Centrale Raad van Beroep, 09-06-2015 / 14-1039 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:1787

Inhoudsindicatie
1) Ingangsdatum bijstand. Geen bijzondere omstandigheden die rechtvaardigen dat met terugwerkende kracht bijstand wordt verleend. 2) Inkomstenkorting vanwege de studiefinanciering van partner is op de juiste wijze toegepast. Bij toepassing van artikel 33, tweede lid, van de WWB wordt uitgegaan van het bedrag waarop de studerende recht zou kunnen doen gelden door bijvoorbeeld het afsluiten van een aanvullende lening. Een lening in het kader van studiefinanciering moet immers worden beschouwd als een voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de WWB. Dat brengt mee dat het niet afsluiten van een (aanvullende) lening en het als gevolg daarvan niet in staat zijn om bij te dragen in de kosten niet wordt afgewenteld op de bijstand.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-06-09
Publicatiedatum
2015-06-11
Zaaknummer
14-1039 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • USZ 2015/265
Uitspraak

14/1039 WWB

Datum uitspraak: 9 juni 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

8 januari 2014, 13/931 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Groningen (college)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 april 2015. Appellant is verschenen. Het college heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant, geboren [in] 1978, woont met [naam], geboren [in]

1990, op het adres [adres]. [naam] ontvangt studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf).


1.2.

Appellant heeft zich op 28 december 2012 gemeld bij het UWV Werkbedrijf voor het doen van een aanvraag om bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Ten tijde van deze melding ontving appellant een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) met als einddatum 17 januari 2013. Appellant heeft zich op 7 januari 2013 ziek gemeld en vanaf die datum een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) ontvangen. Bij besluit van

23 januari 2013 heeft het college de aanvraag om bijstand afgewezen, op de grond dat appellant op dat moment nog aanspraak kan maken op een uitkering op grond van de ZW en vervolgens nog op een uitkering ingevolge de WW. Appellant heeft tegen dit besluit geen rechtsmiddelen aangewend. Bij besluit van 11 februari 2013 heeft het UWV appellant met ingang van 18 februari 2013 hersteld verklaard, waarna de ZW-uitkering op 18 februari 2013 is geëindigd. Appellant heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Bij besluit van 25 maart 2013 heeft het UWV het bezwaar van appellant tegen de hersteldverklaring ongegrond verklaard.


1.3.

Appellant heeft zich op 10 maart 2013 opnieuw gemeld bij het UWV Werkbedrijf voor het doen van een aanvraag om bijstand. Bij besluit van 26 april 2013 heeft het college appellant met ingang van 10 maart 2013 bijstand toegekend naar de norm voor een alleenstaande met een toeslag van 20%.


1.4.

Bij besluit van 23 juli 2013 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 10 maart 2013 ongegrond verklaard op de grond dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden om de bijstand met terugwerkende kracht vanaf 18 februari 2013 toe te kennen. De inkomstenkorting vanwege de studiefinanciering van [naam] is op de juiste wijze toegepast.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft aangevoerd dat het bestreden besluit in redelijkheid niet genomen had kunnen worden. Het college had de bijstand met ingang van 18 februari 2013 moeten toekennen. Door een onjuiste voorlichting door het UWV heeft appellant pas op 10 maart 2013 bijstand aangevraagd. Het college heeft ten onrechte het inkomen van [naam] op de bijstand in mindering gebracht. Appellant krijgt te weinig bijstand om van te kunnen leven.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


Ingangsdatum


4.1.

Artikel 43, eerste lid, van de WWB bepaalt dat het college het recht op bijstand op schriftelijke aanvraag, of indien een schriftelijke aanvraag niet mogelijk is, ambtshalve vaststelt. In artikel 44, eerste lid, van de WWB is bepaald dat de bijstand wordt toegekend vanaf de dag van de melding om bijstand aan te vragen, tenzij op die dag nog geen recht op bijstand bestaat.


4.2.

Volgens vaste rechtspraak inzake toepassing van de artikelen 43 en 44 van de WWB (uitspraak van 12 juni 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW8362) wordt in beginsel geen bijstand verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen of - in voorkomende gevallen - een aanvraag om bijstand heeft ingediend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen. Van zulke omstandigheden kan sprake zijn als komt vast te staan dat betrokkene al eerder een aanvraag om bijstand heeft ingediend, of indien is gebleken dat betrokkene op enigerlei wijze actie in de richting van het UWV of het college heeft ondernomen die tot het innemen van een daartoe strekkende aanvraag had moeten leiden.


4.3.

In geschil is of in het geval van appellant sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in 4.2 die rechtvaardigen dat hem met terugwerkende kracht bijstand wordt verleend over de periode van 18 februari 2013 tot 10 maart 2013.


4.4.

Appellant heeft aangevoerd dat er bij de behandeling van zijn eerdere aanvraag van

28 december 2012 fouten zijn gemaakt en dat het besluit van 23 januari 2013 onjuist is. Nu appellant tegen het besluit van 23 januari 2013 geen bezwaar heeft gemaakt, staat dit besluit in rechte vast. Met deze procedure tegen het bestreden besluit kan appellant niet bereiken dat de omstandigheden die hebben geleid tot het besluit van 23 januari 2013 of de gevolgen daarvan door de bestuursrechter worden beoordeeld.


4.5.

Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij, doordat hij verkeerd is geïnformeerd, zich niet eerder dan 10 maart 2013 heeft kunnen melden om bijstand aan te vragen. Uit de gegevens van het Klantencontactcentrum (KCC) van het UWV blijkt dat appellant regelmatig telefonisch contact met het UWV heeft opgenomen. Op 18 februari 2013 heeft hij medegedeeld dat hij door de verzekeringsarts hersteld is verklaard, maar dat hij nog ziek is. Op zijn vraag wat hij kan doen, heeft de medewerker van het KCC geantwoord dat hij tegen de herstelbeslissing bezwaar kan maken en een afspraak kan maken voor een nieuwe medische beoordeling. Op 22 februari 2013 heeft appellant gevraagd wanneer zijn WW- en ZW-uitkeringen zouden worden overgemaakt. Op 26 februari 2013 is appellant gebeld door [medewerker], werkzaam bij het KCC, in het kader van een onderzoek naar veelbellers, met de vraag of appellant nog informatie nodig heeft over zijn situatie. Volgens het verslag van het telefoongesprek heeft [medewerker] appellant erop gewezen dat hij bijstand kan aanvragen tijdens de bezwaarprocedure tegen de herstelbeslissing. In het verslag is genoteerd dat appellant hier nog over na zou denken. Uit deze gegevens van het KCC blijkt niet dat appellant naar aanleiding van de door hem gestelde vragen onjuist is geïnformeerd. Verder blijkt daaruit dat appellant vanaf het moment dat hij wist dat hij hersteld was verklaard en dus geen ZW-uitkering meer zou ontvangen, niet heeft gevraagd naar de mogelijkheid om bijstand aan te vragen noch zich daartoe heeft gemeld. In ieder geval wist appellant op 26 februari 2013 dat hij bijstand kon aanvragen, maar hij heeft ervoor gekozen om erover na te denken en zich eerst op 10 maart 2013 te melden. Niet is gesteld of gebleken dat appellant tussen 26 februari 2013 en 10 maart 2013 niet in staat was om bijstand aan te vragen.


4.6.

Gelet op wat in 4.5 is overwogen, is geen sprake van bijzondere omstandigheden die bijstandverlening met terugwerkende kracht rechtvaardigen.


Inkomen uit studiefinanciering


4.7.

In artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de WWB is bepaald dat als gehuwd of als echtgenoot mede wordt aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert. In artikel 4, eerste lid, aanhef en onder c, onder 1, van de WWB is bepaald dat onder gezin wordt verstaan: de gehuwden tezamen.


4.8.

In artikel 13, tweede lid, aanhef en onder c, van de WWB is bepaald dat geen recht op algemene bijstand heeft degene die jonger is dan 27 jaar en uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs kan volgen en in verband daarmee aanspraak heeft op studiefinanciering op grond van de Wsf.


4.9.

In artikel 31, eerste lid, van de WWB is bepaald dat tot de middelen worden gerekend alle vermogens- en inkomensbestanddelen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Tot de middelen worden mede gerekend de middelen die ten behoeve van het levensonderhoud van de belanghebbende door een niet in de bijstand begrepen persoon worden ontvangen.


4.10.

In artikel 32, derde lid, van de WWB is bepaald dat indien een van de gehuwden geen recht heeft op algemene bijstand, zijn inkomen slechts in aanmerking wordt genomen voor zover het inkomen van de gehuwden tezamen, met inbegrip van de bijstand die zou worden verleend indien zijn inkomen niet in aanmerking wordt genomen, meer zou bedragen dan de bijstandsnorm voor gehuwden.


4.11.

In artikel 33, tweede lid, van de WWB is bepaald dat het inkomen uit studiefinanciering op grond van de Wsf in aanmerking wordt genomen naar het van toepassing zijnde normbedrag voor de kosten van levensonderhoud, genoemd in artikel 3.18 van de Wsf.


4.12.

Van belang is dat artikel 33, tweede lid, van de WWB een bepaling is van dwingendrechtelijke aard. Het college was dan ook gehouden het in artikel 3.18 van de Wsf genoemde bedrag als inkomen van [naam] aan te merken. Vaststaat dat dit bedrag ten tijde van belang is gesteld op € 813,29 per kalendermaand. Er bestaat geen aanleiding om van dit wettelijk uitgangspunt af te wijken.


4.13.

Ter zitting heeft appellant gesteld dat het college uit moet gaan van de daadwerkelijk ontvangen inkomsten. [naam] heeft minder inkomsten uit studiefinanciering dan het normbedrag, omdat zij slechts een basisbeurs ontvangt en er voor gekozen heeft om geen lening af te sluiten. Deze grond slaagt niet. Bij toepassing van artikel 33, tweede lid, van de WWB wordt uitgegaan van het bedrag waarop de studerende recht zou kunnen doen gelden door bijvoorbeeld het afsluiten van een aanvullende lening. Een lening in het kader van studiefinanciering moet immers worden beschouwd als een voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de WWB. Dat brengt mee dat het niet afsluiten van een (aanvullende) lening en het als gevolg daarvan niet in staat zijn om bij te dragen in de kosten niet wordt afgewenteld op de bijstand.


4.14.

Uit wat onder 4.1 tot en met 4.13 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham, in tegenwoordigheid van J.L. Meijer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2015.




(getekend) A.B.J. van der Ham




(getekend) J.L. Meijer




HD