Centrale Raad van Beroep, 02-06-2015 / 14-3330 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:1758

Inhoudsindicatie
Korting op bijstandsuitkering. Vastgesteld dat betrokkene wordt geacht door de verkoop van zes van de zeven pups inkomsten te hebben ontvangen. Deze inkomsten worden door het college terecht verrekend met de bijstand in de maanden oktober en november 2012. Het college heeft voldoende rekening gehouden met het hobbymatige aspect van het fokken van honden. Het college heeft de - fictieve - inkomsten gewaardeerd op het daadwerkelijk behaalde resultaat van de verkoop van honden en niet op het aantal daadwerkelijk gewerkte uren waarvoor betrokkene een beloning had kunnen bedingen op het niveau van het minimumloon. Nu vaststaat dat betrokkene op het fokken van honden gerichte werkzaamheden heeft verricht en niet van belang is met welke intentie zij dat heeft gedaan, bestaat geen grond voor het oordeel dat het college dient te onderzoeken of aan betrokkene kan worden toegestaan één nest pups per jaar te fokken zonder dat de inkomsten in mindering worden gebracht op haar bijstand.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-06-02
Publicatiedatum
2015-06-09
Zaaknummer
14-3330 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • JWWB 2015/141
  • USZ 2015/263
Uitspraak

14/3330 WWB, 14/5988 WWB

Datum uitspraak: 2 juni 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

29 april 2014, 13/3479 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven (college)

[Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Het college heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. L.A.M. van Vlerken, advocaat, incidenteel hoger beroep ingesteld en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd met de zaak 13/4864 WWB plaatsgevonden op

21 april 2015. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.L.J. Martens. Namens betrokkene is mr. Van Vlerken verschenen. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst.

OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Aan betrokkene is met ingang van 20 juli 2011 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) toegekend naar de norm voor een alleenstaande met een toeslag van 20%. Daarbij heeft het college aan betrokkene onder meer de verplichting opgelegd om in verband met haar inkomsten uit het fokken van honden een deugdelijke en verifieerbare boekhouding over de nesten pups bij te houden en schriftelijk melding te maken van de geboorte en de verkoop van de pups.


1.2.

Op 23 juli 2012 ontving het college een melding van betrokkene van de geboorte van zeven pups. Op 25 september 2012 heeft betrokkene een overzicht van inkomsten en uitgaven inzake de pups overgelegd en heeft zij gemeld dat de financiële kant conform een hiertoe gesloten overeenkomst wordt afgehandeld door de heer [X.] ([X.]). Naar aanleiding van deze informatie heeft het college bij besluit van 5 november 2012 vastgesteld dat betrokkene wordt geacht door de verkoop van zes van de zeven pups € 1.519,86 aan inkomsten te hebben ontvangen. Deze inkomsten worden door het college verrekend met de bijstand in de maanden oktober en november 2012.


1.3.

Bij besluit van 27 mei 2013 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van betrokkene gegrond verklaard, voor zover in het besluit van 5 november 2012 geen rekening is gehouden met de kosten verbonden aan het verkrijgen van een stamboom, en ongegrond voor het overige. Deze kosten ten bedrage van € 537,50 worden alsnog in mindering gebracht op de inkomsten. Omdat de eerder berekende inkomsten reeds zijn verrekend met de bijstand, zal het bedrag van € 537,50 worden nabetaald, verhoogd met de wettelijke rente. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat de activiteiten van betrokkene in verband met het fokken van honden dienen te worden aangemerkt als op geld waardeerbare activiteiten. De stelling van betrokkene dat zij geen gelden heeft ontvangen, doet hieraan niet af, nu betrokkene alle activiteiten verricht, de kosten betaalt, garant staat voor de nakoming van de verplichtingen die voortvloeien uit de koopovereenkomsten en aansprakelijk wordt gesteld indien blijkt dat de verkoper hieraan niet heeft voldaan.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd voor zover daarbij het bezwaar tegen het besluit van 5 november 2012 ongegrond is verklaard en het college opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van wat in de uitspraak is overwogen. De rechtbank heeft het standpunt van het college onderschreven dat in het geval van betrokkene voldoende grond bestaat om uit te gaan van een fictief inkomen uit het fokken van honden, nu haar werkzaamheden moeten worden aangemerkt als productieve arbeid die in het maatschappelijk verkeer een economische waarde vertegenwoordigt. De rechtbank heeft evenwel geoordeeld dat in het licht van de rapportage van verzekeringsarts S.J. Heemstra van 4 december

(lees: 4 juni) 2012 (medisch advies) de werkzaamheden van betrokkene in verband met het fokken van honden niet in zijn geheel als productieve arbeid kunnen worden aangemerkt. De rechtbank heeft het niet onaannemelijk geacht dat het fokken van honden en het hebben van bijvoorbeeld één nest pups per jaar voor betrokkene gelet op haar problematiek eraan kan bijdragen om haar in balans te houden. De rechtbank heeft het aangewezen geacht dat het college alsnog onderzoekt of het hebben van één nest pups per jaar de lichamelijke en psychische gezondheidstoestand van betrokkene in balans kan houden en daarom aan haar kan worden toegestaan, zonder dat de inkomsten daaruit in mindering worden gebracht op haar bijstand.


3. In hoger beroep heeft het college zich op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd. In het incidenteel hoger beroep heeft betrokkene zich op de eveneens hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.


