Centrale Raad van Beroep, 09-06-2015 / 14-691 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:1800

Inhoudsindicatie
Intrekking en (mede)terugvordering bijstand. Gezamenlijke huishouding. Uit de relatie van appellanten is een kind geboren. Meerdere periodes. Geen toereikende grondslag.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-06-09
Publicatiedatum
2015-06-11
Zaaknummer
14-691 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht

Formele relatie


Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • JWWB 2015/145
Uitspraak

14/691 WWB, 14/791 WWB

Datum uitspraak: 9 juni 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

9 januari 2014, 13/2055 en 13/2428 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] (appellante) en [appellant] (appellant), beiden te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.S. Wijling, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Namens appellant heeft mr. A.J. Vis hoger beroep ingesteld.

Partijen hebben nadere stukken aan de Raad gezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 april 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Vis. Voor appellante is mr. Wijling verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.C. Rolle.

OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellante ontving sinds 18 maart 2009 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), aanvankelijk naar de norm voor een alleenstaande en, nadat op 5 oktober 2011 uit de relatie met appellant een kind was geboren, naar de norm voor een alleenstaande ouder. Appellante stond sinds 13 juli 2009 in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA, thans Basisregistratie Personen) ingeschreven op het adres [adres 1] (uitkeringsadres). Appellant stond in de GBA ingeschreven op het adres [adres 2]. Naar aanleiding van een anonieme melding op

27 augustus 2012 dat appellante al sinds 4,5 jaar samenwoont met appellant op diens adres, hebben sociaal rechercheurs van de afdeling Bijzondere Onderzoeken van de gemeente Rotterdam een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader is met appellante een gesprek gevoerd, zijn gegevens opgevraagd over het verbruik van water, gas en elektriciteit en is een buurtonderzoek in de omgeving van het uitkeringsadres en van het adres van appellant verricht. De onderzoeksbevindingen zijn neergelegd in een rapportage van 23 oktober 2012.


1.2.

Het college heeft in het resultaat van het onderzoek aanleiding gezien om de volgende besluiten te nemen.


1.2.1.

Bij besluit van 25 oktober 2012 heeft het college de bijstand van appellante vanaf

13 juli 2009 ingetrokken en de over de periode van 13 juli 2009 tot en met 4 oktober 2011 gemaakte kosten van bijstand van haar teruggevorderd tot een bedrag van € 30.999,42. Bij afzonderlijk besluit van gelijke datum heeft het college de bijstand van appellante over de periode van 5 oktober 2011 tot en met 30 september 2012 herzien (lees: ingetrokken) en de over deze periode gemaakte kosten van bijstand van appellante teruggevorderd tot een bedrag van € 14.351,44. Bij besluit van 19 februari 2013 (bestreden besluit 1) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten van 25 oktober 2012 ongegrond verklaard.


1.2.2.

Bij afzonderlijk besluit van 25 oktober 2012, zoals gehandhaafd bij besluit van 8 maart 2013 (bestreden besluit 2), heeft het college de van appellante teruggevorderde kosten van bijstand over de periode van 5 oktober 2011 tot en met 12 augustus 2012 mede teruggevorderd van appellant tot een bedrag van € 17.205,83 bruto.


1.3.

Het college heeft aan de besluitvorming het volgende ten grondslag gelegd. Appellante had in de periode van 13 juli 2009 tot en met 4 oktober 2011 (periode 1) niet haar hoofdverblijf op het uitkeringsadres, met name gelet op het zeer geringe waterverbruik aldaar, maar op het adres van appellant. In de periode van 5 oktober 2011 tot en met 12 augustus 2012 (periode 2) voerde appellante met appellant een gezamenlijke huishouding op het adres van appellant. In de periode van 13 augustus 2012 tot en met 30 september 2012 (periode 3) woonde appellante niet langer in de gemeente Rotterdam. Appellante heeft van dit alles geen mededeling gedaan aan het college en als gevolg daarvan is aan haar over deze periodes ten onrechte bijstand verleend. Aan de medeterugvordering ligt ten grondslag dat appellant degene is met wie appellante een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante gegrond verklaard en bestreden besluit 1 vernietigd op de grond dat, in strijd met artikel 7:13, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), geen vertegenwoordiger van het college voor de hoorzitting in bezwaar is uitgenodigd. De rechtbank heeft de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten. Tevens heeft de rechtbank bepalingen gegeven met betrekking tot vergoeding aan appellante van griffierecht en proceskosten. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard.


