Centrale Raad van Beroep, 22-05-2015 / 14-549 WAJONG


ECLI:NL:CRVB:2015:1756

Inhoudsindicatie
Weigering een Wajonguitkering toe te kennen. Het uitgebrachte deskundigenrapport geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent. De medische grondslag van het bestreden besluit dient te worden onderschreven.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-05-22
Publicatiedatum
2015-06-08
Zaaknummer
14-549 WAJONG
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/549 Wajong

Datum uitspraak: 22 mei 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

18 december 2013, 09/1524 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats], Denemarken (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. T.A. Vetter, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Beide partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 september 2014 door de meervoudige kamer. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigden mr. D.S. de Ploeg, kantoorgenoot van mr. Vetter, en dr. E.J.T. Matser, neuropsycholoog. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. F.A. Steeman.

Na de behandeling van de zaak is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest en is het onderzoek heropend. De Raad heeft aanleiding gezien om als onafhankelijk deskundige de neuroloog dr. E.M.H. van den Doel te benoemen voor het instellen van een onderzoek. Deze heeft op 21 januari 2015 rapport uitgebracht.

Beide partijen hebben hun zienswijze op het deskundigenrapport ingezonden.

Naar aanleiding van het verzoek van appellante om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn door de bestuursrechter heeft de Raad de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie) als partij aangemerkt.

De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar de enkelvoudige kamer. Het nadere onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 april 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigden mr. De Ploeg, dr. E.J.T. Matser, prof. dr. A.H. Wertheim, experimenteel psycholoog en mw. mr. A.C.H.A. Tulkens. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Sluijs.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellante is geboren [in] 1963. Op 17 oktober 1981 heeft zij tijdens een vliegreis in de herfstvakantie van haar eindexamenjaar een snelle en abrupte landing meegemaakt, waarna zij ernstige hoofdpijnklachten kreeg, met name ter hoogte van haar neus en ogen. Appellante heeft sindsdien klachten van duizeligheid, coördinatieproblemen, problemen met lezen en energieverlies. Zij heeft na de voor haar problematisch verlopen vliegtuiglanding het eindexamenjaar vwo niet met goed gevolg kunnen afronden. In juli 1983 heeft zij alsnog, door middel van een staatsexamen, haar diploma behaald. Vervolgens is zij geneeskunde gaan studeren. In december 1994 is zij afgestudeerd als basisarts. Daarna is zij als zelfstandig arts-docent parttime gaan werken op freelance-basis.


1.2.

Op 23 september 1994 heeft zij het Uwv verzocht om een werkvoorziening op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW), bestaande uit een computer met spraakmodule en scanner. Het verzoek is in eerste instantie afgewezen door het Uwv maar uiteindelijk, na een rechterlijke uitspraak van 5 juli 1999, is bij besluit van 8 juli 1999 de gevraagde voorziening verstrekt in de vorm van een financiële vergoeding.


1.3.

In oktober 2004 heeft appellante een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) omdat zij haar werk als zelfstandig arts-docent niet langer kon verrichten wegens ziekte. Bij besluit van 22 april 2005 heeft het Uwv appellante een WAZ-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 7 mei 2005. Appellante ontvangt tot op heden een WAZ-uitkering.


1.4.

Op 12 juli 2007 heeft appellante vervolgens een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) in verband met klachten vanwege hersenletsel en chronische infecties waaraan zij sinds

17 oktober 1981 lijdt.


1.5.

Bij besluit van 19 september 2008 heeft het Uwv geweigerd om appellante een Wajonguitkering toe te kennen omdat zij vanaf 17 oktober 1981 niet 52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest. Zij wordt geschikt geacht voor het verrichten van gangbare werkzaamheden. Bij besluit op bezwaar van 5 maart 2009 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellante gemaakte bezwaar tegen dit besluit ongegrond verklaard.


1.6.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat, gelet op de artikelen 2, 5 en 6 van de Wajong beoordeeld moet worden of appellante vanaf 17 oktober 1981 onafgebroken

52 weken arbeidsongeschikt is geweest. Hierbij acht de rechtbank van belang de vaste rechtspraak van de Raad dat in het geval van een laattijdige aanvraag, zoals hier het geval is, het voor rekening en risico van appellante dient te komen dat, bij gebreke aan voldoende op de datum/periode in geding betrekking hebbende gegevens, haar medische situatie op deze datum/in deze periode niet meer met zekerheid is vast te stellen. De rechtbank heeft aanleiding gezien om twee deskundigen te benoemen, namelijk neuroloog