4. De Raad zal eerst het incidenteel hoger beroep beoordelen, omdat dit het meest verstrekkend is.


4.1.

Betrokkene voert aan dat de rechtbank het hobbymatige en medisch noodzakelijke aspect van het fokken van honden onvoldoende heeft meegewogen en voorts geen rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat de, bovendien fictieve, inkomsten haar niet toekomen. Er is geen sprake van productieve arbeid en er bestaan goede gronden om de beweerde inkomsten buiten beschouwing te laten.


4.2.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de werkzaamheden die betrokkene verricht in verband met het fokken van honden moeten worden aangemerkt als productieve arbeid die in het maatschappelijk verkeer een economische waarde vertegenwoordigt. Het fokken van honden met als doel de gefokte honden te verkopen, zijn immers activiteiten waarvoor in het maatschappelijk verkeer normaliter een beloning wordt ontvangen of kan worden bedongen. Zoal dergelijke werkzaamheden worden verricht als hobby of op basis van een medisch advies, doet dat er op zichzelf niet aan af dat de arbeid op geld waardeerbaar is. Daarbij wordt aangetekend dat volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 20 april 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM3466) het voor de WWB geen relevant onderscheid is of het om bedrijfsmatige of bij wijze van hobby uitgeoefende activiteiten gaat. De Raad volgt het oordeel van de rechtbank dat het college voldoende rekening heeft gehouden met het hobbymatige aspect van het fokken van honden. Het college heeft de - fictieve - inkomsten gewaardeerd op het daadwerkelijk behaalde resultaat van de verkoop van honden en niet op het aantal daadwerkelijk gewerkte uren waarvoor betrokkene een beloning had kunnen bedingen op het niveau van het minimumloon. Dat de inkomsten uit de verkoop van de pups aan [X.] zijn toegekomen, betreft een keuze die betrokkene zelf, zonder hierover vooraf met het college afspraken te maken, heeft gemaakt. Het college is niet gebonden aan de keuze van betrokkene om werkzaamheden te verrichten waarvan de opbrengst ten goede komt aan [X.], zonder dat zij voor die werkzaamheden enige tegenprestatie van [X.] ontvangt. Tegen de wijze waarop het college deze inkomsten, zoals nader vastgesteld bij het bestreden besluit, heeft berekend, heeft betrokkene zich niet gekeerd.


4.3.

Het voorgaande betekent dat het incidenteel hoger beroep van betrokkene niet slaagt.


5. In het hoger beroep van het college komt de Raad tot de volgende beoordeling.


5.1.

Het college stelt zich op het standpunt dat de rechtbank te ver gaat door op basis van het medisch advies te oordelen dat de inkomsten uit het fokken van honden voor één nest pups per jaar moeten worden vrijgelaten. Het houden van honden wordt betrokkene niet verboden. Het college acht echter het fokken van honden in het geval van betrokkene op geld waardeerbare arbeid. Het hobbymatige karakter wordt volgens het college overschreden, nu betrokkene voor een stamboom en keuringen zorgt en persoonlijk garant staat voor de kwaliteit van de honden. Indien rekening wordt gehouden met de door de rechtbank uitgesproken inkomstenvrijlating, betekent dit dat betrokkene een beduidend hogere bestedingsruimte krijgt dan andere personen in de bijstand.


5.2.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 8 mei 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW5646) is het verrichten van op geld waardeerbare activiteiten een omstandigheid die voor het recht op bijstand van belang kan zijn, ongeacht de intentie waarmee die werkzaamheden worden verricht en ongeacht of uit die werkzaamheden daadwerkelijk inkomsten worden genoten. Van betekenis is in dit verband dat voor de verlening van bijstand, gelet op het bepaalde in artikel 31, eerste lid, in verbinding met artikel 32, eerste lid, van de WWB, niet alleen van belang is het inkomen waarover de betrokkene daadwerkelijk beschikt, maar ook het inkomen waarover hij redelijkerwijs kan beschikken. De rechtbank heeft dit niet onderkend door te overwegen dat de werkzaamheden van betrokkene met betrekking tot het fokken van honden op medische gronden niet volledig als productieve arbeid zijn aan te merken en een deel van de inkomsten buiten beschouwing moet worden gelaten. Nu vaststaat dat betrokkene op het fokken van honden gerichte werkzaamheden heeft verricht en niet van belang is met welke intentie zij dat heeft gedaan, bestaat geen grond voor het oordeel dat het college dient te onderzoeken of aan betrokkene kan worden toegestaan één nest pups per jaar te fokken zonder dat de inkomsten in mindering worden gebracht op haar bijstand. Daarbij wordt nog aangetekend dat betrokkene niet heeft bestreden dat de verkoop van de zes pups van het nest dat in juli 2012 is geboren heeft geleid tot een positief resultaat, dat het college - uiteindelijk - heeft berekend op € 982,36.


5.3.

Gelet op het voorgaande slaagt het hoger beroep van het college en dient de aangevallen uitspraak te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit ongegrond verklaren.


6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep


- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 27 mei 2013 ongegrond.



Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa als voorzitter en W.F. Claessens en

S. Hindriks-Roose als leden, in tegenwoordigheid van C.M.A.V. van Kleef als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 juni 2015.




(getekend) J.F. Bandringa




(getekend) C.M.A.V. van Kleef




HD