Centrale Raad van Beroep, 09-06-2015 / 14-1068 AW


ECLI:NL:CRVB:2015:1788

Inhoudsindicatie
Verlaging bezoldiging van 100% naar 90% wegens arbeidsongeschiktheid. Geen sprake van werkomstandigheden met een buitensporig karakter.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-06-09
Publicatiedatum
2015-06-11
Zaaknummer
14-1068 AW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/1068 AW

Datum uitspraak: 9 juni 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

24 januari 2014, 13/3577 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven (college)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 april 2015. Appellante is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.G.J. Raaymakers en

J.W.C. van Buuren-Walravens.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellante was sinds augustus 2010 werkzaam bij de gemeente Eindhoven als bestuurlijk medewerker bij de afdeling Bestuurlijk en Juridisch Advies (BJA). Op 22 mei 2012 heeft zij zich met psychische klachten ziek gemeld.


1.2.

Nadat appellante een half jaar ziek was geweest, is bij besluit van 6 december 2012 de bezoldiging van appellante op grond van artikel 7:3, eerste en tweede lid, van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling/Eindhovense Arbeidsvoorwaardenregeling (CAR/EAR) met ingang van 22 november 2012 verlaagd van 100% naar 90%. Appellante heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Zij heeft betoogd dat zij ziek is geworden door langdurige overbelasting door haar werkgever en dat door de opstelling van de werkgever haar herstel wordt vertraagd.


1.3.

Bij besluit van 21 mei 2013 (bestreden besluit) heeft het college het tegen het besluit van 6 december 2012 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat geen sprake was van werkomstandigheden met een buitensporig karakter.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.1.

Ingevolge artikel 7:3, eerste en tweede lid, van de CAR/EAR, heeft de ambtenaar vanaf de eerste dag van arbeidsongeschiktheid gedurende de eerste zes maanden recht op doorbetaling van zijn volledige bezoldiging en bij voortduring van de ongeschiktheid gedurende de zevende tot en met de twaalfde maand recht op doorbetaling van 90%.


4.1.2.

Ingevolge artikel 7:3, zevende lid, van de CAR/EAR behoudt de ambtenaar na afloop van de termijn van zes maanden recht op doorbetaling van zijn volledige bezoldiging bij arbeidsongeschiktheid in en door de dienst. Op grond van artikel 7:1, eerste 1, aanhef en onder d, van de CAR/EAR wordt, voor zover hier van belang, onder arbeidsongeschiktheid in en door de dienst verstaan de arbeidsongeschiktheid wegen ziekte of gebreken die in overwegende mate haar oorzaak vindt in de aard van de opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden waaronder deze moesten worden verricht.


4.2.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 24 november 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU7194) moeten bij de toepassing van een regeling als in geding eerst de in het werk of de werkomstandigheden gelegen bijzondere factoren, die de arbeidsongeschiktheid zouden hebben veroorzaakt, worden geobjectiveerd. Naarmate de ziekte meer van psychische aard is, zal in meerdere mate sprake moeten zijn van factoren die in verhouding tot dat werk of die werkomstandigheden - objectief bezien - een buitensporig karakter dragen. Het ligt daarbij op de weg van de ambtenaar om voldoende feiten aan te dragen ter onderbouwing van zijn stelling dat van dergelijke omstandigheden sprake is.


4.3.

Appellante heeft aangevoerd dat de werkomstandigheden een buitensporig karakter droegen omdat zij langdurig met teveel werkzaamheden belast is geweest. Zij heeft gesteld dat zij als gevolg van ziekte van twee collega’s de taken van agendering en notulering heeft moeten vervullen naast haar functie van bestuurlijk medewerker. Daarnaast werd een nieuw computersysteem ingevoerd en zorgde het niet tijdig aanleveren van stukken door collega’s voor extra (piek)belasting.


4.3.1.

Niet in geschil is dat appellante een groot deel van de werkzaamheden van twee zieke collega’s heeft overgenomen. Uit het verhandelde ter zitting en de, rechtens onaantastbare, beoordeling over de periode 1 augustus 2010 tot juli 2011 volgt dat dit heeft geleid aan de ene kant tot een grotere inzet van appellante op het terrein van procesondersteuning van de bestuurlijke besluitvorming en aan de andere kant tot het niet langer zelf hoeven uitvoeren van een aantal taken op het terrein van het dossier raadzaken. Evenmin is in geschil dat appellante hard heeft gewerkt en te maken heeft gehad met piekbelasting. Deze omstandigheden moeten naar het oordeel van de Raad worden gerekend tot de normale werkomstandigheden van een functionaris op het niveau van appellante. De Raad wijst voorts nog op de P&O-jaarcyclus van 2012, waarin appellante een aantal malen heeft aangegeven dat zij het druk heeft, voor bepaalde taken te weinig tijd heeft en dit oplost door eerder te beginnen en langer door te werken, maar waaruit niet kan worden afgeleid dat appellante de werkomstandigheden als te zeer belastend heeft ervaren. De Raad weegt daarbij mee dat appellante haar overuren heeft kunnen compenseren door het opnemen van verlof.


4.3.2.

Duidelijk is dat het functioneren van appellante gekenmerkt werd door een groot verantwoordelijkheidsgevoel. Zij heeft voor zichzelf onvoldoende of te laat grenzen gesteld. Daaraan kan hebben bijgedragen dat appellante niet altijd een naaste collega had aan wie zij het werk kon overdragen bij verlof of ziekte, hetgeen zij als een gemis heeft ervaren. Uit de stukken blijkt echter niet dat het voor appellante niet mogelijk was om in dat geval haar taken terug te geven aan haar leidinggevende. Uit het dossier blijkt voorts dat appellante zaken naar zich toe heeft getrokken, die niet tot haar taken behoorden. Ook gelet hierop ziet de Raad geen aanleiding om tot het oordeel te komen dat sprake was van buitensporige werkomstandigheden.


4.4.

Appellante heeft voorts betoogd dat vanwege de opstelling van het college bij haar

re-integratie na ziekmelding, haar arbeidsongeschiktheid heeft voortgeduurd. Ter onderbouwing van dit betoog heeft appellante onder andere gewezen op het deskundigenoordeel van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) van

17 februari 2014. Nog afgezien van de vraag of omstandigheden die zich na de ziekmelding hebben voorgedaan moeten worden betrokken bij de vraag of de bezoldiging terecht na een half jaar ziekte is gekort, zijn ook de door appellante in dit kader aangevoerde omstandigheden naar het oordeel van de Raad niet aan te merken als buitensporig.

4.5.

Uit het voorgaande volgt dat niet is voldaan aan de in de rechtspraak geformuleerde voorwaarde van naar objectieve maatstaven gemeten buitensporigheid. Het hoger beroep van appellante slaagt daarom niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend als voorzitter en M.C.D. Embregts en

R.C. Schoemaker als leden, in tegenwoordigheid van C.A.W. Zijlstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2015.




(getekend) B.J. van de Griend




(getekend) C.A.W. Zijlstra



HD