Centrale Raad van Beroep, 24-04-2015 / 13-1857 WAO


ECLI:NL:CRVB:2015:1781

Inhoudsindicatie
Afwijzing herhaalde aanvraag om WAO-uitkering. Geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-04-24
Publicatiedatum
2015-06-11
Zaaknummer
13-1857 WAO
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/1857 WAO


Datum uitspraak: 24 april 2015




Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer










Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

26 februari 2013, 12/2962 (aangevallen uitspraak)






Partijen:


[appellant] te [woonplaats], Marokko (appellant)


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingezonden.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een aantal nadere reacties ingezonden.


Het beroep is ter behandeling aan de orde gesteld tijdens de zitting op 5 september 2014. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

A. Anandbahadoer.


Na de behandeling ter zitting heeft de Raad besloten het onderzoek te heropenen.

Met toestemming van partijen is een nadere zitting achterwege gelaten, waarna de Raad het onderzoek heeft gesloten.



OVERWEGINGEN


1.1.

Bij besluit van 7 februari 1985 heeft de rechtsvoorganger van het Uwv de eerder aan appellant toegekende uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met ingang van 1 maart 1985 ingetrokken op de grond dat de arbeidsongeschiktheid van appellant per die datum was afgenomen naar minder dan 15%. Dit besluit staat in rechte vast.


1.2.

Appellant heeft via de Caisse Nationale de Sécurité Sociale (CNSS) op 20 maart 2006 het Uwv verzocht om een WAO-uitkering en daarbij vermeld dat hij niet geschikt is arbeid te verrichten. Bij besluit van 18 november 2008 heeft het Uwv dit verzoek afgewezen.


1.3.

Bij beslissing op bezwaar van 2 juni 2009 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 18 november 2008 ongegrond verklaard. Het Uwv heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat appellant geen nieuw gebleken feiten of omstandigheden heeft vermeld die tot de conclusie moeten leiden dat het besluit van 7 februari 1985 onjuist is.


1.4.

Bij uitspraak van 23 juni 2010 heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 2 juni 2009 ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat appellant ter onderbouwing van zijn verzoek om een WAO-uitkering geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) naar voren heeft gebracht. De Raad heeft bij uitspraak van 1 juni 2011 de uitspraak van de rechtbank van 23 juni 2010 bevestigd.


1.5.

Appellant heeft zich vervolgens een aantal keren tot het Uwv gewend en verzocht om een WAO-uitkering, laatstelijk bij brief van 6 januari 2012.


1.6.

Bij besluit van 20 maart 2012 heeft het Uwv dit verzoek afgewezen en zich daarbij op het standpunt gesteld dat appellant geen nieuwe informatie heeft ingezonden die het opnieuw beoordelen van de aanvraag rechtvaardigen.


1.7.

Bij beslissing op bezwaar van 23 mei 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 20 maart 2012 ongegrond verklaard. Daartoe heeft het Uwv overwogen dat geen nieuwe feiten of omstandigheden bekend zijn geworden die aanleiding geven om terug te komen van het besluit van 7 februari 1985.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij het standpunt van het Uwv dat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden onderschreven. Daarbij heeft de rechtbank van belang geacht dat appellant geen nieuwe gegevens heeft ingestuurd met betrekking tot zijn arbeidsongeschiktheid op 1 maart 1985. Om die reden hoefde het Uwv geen nieuw medisch onderzoek te doen en mocht hij het verzoek afwijzen onder verwijzing naar het besluit van 7 februari 1985.


3. In hoger beroep heeft appellant zijn in beroep aangevoerde gronden herhaald. Appellant heeft opnieuw aangevoerd dat hij op en na 1 maart 1985 arbeidsongeschikt is gebleven, zijn gezondheid is verslechterd en hij geen arbeid kon verrichten. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant diverse medische gegevens uit 1985, 2010 en 2013 ingezonden.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraken van 14 januari 2015, (ECLI:NL:CRVB:2015:1 en ECLI:NL:CRVB:2015:2) moet een aanvraag voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering na een eerdere (gedeeltelijke) afwijzing of intrekking van die uitkering naar zijn strekking worden beoordeeld. Met een aanvraag kan worden beoogd dat (met ingang van de datum waarop dat besluit zag) wordt teruggekomen van het eerdere besluit, dat bedoeld wordt een beroep te doen op een regeling bij toegenomen arbeidsongeschiktheid (Wet Amber), of dat om herziening wordt verzocht voor de toekomst. Indien in een voorkomend geval niet (geheel) duidelijk is wat met een aanvraag wordt beoogd, ligt het op de weg van het Uwv daarover bij de aanvrager nadere informatie in te winnen. Het onderscheid in wat de belanghebbende heeft beoogd, is van belang voor de beoordeling van de aanvraag door het Uwv en de toetsing van de beslissing op die aanvraag door de bestuursrechter.


