijn inkomsten die op de bijstand in mindering moeten worden gebracht.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat de stortingen giften zijn, afkomstig van haar moeder. Het college heeft daarom terecht geen aanleiding gezien deze stortingen op grond van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder m, van de WWB buiten aanmerking te laten. De rechtbank heeft in wat appellante heeft aangevoerd geen grond gezien voor het oordeel dat het college ten onrechte tot terugvordering is overgegaan.


3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Zoals de Raad eerder heeft overwogen in zijn uitspraak van 25 november 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3872, worden kasstortingen en bijschrijvingen op een bankrekening van een bijstandontvanger in beginsel als in aanmerking te nemen middelen in de zin van artikel 31, eerste lid, van de WWB beschouwd. Als deze betalingen een terugkerend of periodiek karakter hebben, door betrokkene kunnen worden aangewend voor de algemeen noodzakelijke bestaanskosten en zien op een periode waarover een beroep op bijstand wordt gedaan, is voorts sprake van inkomsten als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de WWB.


4.2.

De beroepsgrond van appellante dat de bewuste kasstortingen afkomstig zijn uit giften van haar moeder en daarom op grond van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder m, van de WWB niet tot de middelen gerekend dienen te worden, slaagt niet. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat appellante niet aan de hand van objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk heeft gemaakt dat de bewuste bedragen giften van haar moeder zijn. Appellante heeft volstaan met een verwijzing naar de door haar overgelegde bankafschriften met daarop de handgeschreven vermelding - van haarzelf - dat zij de bedragen zelf heeft gestort en dat zij dat geld van haar moeder heeft ontvangen. Hiermee heeft zij niet aannemelijk gemaakt dat de gestorte bedragen van haar moeder afkomstig zijn.


4.3.1.

Appellante heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte niet heeft geoordeeld over de in beroep aangevoerde beroepsgrond dat de stortingen tot het vermogen van appellante moeten worden gerekend. Omdat het totale vermogen de grens van het vrij te laten vermogen niet overschrijdt, had het college niet tot herziening van de bijstand over mogen gaan. Deze beroepsgrond slaagt in zoverre dat de rechtbank zich ten onrechte niet heeft uitgelaten over een wezenlijke beroepsgrond van appellante en aldus heeft gehandeld in strijd met

artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De aangevallen uitspraak dient daarom te worden vernietigd voor zover daarbij niet is beslist over dit geschilpunt. De Raad zal de zaak niet naar de rechtbank terugverwijzen en deze beroepsgrond zelf beoordelen.


4.3.2.

Deze beroepsgrond slaagt voor het overige niet. Het gaat hier om kasstortingen in de maanden oktober 2012 en november 2012 die lager zijn dan de bijstand van appellante en die een terugkerend karakter hebben. Om die reden zijn deze kasstortingen, zoals hiervoor overwogen, aan te merken als inkomsten van appellante in die maanden als bedoeld in

artikel 32, eerste lid, van de WWB. Daarom kunnen deze stortingen niet, zoals appellante voorstaat, tot het vermogen worden gerekend.


4.4.

Uit wat is overwogen in 4.3.2 volgt dat de beoordeling van de niet door de rechtbank besproken beroepsgrond niet leidt tot gegrondverklaring van het beroep tegen het bestreden besluit. De Raad zal, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, het beroep in zoverre alsnog ongegrond verklaren. De aangevallen uitspraak dient voor het overige te worden bevestigd.


4.5.

Appellante heeft in hoger beroep ten slotte nog aangevoerd dat de rechtbank de beroepsgrond dat sprake is van dringende redenen om van terugvordering af te zien ten onrechte niet heeft onderschreven. Dat, zoals appellante in hoger beroep zonder nadere onderbouwing heeft aangevoerd, de terugvordering negatieve gevolgen voor haar heeft, is op zichzelf geen dringende reden om van terugvordering af te zien. De rechtbank heeft deze beroepsgrond terecht verworpen.


5. Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 490,- voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep


- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij niet is beslist over de in 4.3.1

genoemde beroepsgrond;

- verklaart het beroep in zoverre alsnog ongegrond;

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 490,-;

- bepaalt dat het college aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 118,-

vergoedt.



Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa als voorzitter en W.F. Claessens en

S. Hindriks-Roose als leden, in tegenwoordigheid van C.M.A.V. van Kleef als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 juni 2015.





(getekend) J.F. Bandringa




(getekend) C.M.A.V. van Kleef




HD