Centrale Raad van Beroep, 02-06-2015 / 14-2191 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:1748

Inhoudsindicatie
Geen sprake van een gezamenlijke huishouding. Herroept het besluit van 25 januari 2013.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-06-02
Publicatiedatum
2015-06-08
Zaaknummer
14-2191 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/2191 WWB

Datum uitspraak: 2 juni 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 21 maart 2014, 13/4839 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven (appellant)

[Betrokkenen] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Het college heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. J.J.M. van Asten, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 april 2015. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. van der Zijden. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door

mr. Van Asten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Betrokkene ontving vanaf 12 januari 2010 (aanvullende) bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.


1.2.

Naar aanleiding van vermoedens dat betrokkene een gezamenlijke huishouding voerde met [naam D] (D) heeft haar casemanager op 23 augustus 2012 het team Bijzonder Onderzoek gevraagd een onderzoek te doen naar de woon- en leefsituatie van betrokkene. In het kader van dit onderzoek heeft administratief onderzoek en dossieronderzoek plaatsgevonden, zijn instanties geraadpleegd, zijn waarnemingen verricht, hebben huisbezoeken plaatsgevonden bij betrokkene en in de woning van D en zijn getuigen, D en betrokkene gehoord.


1.3.

De bevindingen van het onderzoek zijn voor appellant aanleiding geweest om bij besluit van 25 januari 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 13 september 2013 (bestreden besluit), de bijstand van betrokkene met ingang van 14 november 2012 in te trekken en de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 14 november 2012 tot en met 31 december 2012 van betrokkene terug te vorderen tot een bedrag van € 789,81 (bruto). Aan de besluitvorming is ten grondslag gelegd dat betrokkene over de relevante periode een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met D, waarvan zij geen melding heeft gemaakt aan appellant.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het besluit van 25 januari 2013 herroepen met veroordeling van appellant in de kosten van de procedure. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat appellant onvoldoende heeft gemotiveerd dat de aangetroffen situatie in en nabij de woning van betrokkene de conclusie rechtvaardigde dat D zijn hoofdverblijf had in die woning, zodat een gezamenlijke huishouding niet aannemelijk is gemaakt. Betrokkene kan daarom niet worden verweten dat zij haar inlichtingenverplichting heeft geschonden. Omdat de rechtbank niet aannemelijk achtte dat het geconstateerde gebrek hersteld kon worden, heeft zij het besluit van 25 januari 2013 herroepen.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Aangevoerd wordt dat de rechtbank heeft miskend dat wel voldoende onderbouwd is dat van hoofdverblijf van D in de woning van betrokkene sprake was.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Appellant heeft de intrekking niet beperkt tot een bepaalde periode. In een dergelijk geval bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het intrekkingsbesluit. Dat betekent dat hier ter beoordeling voorligt de periode van 14 november 2011 tot en met 25 januari 2013.


4.2.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.


4.3.

Appellant heeft aangevoerd dat het hoofdverblijf van D in de woning van betrokkene in de te beoordelen periode blijkt uit de bevindingen van de huisbezoeken op 14 januari 2013 in de woningen van betrokkene en D en uit de waarnemingen in de periode van 14 november 2012 tot en met 11 januari 2013. In de woning van betrokkene is een ladenblok van D aangetroffen met daarop zowel een desktop-computer als een laptop. In het bovenste laadje daarvan bevonden zich poststukken over de periode 2010 tot en met 2012, geadresseerd aan D op zijn adres. Daarnaast is in de koelkast in de woning van betrokkene insuline van D aangetroffen, terwijl dit in zijn eigen woning niet is aangetroffen. Tijdens de 47 verrichte waarnemingen in de periode van 14 november 2012 tot en met 11 januari 2013 is de auto van D nagenoeg elke keer bij de woning van betrokkene aangetroffen. Als deze onderzoeksbevindingen in onderling verband en samenhang worden beschouwd, zo stelt appellant, kan op grond daarvan het hoofdverblijf van D in de woning van betrokkene worden aangenomen.


4.4.

