Centrale Raad van Beroep, 19-05-2015 / 13-6065 WIA


ECLI:NL:CRVB:2015:1779

Inhoudsindicatie
Hoger beroep niet-ontvankelijk. De inkomenseis van appellante die voor haar gold per 13 april 2012 had immers gevolgen kunnen hebben voor de soort en hoogte van de uitkering die volgt op de LGU, maar nu appellante per datum einde LGU een LAU is toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% kan het hoger beroep van appellante noch voor de hoogte van de LGU noch voor de soort en hoogte na de LGU gevolgen hebben. De Raad verwijst naar zijn uitspraak van 18 juli 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:2441).
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-05-19
Publicatiedatum
2015-06-08
Zaaknummer
13-6065 WIA
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht

Formele relatie


Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/6065 WIA

Datum uitspraak: 19 mei 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

26 september 2013, 12/5371 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. N. Köse-Albayrak, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 april 2015. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.M.J. Evers.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellante was laatstelijk werkzaam als (jongeren)begeleidster en heeft zich op

16 april 2010 vanuit een uitkeringssituatie op grond van de Werkloosheidswet ziek gemeld vanwege psychische klachten. De verzekeringsarts heeft na onderzoek vastgesteld dat er bij appellante vooral sprake is van psychische problematiek. Hierdoor zijn er beperkingen voor arbeid. Verder zijn er beperkingen als gevolg van lichamelijke klachten. Bij besluit van

30 maart 2012 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellante met ingang van 13 april 2012 geen recht op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) ontstaat, omdat zij minder dan 35 % arbeidsongeschikt is. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.


1.2.

Bij besluit van 6 november 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar gegrond

verklaard, het besluit van 30 maart 2012 herroepen en vastgesteld dat voor appellante per

13 april 2012 recht is ontstaan op een loongerelateerde WGA-uitkering (LGU). Hieraan ligt het standpunt ten grondslag dat de Functionele Mogelijkhedenlijst niet is gewijzigd en dat een door de arbeidsdeskundige aan de schatting ten grondslag gelegde functie niet geschikt is voor appellante. Er resteren voldoende functies die de belastbaarheid van appellante niet overschrijden. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt hierdoor 35,9 %.


2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3.1.

In hoger beroep voert appellante aan dat het medisch onderzoek niet zorgvuldig is geweest en dat de ernst van haar psychische klachten is onderschat. Voorts zijn de geduide functies niet geschikt.


3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. Voorts heeft het Uwv opgemerkt dat appellante bij besluit van 17 december 2013 een WGA-loonaanvullingsuitkering (LAU) is toegekend per de datum dat de LGU eindigde, 10 oktober 2013, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 80 tot 100 %. Gezien dit besluit is de vraag aan de orde of er in deze procedure sprake is van voldoende procesbelang.


3.3.

In reactie op het verweerschrift heeft appellante betoogd dat het Uwv ten onrechte de vraag stelt of er voldoende procesbelang is, omdat het besluit van 17 december 2013 niets zegt over de mate van arbeidsongeschiktheid voor 10 oktober 2013. Ten onrechte is de mate van arbeidsongeschiktheid per 13 april 2012 op 35,9 % vastgesteld.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 24 juli 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BD8613, overweegt de Raad dat slechts sprake is van voldoende procesbelang indien het resultaat, dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het instellen van (hoger) beroep nastreeft, ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het resultaat voor deze indiener feitelijke betekenis kan hebben. Van de bestuursrechter kan in een geval waarin de uitkomst van het (hoger) beroep niet in concreto tot een voor de betrokkene gunstiger resultaat kan leiden, geen uitspraak worden gevraagd uitsluitend vanwege de principiële betekenis daarvan.


4.2.

Artikel 60, tweede lid, van de Wet WIA bepaalt dat de inkomenseis voor de verzekerde die in staat is met arbeid meer dan 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, gelijk is aan 50 % van de resterende verdiencapaciteit. Als een betrokkene tijdens het ontvangen van een LGU ten minste twee maanden een verdienvermogen van minder dan 20% heeft, dan geldt voor die betrokkene geen inkomenseis. De inkomenseis gaat op grond van artikel 60, derde lid, van de Wet WIA pas gelden 24 maanden nadat betrokkene weer een verdienvermogen van meer dan 20% heeft. Bij de vraag of betrokkene na afloop van de LGU recht heeft op een LAU of een WGA-vervolguitkering, die voor wat betreft hoogte van elkaar verschillen, is van belang of er een inkomenseis geldt. Gelet op de uitspraak van 15 februari 2013, ECLI:NL:CRVB:BZ1485 heeft deze in de Wet WIA geregelde consequentie van de mate van arbeidsongeschiktheid er toe geleid om bij de vraag of procesbelang aanwezig is de gevolgen van het hebben van een verdienvermogen van minder dan 20% voor de soort en de hoogte van de WGA-uitkering na afloop van de LGU, te betrekken.


4.3.

Het Uwv heeft in het bestreden besluit vastgesteld dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante 35 tot 80% bedraagt. Dit betekent dat er voor appellante een inkomenseis gold. In een situatie als deze, waarin met ingang van 10 oktober 2013, de datum waarop de LGU is geëindigd, de LAU gebaseerd is op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% en waarin appellante niet uitdrukkelijk heeft betoogd duurzaam arbeidsongeschikt te zijn, leveren de bij appellante bestaande bezwaren tegen de mate van arbeidsongeschiktheid van 35,9% tijdens de LGU periode geen procesbelang op als bedoeld in overweging 4.1. Met het aanvechten van de mate van arbeidsongeschiktheid per 13 april 2012 kan appellante immers niet meer krijgen dan zij feitelijk reeds bij het bestreden besluit en het besluit van

17 december 2013 toegekend heeft gekregen. De inkomenseis van appellante die voor haar gold per 13 april 2012 had immers gevolgen kunnen hebben voor de soort en hoogte van de uitkering die volgt op de LGU, maar nu appellante per datum einde LGU een LAU is toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% kan het hoger beroep van appellante noch voor de hoogte van de LGU noch voor de soort en hoogte na de LGU gevolgen hebben. De Raad verwijst naar zijn uitspraak van 18 juli 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:2441).


5. Uit hetgeen is overwogen in 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is zodat aan een inhoudelijk oordeel van het geschil niet toegekomen kan worden.


6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.



BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.



Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van K. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2015.



(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen




(getekend) K. de Jong




TM