3. In hoger beroep hebben appellanten zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Het hoger beroep van appellante richt zich tegen de instandlating van de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit 1. Het hoger beroep van appellant richt zich tegen de ongegrondverklaring van zijn beroep.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


De intrekking


4.1.

Een besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.


4.2.

De Raad zal eerst ingaan op het standpunt van het college dat appellante in de

periodes 1 en 2 haar hoofdverblijf heeft gehad op het adres van appellant.


4.3.

De vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Appellanten stonden in de te beoordelen perioden op verschillende adressen in de GBA ingeschreven. Dat gegeven staat op zichzelf niet in de weg aan het hebben van een hoofdverblijf in dezelfde woning op één van die adressen. Zie het arrest van de Hoge Raad van 13 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:556.


4.4.

Appellante heeft op 10 oktober 2012 een verklaring afgelegd. Zij heeft bij die gelegenheid verklaard - samengevat - dat zij, zeker sinds zij met appellant een zoon heeft, wel in de woning van appellant komt. Zij heeft echter consequent tegengesproken dat zij daar heeft gewoond. In haar verklaring zijn ook anderszins geen aanknopingspunten te vinden voor het standpunt dat zij op het adres van appellant haar hoofdverblijf heeft gehad. Appellant is niet gehoord. Hij heeft in het kader van de medeterugvordering in bezwaar, beroep en in hoger beroep steeds staande gehouden dat appellante in de periodes 1 en 2 niet haar hoofdverblijf op zijn adres heeft gehad. Het standpunt van het college berust daarom uitsluitend op het resultaat van het buurtonderzoek bij het uitkeringsadres en van het bij het adres van appellant gehouden buurtonderzoek - in het bijzonder op wat omwonenden en de wijkagent hebben verklaard - en op het waterverbruik en het verbruik van elektriciteit en gas op het adres van appellant.


4.4.1.

De verklaringen van de buurtbewoners van het uitkeringsadres hebben in het bijzonder betekenis voor het antwoord op de vraag op appellante woonde op het uitkeringsadres en hebben voor de vraag of appellante haar hoofdverblijf had bij appellant geen zelfstandige betekenis.


4.4.2.

De verklaring van de wijkagent ziet slecht op één incident op 18 november 2011 en kan reeds daarom niet als bewijs dienen voor het hoofdverblijf van appellante op het adres van appellante in de periodes 1 en 2.


4.4.3.

Aan de gegevens over het waterverbruik en het verbruik van elektriciteit en gas op het adres van appellant kunnen geen conclusies worden verbonden met betrekking tot het hoofdverblijf van appellante aldaar. Weliswaar is een toename te zien in het verbruik van elektriciteit vanaf oktober 2009, maar daarmee is nog niet gezegd dat deze toename moet zijn veroorzaakt doordat appellante op het adres van appellant haar hoofdverblijf heeft gehad. Appellanten hebben in dat verband niet ten onrechte nog naar voren gebracht dat appellant op dat adres woonde met zijn vader en dat vanaf 5 oktober 2011 ook de zoon van appellanten geregeld op dat adres verbleef.


4.4.4.

