Centrale Raad van Beroep, 04-06-2015 / 14-1079 AW


ECLI:NL:CRVB:2015:1761

Inhoudsindicatie
Dienstongeval. Geen schending van de zorgplicht. De zorgplicht strekt niet tot het uitbannen van elk denkbaar risico, maar tot het treffen van maatregelen die in de gegeven situatie redelijkerwijs kunnen worden gevergd van de werkgever om de veiligheid van de ambtenaar te waarborgen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-06-04
Publicatiedatum
2015-06-05
Zaaknummer
14-1079 AW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht



Vindplaatsen
Uitspraak

14/1079 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 7 januari 2014, 13/2374 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de korpschef van politie (korpschef)

PROCESVERLOOP

Ingevolge artikel 5 van de Wet van 12 juli 2012 tot invoering van de Politiewet 2012 en aanpassing van overige wetten aan die wet (invoerings- en aanpassingswet Politiewet 2012, Stb. 2012, 316) is in dit geschil de korpschef in de plaats getreden van de korpsbeheerder van de politieregio Midden en West Brabant, ten name van wie het geding aanvankelijk is gevoerd. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van de korpschef, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) de korpsbeheerder verstaan.

Namens appellant heeft mr. M.H. Welter hoger beroep ingesteld.

Namens de korpschef heeft drs. P.J.J.M. van der Heijden een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 april 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Welter. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. L.W.H. van den Berg en mr. M.A. van Dorst.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellant was sinds augustus 2007 in opleiding voor allround politiemedewerker. Tijdens een training aanhoudingsvaardigheden, die plaatsvond in een leegstand pand, op 29 september 2009 is hij bij het binnentreden van een pand gestruikeld over een drempel en ten val gekomen tegen een verwarmingsradiator. Appellant heeft als gevolg daarvan hoofdletsel en een zware hersenschudding opgelopen. Daarnaast kampt appellant met concentratieverlies en rugklachten.


1.2.

Bij besluit van 9 november 2009 is het ongeval door de korpschef aangemerkt als een dienstongeval als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder z, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp).


1.3.

Bij brief van 28 december 2011 heeft appellant de korpschef vanwege de schending van de op hem rustende zorgplicht aansprakelijk gesteld voor (im)materiële schade als gevolg van het ongeval.


1.4.

Bij besluit van 13 september 2012 heeft de korpschef appellant bericht geen aansprakelijkheid te erkennen.


1.5.

Bij besluit van 12 februari 2013 (bestreden besluit) heeft de korpschef het bezwaar tegen het besluit van 13 september 2012 ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij stelt zich op het standpunt dat de korpschef zijn zorgplicht heeft geschonden door niet te zorgen voor een veilige oefensituatie.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Volgens vaste rechtspraak heeft het bestuursorgaan tegenover de ambtenaar een zorgplicht (CRvB 22 juni 2000, ECLI:NL:CRVB:2000:AB0072). De zorgplicht houdt in dat het bestuursorgaan de werkzaamheden van de ambtenaar zodanig moet inrichten en voor het verrichten daarvan zodanige maatregelen moet treffen en aanwijzingen moet geven als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de ambtenaar in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt. De ambtenaar heeft recht op vergoeding van deze schade, ook voor zover rechtspositionele regelingen daarin niet voorzien. Geen recht op vergoeding bestaat indien het bestuursorgaan aantoont dat het zijn zorgplicht is nagekomen of dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de ambtenaar.


4.2.

Appellant voert aan dat zich in het oefenpand op het terrein van de Politieacademie geen vaste delen bevinden zoals drempels en radiatoren. Deze bevonden zich echter wel in het leegstaande pand waar de oefening op 29 september 2009 werd gehouden. Zowel de drempel als de radiator zijn gevaarlijke objecten die verwijderd hadden moeten worden. In elk geval hadden de scherpe randen van de radiator afgeschermd moeten worden. Appellant droeg voorts geen beschermende kleding. In de realiteit wordt in dit soort gevallen een specialistisch team ingezet en wordt gebruik gemaakt van valhelmen. Door deze maatregelen niet te nemen en appellant niet of onvoldoende te instrueren heeft de korpschef zijn zorgplicht geschonden.


4.3.

De Raad volgt appellant niet in zijn betoog. De zorgplicht strekt niet tot het uitbannen van elk denkbaar risico, maar tot het treffen van maatregelen die in de gegeven situatie redelijkerwijs kunnen worden gevergd van de werkgever om de veiligheid van de ambtenaar te waarborgen. Van de korpschef mag niet worden verwacht dat hij waarschuwt voor geringe gevaren als gevolg van algemeen gebruikelijke objecten, zoals de aanwezigheid van een drempel waarover kan worden gestruikeld, of dat drempels en radiatoren worden verwijderd. Vanwege het geringe gevaar dat de aanwezigheid van drempels meebrengt, hoefde de korpschef er ook niet voor te zorgen dat tijdens de oefening beschermende kleding werd gedragen. Van gevaarzetting, zoals door appellant betoogd, was geen sprake. Door het pand vooraf te controleren op losliggende delen zoals bijvoorbeeld glas en spijkers heeft de korpschef voldoende maatregelen getroffen. De korpschef heeft zich daarbij op het standpunt mogen stellen dat de oefening in zekere mate realistisch mag zijn en voor de oefening daarom een leegstaand pand mogen gebruiken. De korpschef heeft voorts toegelicht dat het specialistisch team waarnaar appellant verwijst, het arrestatieteam is dat wordt ingezet voor speciale taken zoals het arresteren van vuurwapengevaarlijke verdachten. Appellant heeft de oefening echter gedaan in het kader van zijn opleiding als allround politiemedewerker. De te oefenen casus sloot daar ook op aan. Voor zover appellant heeft betoogd dat hij is gestruikeld over de drempel omdat hij zwaarder schoeisel, ME-kisten, droeg en met een koppel van enkele kilo’s het pand moest betreden, kan dit niet leiden tot een ander oordeel. Deze uitrusting werd bij alle oefeningen gebruikt en de korpschef was in het kader van zijn zorgplicht niet gehouden over het gebruik daarvan voorafgaand aan de oefening in het leegstaande pand nadere instructies of een waarschuwing te geven.


4.4.

Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend als voorzitter, en M.T. Boerlage en W.J.A.M. van Brussel als leden, in tegenwoordigheid van B. Rikhof als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2015.




(getekend) B.J. van de Griend




(getekend) B. Rikhof




HD