Centrale Raad van Beroep, 22-05-2015 / 13-4338 WIA


ECLI:NL:CRVB:2015:1774

Inhoudsindicatie
Weigering wettelijke rente te vergoeden over de nabetaling. Het Uwv heeft bij het bestreden besluit terecht de afwijzing van het verzoek om vergoeding van wettelijke rente over de met de bijstandsuitkering verrekende nabetaling aan WGA-uitkering gehandhaafd. De door appellant aangevoerde grond dat bijstand en werknemersverzekeringen niet binnen hetzelfde sociale zekerheidsstelsel vallen slaagt niet.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-05-22
Publicatiedatum
2015-06-09
Zaaknummer
13-4338 WIA
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
Uitspraak

13/4338 WIA

Datum uitspraak: 22 mei 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

7 augustus 2013, 13/3327 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.P. de Witte, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Beide partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 februari 2015. Namens appellante is verschenen mr. De Witte als haar gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.H.M. Visser.

OVERWEGINGEN


1.1.

Bij besluit van 9 juli 2008 had het Uwv vastgesteld dat voor appellante geen recht was ontstaan op een uitkering op grond van de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) met ingang van 26 september 2008. Appellante heeft een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) ontvangen over de periode van 26 september 2008 tot 26 december 2008 en aansluitend heeft zij een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) genoten.


1.2.

Naar aanleiding van een tussenuitspraak van de Raad van 2 november 2011 heeft het Uwv bij besluit van 17 november 2011 vastgesteld dat voor appellante alsnog recht is ontstaan op een WGA-uitkering op grond van de Wet WIA met ingang van 26 september 2008. Hierbij is de mate van arbeidsongeschiktheid bepaald op 80 tot 100%.


1.3.

Het Uwv heeft de nabetaling van de WGA-uitkering verrekend met de uitkeringen die appellante heeft ontvangen op grond van de WW en de WWB over de periode van

26 september 2008 tot en met 31 maart 2012.


1.4.

Appellante heeft bij brieven van 13 november 2012 en 22 februari 2013 het Uwv verzocht om schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente over het volledige bedrag aan na te betalen WGA-uitkering.


1.5.

Bij besluit van 6 maart 2013 heeft het Uwv het verzoek om vergoeding van wettelijke rente afgewezen omdat wettelijke rente slechts wordt vergoed over het bedrag aan

WGA-uitkering dat, na verrekening van het tegoed aan WGA-uitkering met het bedrag aan reeds over die periode ontvangen uitkeringen, alsnog wordt uitbetaald aan de betrokkene. In het geval van appellante is het gehele WGA-tegoed verrekend met de door haar ontvangen uitkeringen op grond van de WW en WWB en resteerde er geen tegoed dat aan haar moest worden uitbetaald. Het door appellante tegen dit besluit gemaakte bezwaar is ongegrond verklaard bij besluit van 11 april 2013 (bestreden besluit), waarbij tevens is meegedeeld dat de nabetaling van € 563,47 (de Raad leest: € 583,47) aan appellante op 5 april 2012 een nabetaling op grond van de Toeslagenwet over de periode van 1 januari 2012 tot 1 april 2012 betrof en dus geen nabetaling aan WGA-uitkering. Over deze nabetaling is dan ook geen wettelijke rente vergoed.


2.1.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Zij heeft geoordeeld dat aangesloten dient te worden bij het arrest van de Hoge Raad van 22 september 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZF1824, en de rechtspraak van de Raad waarin eveneens is aangesloten bij dit arrest, onder meer in de uitspraak van 28 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH2667. De Hoge Raad heeft in dit arrest geoordeeld dat de gedachte dat de sociale zekerheidswetten een samenhangend stelsel vormen rechtvaardigt dat, wanneer iemand door een bepaald uitvoeringsorgaan gedurende een bepaalde periode op grond van een sociale zekerheidswet een uitkering ontvangt, terwijl later komt vast te staan dat hem over die periode door een andere instantie op grond van een andere sociale zekerheidswet een hogere uitkering had moeten zijn uitgekeerd, hij jegens de laatstbedoelde instantie slechts aanspraak kan maken op wettelijke rente over het bedrag aan sociale uitkeringen waarover hij ten onrechte niet heeft kunnen beschikken, te weten het verschil tussen de uitkering die hij heeft genoten en die hij had behoren te genieten.


2.2.

De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat gelet op artikel 4:93 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verrekening van een geldschuld met een bestaande vordering slechts geschiedt voor zover in de bevoegdheid daartoe bij wettelijk voorschrift is voorzien. Deze wettelijke grondslag wordt gevormd door artikel 60a, tweede lid, van de WWB, waarbij is geregeld dat het Uwv en het betreffende college van burgemeester en wethouders bevoegd zijn om uitkeringen op grond van een werknemersverzekeringswet en de bijstand met elkaar te verrekenen. Gelet op deze wettelijk geregelde bevoegdheid tot verrekening maken de werknemersverzekeringswetten en de bijstand, naar het oordeel van de rechtbank, deel uit van het door de Hoge Raad bedoelde samenhangend stelsel van sociale zekerheidswetten. Bovendien vindt de rechtbank geen aanknopingspunten in de rechtspraak van de Raad voor het door appellante gestelde onderscheid tussen verrekening met een uitkering op grond van een volksverzekeringswet en verrekening met een uitkering op grond van een werknemersverzekeringswet. Daarom is de rechtbank van oordeel dat het Uwv terecht het verzoek om wettelijke rente op de met de bijstand verrekende nabetaling heeft afgewezen.


