Centrale Raad van Beroep, 22-05-2015 / 11-4135 WAO


ECLI:NL:CRVB:2015:1765

Inhoudsindicatie
Weigering WIA-uitkering. Geen sprake van toegenomen beperkingen als gevolg van dezelfde ziekteoorzaak. Voldoende medische grondslag.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-05-22
Publicatiedatum
2015-06-09
Zaaknummer
11-4135 WAO
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

11/4135 WAO

Datum uitspraak: 22 mei 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van

31 mei 2011, 10/1463 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.P.L. Pinkster hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd met de zaken 11/4122, 11/4123 en 12/616 plaatsgevonden op 27 februari 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Pinkster. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.I. Damsma. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante heeft vanwege linkerarmklachten over de periode 25 februari 2002 tot en met 10 juni 2002 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ontvangen. In 2003 is zij voor 36 uur per week als casemanager in dienst getreden bij [werkgever] (werkgever).


1.2.

Naar aanleiding van een ziekmelding per 8 augustus 2005 in verband met armklachten beiderzijds heeft het Uwv appellante met ingang van 6 augustus 2007 een uitkering op grond van de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) ontzegd, omdat zij geschikt is geacht voor de maatgevende arbeid. Het hiertegen gemaakte bezwaar is bij besluit van

28 november 2007 ongegrond verklaard. Tegen de uitspraak van 18 september 2009 van de rechtbank Leeuwarden, waarbij het beroep ongegrond werd verklaard, zijn geen rechtsmiddelen aangewend.


1.3.

Appellante heeft zich met ingang van 14 november 2006 arbeidsongeschikt gemeld met toegenomen rechterarmklachten. Bij besluit van 29 december 2009 heeft het Uwv geweigerd om appellante met ingang van 12 december 2006 in aanmerking te brengen voor een

WAO-uitkering.


1.4.

Bij besluit van 13 juli 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv het besluit van 29 december 2009 in bezwaar gehandhaafd. Daartoe heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep onder meer overwogen dat niet gebleken is dat de medische situatie van appellante in 2006 anders was dan die met ingang van 6 augustus 2007, per welke datum de geschiktheid voor de maatgevende arbeid - bij de onder 1.2 genoemde uitspraak - in rechte was bevestigd.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat niet gebleken is dat appellante op 12 december 2006 meer klachten had voortvloeiend uit de posttraumatische dystrofie en dat evenmin is gebleken dat appellante meer beperkingen in het gebruik van haar beide handen had dan waarvan het Uwv is uitgegaan. Appellante heeft geen medische stukken overgelegd die tot een andere conclusie aanleiding geven. De omstandigheid dat appellante naar aanleiding van de ziekmelding vanaf 8 augustus 2005 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) ontving, maakt de beoordeling niet anders, omdat volgens het Uwv achteraf bleek dat geen recht bestond op die uitkering.


3. In hoger beroep heeft appellante kort gezegd aangevoerd dat het Uwv onvoldoende heeft onderbouwd op grond waarvan appellante, nadat zij vanwege de ziekmelding per 8 augustus 2005 een uitkering ingevolge de ZW ontving vanwege ongeschiktheid voor de maatgevende arbeid, in het kader van de WAO als geschikt voor de maatgevende arbeid kon worden beschouwd.


4.1.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.2.

De rechtbank heeft op goede gronden de medische grondslag van het bestreden besluit onderschreven. De verzekeringsartsen bezwaar en beroep T. Miedema en L.J. Zwemer hebben in hun rapport van 11 maart 2010 en 8 juli 2010 overwogen dat de melding van appellante van toegenomen ongeschiktheid per 12 december 2006 verband hield met een klachtentoename naar aanleiding van infusen die waren aangebracht in februari 2006. Zij hebben een aanvullende beperking in de FML opgenomen voor het aspect schrijven, maar er viel geen episode in 2006 aan te wijzen waarin sprake is geweest van toegenomen arbeidsongeschiktheid. De rechtbank heeft met juistheid die beoordeling bevestigd en in de beschikbare gegevens, waaronder de brieven van de dermatoloog van 27 januari 2009 en van 14 april 2010 en van de neuroloog van 9 juni 2006 en van 14 januari 2008, geen aanknopingspunten gevonden om de beoordeling van het Uwv voor onjuist te houden. In hoger beroep heeft appellante evenmin stukken in geding gebracht die de conclusie rechtvaardigen dat met ingang van 12 december 2006 sprake is geweest van toegenomen arbeidsongeschiktheid op grond van dezelfde ziekteoorzaak als die waarvoor tot 10 juni 2002 WAO-uitkering was ontvangen. De omstandigheid dat appellante rond de datum in geding uitkering ingevolge de ZW heeft genoten maakt de beoordeling niet anders. Het betreft een toekenning op grond van een andere wettelijke regeling, waarvan niet bestreden is dat daar geen medisch onderzoek aan ten grondslag lag en waarvan gesteld is dat die uitkering achteraf bezien mogelijk ten onrechte was verstrekt.


4.3.

De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.


5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en D.J. van der Vos en P.H. Banda als leden, in tegenwoordigheid van K. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2015.



(getekend) J.W. Schuttel




(getekend) K. de Jong



NK