Resteert het getuigenbewijs. De rechtbank heeft zwaarwegende betekenis gehecht aan de verklaring van twee buren van appellant. Appellanten hebben terecht aangevoerd dat deze verklaringen niet ten grondslag kunnen worden gelegd aan de conclusie dat appellante haar hoofdverblijf op het adres van appellant had. In de eerste plaats is van belang dat de identiteit van de twee personen die zijn gehoord door de sociaal-rechercheurs niet is vastgesteld. Verder is van belang dat van de gesprekken die met deze personen zijn gevoerd uitsluitend een samenvatting voorhanden is, zoals neergelegd in de rapportage van 23 oktober 2012. Het college heeft geen afzonderlijke, door de betrokken getuigen en de sociaal-rechercheurs ondertekende verslagen van het horen overgelegd. Daarmee is voor appellanten onvoldoende controleerbaar en verifieerbaar wat de getuigen precies hebben verklaard. Onder vorengenoemde omstandigheden bestaan er onvoldoende waarborgen dat de in de rapportage opgenomen samenvattingen een juiste weergave vormen van wat de buren van appellant precies hebben verklaard. Aan de samenvatting van het gesprek dat de sociaal-rechercheurs hebben gevoerd met een eveneens anoniem gebleven persoon die in een nabij het adres van appellant gelegen bandenspeciaalzaak is gehoord, kleven dezelfde gebreken als hiervoor besproken. Bovendien bevat de samenvatting van dat gesprek geen feitelijke elementen over het hoofdverblijf van appellant op het adres van appellant.


4.5.

De Raad komt tot de conclusie dat de onderzoeksbevindingen noch op zichzelf noch in onderling verband bezien toereikend zijn voor het standpunt van het college dat appellante in de periode van 9 juli 2009 tot en met 12 augustus 2012 haar hoofdverblijf heeft gehad op het adres van appellant. Met inachtneming van deze conclusie zal vervolgens (nader) worden ingegaan op de intrekking van de bijstand over de drie onderscheiden periodes.



Periode 1


4.6.

Evenals de rechtbank komt de Raad tot de conclusie dat appellante in deze periode niet haar hoofdverblijf heeft gehad op het uitkeringsadres. Voor dat oordeel is reeds voldoende het extreem lage verbruik van water op dit adres. In de periode van 6 juli 2009 tot 22 december 2010 is immers sprake geweest van een waterverbruik van slechts 2 m3 en over de periode daarna, tot 28 januari 2012, slechts van 4 m3. Uit vaste rechtspraak, bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 23 juli 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1124, volgt dat extreem laag waterverbruik de vooronderstelling rechtvaardigt dat de betrokken woning in beginsel niet als feitelijk hoofdverblijf heeft gediend. Appellante is er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat deze vooronderstelling in haar geval niet opgaat. De enkele stelling dat zij zuinig is met het gebruik van water, is daarvoor in ieder geval onvoldoende. Overigens is in deze periode op het uitkeringsadres ook sprake geweest van een uitzonderlijk laag verbruik van gas en elektriciteit. Dat appellante, zoals zij ook nog naar voren heeft gebracht, beschikte over een volledig ingerichte woning waarin zich kleding, administratie en een slaapplaats bevonden, maakt dat niet anders. Dat zegt immers nog niets over het feitelijk gebruik dat van de woning werd gemaakt.


4.7.

Appellante heeft niet aan het college gemeld dat zij in periode 1 niet haar hoofdverblijf had op het uitkeringsadres. Daarmee heeft zij haar wettelijke inlichtingenverplichting geschonden. Als gevolg van die schending kan niet worden vastgesteld of appellante in deze periode verkeerde in bijstandbehoevende omstandigheden. Het college was daarom bevoegd de bijstand over periode 1 in te trekken. Tegen de wijze van gebruikmaking van deze bevoegdheid zijn geen zelfstandige beroepsgronden gericht. In zoverre heeft de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit 1 terecht in stand gelaten en in zoverre slaagt het hoger beroep van appellante dus niet.


Periode 2


4.8.

Uit 4.5 volgt dat er geen toereikende grondslag is voor het standpunt van het college dat appellanten in deze periode een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. De intrekking van de bijstand over deze periode kan daarom geen stand houden. De rechtbank heeft dat niet onderkend.


Periode 3


4.9.

De rechtbank heeft het college terecht gevolgd in zijn standpunt dat appellante in deze periode niet langer woonde in de gemeente Rotterdam en om die reden ingevolge artikel 40, eerste lid, van de WWB jegens het college geen recht meer had op bijstand. Appellante heeft aangevoerd dat zij haar adreswijziging aan het college heeft doorgegeven en daarbij heeft gemeld dat die wijziging tijdelijk was, omdat zij de intentie had weer naar Rotterdam terug te keren. Het college heeft betwist dat een dergelijke melding is gedaan. Appellante heeft haar standpunt niet kunnen onderbouwen met objectieve gegevens. Ook in zoverre heeft appellante dus haar inlichtingenverplichting geschonden. Dit brengt mee dat het college bevoegd was de bijstand over periode 3 in te trekken. Tegen de wijze van gebruikmaking van deze bevoegdheid zijn geen zelfstandige beroepsgronden gericht


De (mede)terugvordering


4.10.