dr. R.J.O. van der Ploeg en klinisch neuropsycholoog drs. T. Koene. Beide deskundigen hebben, naar het oordeel van de rechtbank, duidelijk, inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd dat zij voor de door appellante geclaimde klachten geen medisch objectiveerbare grondslag hebben gevonden. De door appellante ingediende medische rapportages waaruit volgens haar blijkt dat artsen voor haar klachten wel een organisch substraat hebben gevonden, hebben de rechtbank geen aanleiding gegeven om het oordeel van de deskundigen niet te volgen. De uitspraak van de rechtbank van 5 juli 1999, waarin is geoordeeld dat appellante in aanmerking komt voor de gevraagde werkvoorziening op grond van de AAW, heeft de rechtbank evenmin aanleiding gegeven tot twijfel aan de juistheid van de onderhavige medische beoordeling, aangezien in die uitspraak niet is vastgesteld op welk objectiveerbaar medisch substraat de klachten van appellante zijn terug te voeren. Verder heeft de rechtbank overwogen dat geen sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in de vaste rechtspraak van de Raad omdat niet is voldaan aan de (minimum)eis dat bij (onafhankelijke) medisch deskundigen een vrijwel eenduidige, consistente en naar behoren medisch gemotiveerde en verantwoorde opvatting bestaat dat de verzekerde als gevolg van ziekte of gebrek niet in staat is de betreffende arbeid te verrichten. Ten slotte heeft de rechtbank geen aanleiding gezien voor een veroordeling tot schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn nu appellante hiertoe geen ondubbelzinnig en onvoorwaardelijk verzoek heeft gedaan.


2.1.

In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte de door haar ingeschakelde deskundigen heeft gevolgd in hun onderzoeksbevindingen en conclusie dat geen sprake is van een medisch objectiveerbare grondslag van haar klachten. Hierbij heeft zij gewezen op de bevindingen en conclusies van prof. dr. A.H. Wertheim, experimenteel psycholoog, dr. G.J. van der Wildt, klinisch fysicus en videoloog en M.J. de Vries, oogarts, daterend uit 1994-1995 en gebaseerd op de resultaten van in februari 1993 verricht onderzoek bij TNO-TM in Soesterberg. In de beroepsprocedure bij de rechtbank en in hoger beroep zijn nog talrijke andere medische stukken ingediend door appellante. Benadrukt is door appellante dat met name uit de recente brieven van de Deense duizeligheidsdeskundige KNO-arts

dr. S. Vesterhauge, neuroloog dr. A.E. Boon, dr. H.W. Kortschot, hoofd vestibulaire afdeling AMC en luchtvaartdeskundig KNO-arts R. van der Hulst blijkt dat deze unaniem tot de conclusie komen dat opgelopen hersenletsel (letsel in de pons) als gevolg van barotrauma aannemelijk is te achten als oorzaak van de klachten van appellante. De bevindingen en conclusies van deze artsen corresponderen, naar de mening van appellante en prof. dr. Wertheim, zoals uitgesproken ter zitting van de Raad, met de bevindingen ten tijde van het TNO-onderzoek in 1993. Verder heeft appellante aangevoerd dat, gelet op de uitspraak van de rechtbank van 5 juli 1999, onherroepelijk in rechte is komen vast te staan dat zij in elk geval per 23 september 1994 (aanvraagdatum van de AAW-voorziening) leesbeperkingen had, die herleidbaar waren tot een objectiveerbare ziekte dan wel een objectiveerbaar gebrek en ook de overige in de uitspraak benoemde klachten objectiveerbaar zijn. Zij heeft er voorts op gewezen dat zij sinds 7 mei 2005 een WAZ-uitkering geniet vanwege geobjectiveerde beperkingen op grond van dezelfde klachten, waardoor zij volgens de verzekeringsarts geen duurzaam benutbare mogelijkheden heeft. Ten slotte heeft zij verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn waarbij ze heeft aangegeven van deze vordering tijdens de beroepsprocedure bij de rechtbank geen afstand te hebben gedaan.


3.1.

De Raad komt tot de volgende overwegingen.


3.2.

Het gaat om een beoordeling van de gezondheidssituatie van appellante vanaf 17 oktober 1981. De Wajong is pas per 1 januari 1998 in werking getreden en bestond in 1981 dus nog niet. De aanspraak van appellante moet dan ook beoordeeld worden op basis van de destijds geldende wetgeving, namelijk de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW). Dit leidt echter niet tot een andere wijze van beoordeling van de medische aspecten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft, zoals uit haar rapporten van 3 maart 2009,

5 oktober 2009, 1 april 2010 en 14 februari 2012 blijkt, de medische situatie van appellante vanaf 17 oktober 1981 beoordeeld, waarbij zij eveneens de periode waarin appellante geneeskunde studeerde heeft meegenomen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft uit alle medische informatie niet kunnen opmaken dat gedurende deze periode (van 17 oktober 1981 tot 1994) er een aaneengesloten periode van 52 weken is geweest waarin sprake is geweest van op ziekte of gebrek terug te voeren beperkingen tot het verrichten van arbeid.


3.3.

De Raad heeft als deskundige benoemd neuroloog Van den Doel. Van den Doel heeft appellante onderzocht op 13 december 2004 en heeft het dossier van appellante bestudeerd, met name ook de door appellante onder 2.1 aangehaalde medische stukken en de rapporten van de door rechtbank benoemde deskundigen. Hij is op basis van zijn onderzoeksbevindingen, waarvan onder meer op basis van de door hem bij het onderzoek naar voren komende inconsistenties in combinatie met de inconsistentie van de bevindingen bij herhaald neurologisch onderzoek door de jaren heen, tot de conclusie gekomen dat er geen aanwijzing is dat er enige functiestoornis op neurologisch vakgebied is geweest bij appellante in de in geding zijnde periode van 17 oktober 1981 tot 15 maart 1993.