2.3.

Over de nabetaling aan appellante op 5 april 2012 ten bedrage van € 583,47 heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv aannemelijk heeft gemaakt dat dit een tijdige nabetaling is geweest in het kader van de Toeslagenwet, die zag op betaling van de toeslag over de maanden januari tot en met maart 2012. Terecht heeft het Uwv dan ook, volgens de rechtbank, het verzoek om wettelijke rente over dit bedrag eveneens afgewezen.


3.1.

Hangende de hoger beroepsprocedure heeft het Uwv een nieuw besluit op bezwaar genomen gedateerd 1 november 2013, waarbij het standpunt over de nabetaling van € 583,47 is gewijzigd. Bij dit besluit heeft het Uwv vastgesteld dat deze nabetaling wel degelijk betrekking heeft op de achterstallige WGA-uitkering. Het bezwaar van appellante is in zoverre alsnog gegrond verklaard en het Uwv heeft appellante daarom alsnog een bedrag aan vergoeding van wettelijke rente toegekend van € 85,58 en toegezegd het griffierecht en de proceskosten te zullen vergoeden na de uitspraak van de Raad.


3.2.

Appellante heeft te kennen gegeven dat zij geen belang heeft bij een uitspraak van de Raad over het besluit van 1 november 2013, aangezien het Uwv haar bij dit besluit tegemoet is gekomen wat betreft de wettelijke rente over de nabetaling van € 583,47. Gelet op het bepaalde in artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, zal de Raad dit besluit dan ook niet bij de beoordeling van het hoger beroep meenemen.


3.3.

Vastgesteld wordt dat het geding in hoger beroep beperkt is tot de vraag of het Uwv bij het bestreden besluit terecht geweigerd heeft om wettelijke rente te vergoeden over de met de bijstand verrekende nabetaling aan WGA-uitkering over de periode van 26 december 2008 tot en met 31 maart 2012. Appellante heeft aangevoerd dat bijstand een sociale voorziening is en geen sociale verzekering. Er is dan ook geen sprake van verrekening binnen hetzelfde sociale zekerheidsstelsel en daarom staat niets vergoeding van wettelijke rente over de met de bijstand verrekende nabetaling aan WGA-uitkering in de weg.


3.4.

Met juistheid heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv bij het bestreden besluit terecht de afwijzing van het verzoek om vergoeding van wettelijke rente over de met de bijstandsuitkering verrekende nabetaling aan WGA-uitkering heeft gehandhaafd. De overwegingen van de aangevallen uitspraak, zoals weergegeven onder 2.1 en 2.2, worden geheel onderschreven. De Raad heeft zich, blijkens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de aangehaalde uitspraak van 28 januari 2009) aangesloten bij het voornoemde arrest van de Hoge Raad. Tevens wordt gewezen op de uitspraak van de Raad van 23 april 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BD1214, waarbij is geoordeeld dat het Uwv over het, na verrekening met de door hem ontvangen bijstand, resterende aan appellant rechtstreeks uit te betalen bedrag aan nabetaling op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, wettelijke rente dient te vergoeden. De door appellant aangevoerde grond dat bijstand en werknemersverzekeringen niet binnen hetzelfde sociale zekerheidsstelsel vallen slaagt dan ook niet.


3.5.

Gelet op het gewijzigde standpunt van het Uwv in hoger beroep bij besluit van

1 november 2013, waarbij het bestreden besluit niet volledig is gehandhaafd en het besluit op aanvraag van 6 maart 2013 gedeeltelijk is herroepen, dient de aangevallen uitspraak te worden vernietigd. Het beroep tegen het bestreden besluit dient gegrond te worden verklaard en het bestreden besluit dient te worden vernietigd voor zover het Uwv hierbij heeft geweigerd de wettelijke rente te vergoeden over de nabetaling van € 583,47. Voor het overige is het bezwaar terecht ongegrond verklaard.


3.6.

Er is aanleiding het Uwv te veroordelen in de kosten van rechtsbijstand gemaakt in bezwaar, en in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 490,- wegens in bezwaar gemaakte kosten aan verleende rechtsbijstand, op € 980,- wegens verleende rechtsbijstand in beroep en op € 980,- wegens verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 2.450,-.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep


- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 11 april 2013 gegrond;

- vernietigt het besluit van 11 april 2013 voor zover daarbij is geweigerd om wettelijke rente

te vergoeden over de nabetaling van € 583,47;

- veroordeelt het Uwv in de kosten van rechtsbijstand in bezwaar, en in de proceskosten van

appellante, tot een bedrag van in totaal € 2.450,-;

- bepaalt dat het Uwv het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht ten

bedrage van € 162,- aan haar vergoedt.



Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en D.J. van der Vos en P.H. Banda als leden, in tegenwoordigheid van K. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2015.



(getekend) J.W. Schuttel




(getekend) K. de Jong



HD