4.2.

In de uitspraken van 14 januari 2015 is verder uiteengezet op welke wijze dergelijke aanvragen door de aanvrager moeten worden onderbouwd en door het Uwv moeten worden beoordeeld, en hoe de rechter beslissingen van het Uwv op dergelijke aanvragen toetst. Voor het voorliggende geval betekent dit het volgende.


4.3.

Zoals onder 4.1 is overwogen, moet de aanvraag van appellant naar zijn strekking worden beoordeeld. Appellant heeft in zijn aanvraag, en toegelicht bij zijn bezwaarschrift, te kennen gegeven dat hij ziek is gebleven, geen arbeid kon verrichten en zijn gezondheid verder is verslechterd. De aanvraag van appellant betrof daarom een verzoek om herziening van het besluit van 7 februari 1985 ook voor de toekomst. Vooropgesteld moet worden dat, nu de uitkering van appellant met ingang van 1 maart 1985 is ingetrokken en de Wet Amber eerst per 29 december 1995 in werking is getreden, een Amber-beoordeling in deze zaak niet aan de orde is. Verder moet worden vastgesteld dat het Uwv de aanvraag van appellant niet heeft beoordeeld als herzieningsverzoek voor de toekomst. Er zijn echter voldoende gegevens beschikbaar om tot een eindoordeel te komen.


4.4.

Allereerst moet worden beoordeeld of appellant bij zijn aanvraag nieuwe feiten of omstandigheden heeft vermeld, die met name zien op de datum 1 maart 1985. Vervolgens moet worden bezien of zijn aanvraag voor zover deze ziet op de toekomst, deugdelijk en toereikend is onderbouwd en voor zover mogelijk, is voorzien van relevant bewijs.


4.5.

Ter ondersteuning van zijn verzoek om zijn arbeidsongeschiktheid opnieuw te beoordelen heeft appellant volstaan met de mededeling dat hij ziek is gebleven en dat hij niet meer in staat is geweest arbeid te verrichten. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat wat appellant ter onderbouwing van zijn aanvraag en zijn bezwaar naar voren heeft gebracht, niet kan worden aangemerkt als nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. Voor zover de aanvraag betrekking had op de toekomst, voldeed deze uiterlijk in de bezwaarfase evenmin aan de daaraan te stellen eisen van deugdelijke en toereikende onderbouwing en, voor zover mogelijk, relevant bewijs. Appellant heeft immers uiterlijk in de bezwaarfase geen feiten en omstandigheden naar voren gebracht die, voor zover het gaat om aanspraken vanaf de datum waarop de herhaalde aanvraag is ingediend, te weten

6 januari 2012, aanleiding moesten geven tot nader onderzoek door het Uwv en konden bijdragen aan de overtuiging en het oordeel van de bestuursrechter dat het besluit van

7 februari 1985 niet kan worden gehandhaafd.


4.6.

De in hoger beroep door appellant ingediende (medische) informatie wordt niet bij de beoordeling van het hoger beroep betrokken gelet op de uitspraken van de Raad van

14 januari 2014 waarin de vaste rechtspraak van de Raad over artikel 4:6 van de Awb op dit punt is bevestigd, onder de aanvulling dat (enkel) indien de aanvraag, voor zover daarbij is verzocht om herziening voor de toekomst, uiterlijk in de bezwaarfase toereikend is gemotiveerd, (ook) in beroep en hoger beroep voor zodanige motivering nadere bewijstukken kunnen worden aangedragen. Nu de aanvraag voor de toekomst niet tijdig toereikend is onderbouwd worden in hoger beroep overgelegde gegevens niet bij de beoordeling van het hoger beroep betrokken.


4.7.

Het Uwv mocht de aanvraag van appellant dan ook afwijzen en het besluit op de aanvraag na bezwaar handhaven. De rechtbank heeft het bestreden besluit terecht in stand gelaten.


4.8.

Uit 4.1 tot en met 4.7 volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd met verbetering van de gronden.


5. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken.



BESLISSING



De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos, in tegenwoordigheid van

J.R. van Ravenstein als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op

24 april 2015.




(getekend) D.J. van der Vos




(getekend) J.R. van Ravenstein




TM