3.4.

Appellante heeft hierop haar zienswijze ingediend, voorzien van tien bijlagen met medische informatie. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft bij rapport van 5 februari 2015 aangegeven dat het rapport haar geen aanleiding geeft tot opmerkingen.


3.5.

Zoals de Raad meermalen heeft overwogen, dient als uitgangspunt te gelden dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijk, door hem ingeschakelde, deskundige volgt indien de door deze deskundige gebezigde motivering hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich hier voor. Hoewel uit de rapporten van de door de rechtbank ingeschakelde deskundigen Van der Ploeg en Koene naar voren kwam dat zorgvuldig onderzoek had plaatsgevonden door deze deskundigen en de rapporten van die deskundigen ook voldoen aan de eisen van inzichtelijkheid en consistentie, terwijl de motivering in deze rapporten de Raad op zich overtuigend voorkwam, heeft de Raad toch aanleiding gezien voor inschakeling van een onafhankelijk neuroloog, gelet op de grote hoeveelheid aan medische rapporten die appellante in hoger beroep heeft ingebracht waarin werd gepleit voor een andere invalshoek van de medische situatie van appellante. Het uitgebrachte deskundigenrapport van Van den Doel geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent. Van den Doel heeft bij zijn onderzoek in december 2014 de beschikking gehad over het gehele dossier van appellante. Aangezien dit dossier inmiddels erg omvangrijk was geworden, kan niet verwacht worden dat de deskundige alle medische stukken expliciet vermeldt en bespreekt. Van vooringenomenheid bij deze deskundige is niet gebleken. Nu de bevindingen en conclusies van Van den Doel komen bovendien overeenkomen met die van de door de rechtbank ingeschakelde deskundigen, die eveneens te kennen hebben gegeven zich te kunnen verenigen met de medische beoordeling van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, betekent dit dat de medische grondslag van het bestreden besluit dient te worden onderschreven.


3.6.

De opgeworpen grond ten aanzien van de uitspraak van de rechtbank van 5 juli 1999 inzake de werkvoorziening in het kader van de AAW is terecht door de rechtbank verworpen. Het betrof een voorziening ter ondersteuning van het verrichten van arbeid waarbij het criterium was dat de voorziening uit medisch oogpunt aangewezen was. Dit is een ander criterium dan het arbeidsongeschiktheidscriterium dat aan het begrip jonggehandicapte als bedoeld in artikel 6 van de AAW ten grondslag lag. Bovendien is deze voorziening toegekend op basis van de medische situatie van appellante op 23 september 1994, dus na de datum/periode hier in geding. Ook de toekenning van de WAZ-uitkering met ingang van mei 2005 doet aan het in 3.5 overwogene niet af, omdat hieraan ten grondslag ligt de medische situatie van appellante per 7 mei 2005, welke datum eveneens buiten de in geding zijnde periode ligt.


3.7.

Gelet op het onder 3.2 tot en met 3.6 overwogene slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.


3.8.

Het verzoek van appellante om schadevergoeding wegens overschrijding door de bestuursrechter van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) wordt toegewezen.


3.9.

Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 26 januari 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009), is de redelijke termijn voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar in beslag heeft genomen. In die uitspraak is verder overwogen dat de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar mag duren, terwijl doorgaans geen sprake zal zijn van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. Verder heeft de Raad in die uitspraak overwogen dat in beginsel een vergoeding van immateriële schade gepast is van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden.


3.10.

In het geval van appellante staat vast dat vanaf de datum van ontvangst van het bezwaarschrift door het Uwv op 20 oktober 2008 tot de datum van deze uitspraak zes jaar en zeven maanden zijn verstreken. Noch in de zaak zelf, noch in de opstelling van appellante zijn aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaren zou mogen bedragen. Dit betekent dat de redelijke termijn met twee jaar en zeven maanden is overschreden.


3.11.

De overschrijding van de redelijke termijn is gelegen in de rechterlijke fase. Vanaf de ontvangst van het beroepschrift door de rechtbank op 9 april 2009 en de uitspraak van de rechtbank van 18 december 2013 zijn vier jaar en acht maanden verstreken terwijl vanaf de ontvangst van het hoger beroep door de Raad op 28 januari 2014 tot de onderhavige uitspraak één jaar en bijna 4 maanden zijn verstreken. De behandeling in de rechterlijke fase heeft dus in totaal meer dan drie en een half jaar geduurd. Dat betekent dat de overschrijding van de redelijke termijn met 2 jaar en 7 maanden voor rekening van de Staat komt. De Staat wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellante tot een bedrag van

€ 3.000,-.


3.12.

Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- veroordeelt de Staat tot betaling aan appellante van een vergoeding van schade wegens

overschrijding van de redelijke termijn tot een bedrag van € 3.000,-.



Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van W. de Braal als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2015.




(getekend) J.W. Schuttel




(getekend) W. de Braal


HD