Uit 4.2 tot en met 4.9 volgt dat het college slechts bevoegd was tot terugvordering van de gemaakte kosten van bijstand over de periodes 1 en 3. Wat appellante heeft aangevoerd over de gebruikmaking van de bevoegdheid tot terugvordering, ziet hoofdzakelijk op haar sociaal-medische omstandigheden voorafgaande aan de hier van belang zijnde periodes en niet op de gevolgen van de terugvordering. Deze omstandigheden kunnen niet worden begrepen onder de in het terugvorderingsbeleid van het college bedoelde dringende redenen om van terugvordering af te zien. De terugvordering over periode 2 kan geen stand houden. De medeterugvordering bij appellant berust op het standpunt van het college dat appellanten in periode 2 een gezamenlijke huishouding met elkaar hebben gevoerd. Nu voor dat standpunt geen toereikende grondslag bestaat, kan de medeterugvordering van appellant geen stand houden.


Conclusie


4.11.

Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak niet (geheel) in stand kan blijven. Hoewel het oordeel van de rechtbank over de schending van de hoorplicht in de bezwaarfase niet ter discussie staat, zal de aangevallen uitspraak om redenen van overzichtelijkheid geheel worden vernietigd, met uitzondering van de bepalingen over het griffierecht en de proceskosten.


4.12.

De Raad zal de beroepen gegrond verklaren. Bestreden besluit 1 zal worden vernietigd voor zover het betreft de intrekking over de periode van 5 oktober 2011 tot en met

12 augustus 2012 en - aangezien het terugvorderingsbesluit ondeelbaar is - voor zover het betreft de terugvordering geheel. Nu niet aannemelijk is dat het gebrek aan het intrekkingsbesluit nog kan worden hersteld, zal het op de periode van 5 oktober 2011 tot en met 30 september 2012 betrekking hebbende intrekkingsbesluit van 25 oktober 2012 worden herroepen voor zover het betreft de periode van 5 oktober 2011 tot en met 12 augustus 2012. Het college zal worden opgedragen met betrekking tot de terugvordering een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Bestreden besluit 2 zal worden vernietigd en het op appellant betrekking hebbende besluit van 25 oktober 2012 zal worden herroepen.


5. De Raad ziet aanleiding het college te veroordelen in de (proces)kosten van appellanten. Deze kosten worden voor appellante begroot op € 980,- in hoger beroep en voor appellant op € 980,- in beroep en op € 980,- in hoger beroep, telkens voor verleende rechtsbijstand, alsmede op € 31,50 wegens reiskosten van appellant in hoger beroep.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


- vernietigt de aangevallen uitspraak, behalve de beslissingen over proceskosten en

griffierecht;

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt het besluit van 19 februari 2013 voor zover het betreft de intrekking over de

periode van 5 oktober 2011 tot en met 12 augustus 2012 en de terugvordering geheel;

- herroept het op de periode van 5 oktober 2011 tot en met 30 september 2012 betrekking

hebbende intrekkingsbesluit van 25 oktober 2012, voor zover het betreft de periode

5 oktober 2011 tot en met 12 augustus 2012, en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de

plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit van 19 februari 2013;

- draagt het college op met betrekking tot de terugvordering een nieuwe beslissing op

bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- vernietigt het besluit van 8 maart 2013;

- herroept het jegens appellant genomen besluit van 25 oktober 2012 en bepaalt dat deze

uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 8 maart 2013;

- veroordeelt het college in de kosten van appellante tot een bedrag van € 980,-;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.991,50;

- bepaalt dat het college aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 122,-

vergoedt;

- bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 166,- vergoedt.



Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en W.F. Claessens en

G.M.G. Hink als leden, in tegenwoordigheid van C.M. Fleuren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2015.




(getekend) C. van Viegen




(getekend) C.M. Fleuren



Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip gezamenlijke huishouding.




HD