Betrokkene heeft aangevoerd dat zij met D in de te beoordelen periode weliswaar een relatie had, maar dat hij slechts bij gelegenheid, vooral in de weekenden, een paar dagen bij haar logeerde en geen hoofdverblijf bij haar had. De computers en administratie lagen in de woning van betrokkene omdat D op de dag van het huisbezoek, een maandag, een afspraak had met zijn advocaat inzake zijn echtscheidingsprocedure, die liep sedert 2010, en zich daarop had voorbereid tijdens het weekend. Op vrijdag had hij insuline bij de apotheek gehaald en die lag in de koelkast in de woning van betrokkene, omdat hij deze daarna nog niet naar zijn woning had gebracht. De aanwezigheid van zowel een desktop-computer als een laptop heeft betrokkene verklaard met het gegeven dat D zijn desktop-computer aan haar in bruikleen had gegeven en zelf zijn laptop tijdens zijn tijdelijk verblijf bij betrokkene bij zich had, mede in verband met de voorbereiding van zijn afspraak met zijn advocaat. Uit de omstandigheden dat de enige kleding van D in een koffertje is aangetroffen en dat er slechts weinig verzorgingsartikelen van D in de woning van betrokkene zijn aangetroffen, volgt dat het verblijf van D in de woning tijdelijk van aard was, aldus betrokkene.


4.5.

Met de rechtbank komt de Raad tot de conclusie dat de onderzoeksbevindingen waarop appellant het bestreden besluit heeft gebaseerd, zoals hiervoor onder 4.3 weergegeven, onvoldoende feitelijke grondslag bieden voor het standpunt van appellant dat D in de hier te beoordelen periode zijn hoofdverblijf had op het adres van betrokkene. De aangetroffen situatie tijdens het huisbezoek zegt alleen iets over het feitelijke verblijf van D in de woning van betrokkene op dat moment en die bevindingen kunnen ook verklaard worden door verblijf beperkt tot in de weekenden. Daaruit kan geen conclusie worden getroffen over hoofdverblijf van D in de woning van betrokkene in de gehele periode in geding. De bevindingen inzake ladenblok met administratie, computer en insuline laten ruimte voor de verklaringen die betrokkene daarvoor heeft gegeven, zoals opgenomen onder 4.4. Het oordeel van de rechtbank dat de in de woning van betrokkene aangetroffen kleding en verzorgingsartikelen van D niet zonder meer de stelling staven dat D dermate vaak of langdurig bij betrokkene verbleef dat dit de conclusie van hoofdverblijf van D bij betrokkene rechtvaardigt, wordt onderschreven evenals de overweging waarop dat oordeel rust. Dat D in de periode vanaf

14 november 2012 ook buiten de weekenden in de woning van betrokkene zou hebben verbleven, is slechts onderbouwd met de waarnemingen over de periode van 14 november 2012 tot en met 11 januari 2013. Uit deze waarnemingen kan echter niet meer worden afgeleid dan dat de auto van D nabij de woning van betrokkene is gesignaleerd. Niet is waargenomen dat D in of nabij de woning was, deze binnenging of verliet. De enige keer dat is gesignaleerd dat een man de woning binnenging, was op een zondag. Uit enkel de aanwezigheid van de auto nabij de woning kan, zonder nadere gegevens die ontbreken, niets worden afgeleid omtrent het hoofdverblijf van de eigenaar van die auto. De in hoger beroep door appellant aangedragen bewijsmiddelen leveren dan ook op zichzelf, noch in samenhang bezien, een toereikende grondslag voor het standpunt van appellant dat betrokkene en D in de periode in geding hun gezamenlijk hoofdverblijf hadden in de woning van betrokkene. Nu niet is voldaan aan dit criterium, is reeds daarom in de te beoordelen periode geen sprake geweest van een gezamenlijke huishouding.


4.6.

Uit 4.5 volgt dat de beroepsgrond van appellant niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


5. Aanleiding bestaat appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze worden begroot op € 980,- voor verleende rechtsbijstand, op € 15,53 en € 40,72 voor door de betrokkene opgevoerde reis- respectievelijk verletkosten, in totaal een bedrag van € 1.036,25.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- veroordeelt appellant in de kosten van betrokkene tot een bedrag van € 1.036,25;

- bepaalt dat van appellant een griffierecht van € 493,- wordt geheven.



Deze uitspraak is gedaan door Y.J. Klik als voorzitter en F. Hoogendijk en C.H. Rombouts als leden, in tegenwoordigheid van C.A.W. Zijlstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 juni 2015.




(getekend) Y.J. Klik




(getekend) C.A.W. Zijlstra



HD